Jonathan Irvine Israel
(geboren te London, 1946) was professor van Nederlandse
geschiedenis aan de Universiteit van London (en sinds 2006 aan Princeton in de Verenigde Staten
van Amerika) en heeft veel geschreven in de onderwerpen Nederlandse geschiedenis, het tijdperk
der Verlichting en het Europeaanse Jodendom.
Van het boek (zeer beknopt, met korte toevoegingen, en vrij vertaald door albert):

Op de Drempel van de Moderne Tijd
De zogenaamde Nieuwe Wereld van de Nederlandse Republiek maakte a diepe indruk op Europeaanse
alzowel niet-Europeaanse bevolkingen gedurende de zeventiende en achtiende eeuwen. Het was een
maatschappij en kultuur dat betoverde met haar kunst, filosofie en wetenschappen, en heeft tot
vandaag-de-dag nog een grote betekenis in de geschiedenis van de 'beschaafde wereld'. In de
Verenigde Provincien de vrijheid van de mens was het hoogste ideaal: vrijheid in geloof, egaliteit
van de vrouw, bedienden, joden, en een geringe klassebewustheid. Het uitte zich in in de politiek,
het zaken leven, in landbouw, in technologie, en in gemeenschappelijke vernieuwingen in het sociale
leven zoals het weeshuis, zieken verzorging, enz. Maar niets van dit zou volbracht zijn zonder de
unieke revolutie bij welke het leger onder de burgerlijke macht was geplaatst (en ook wel de grote
veranderingen in militaire taktiek, strategie, en materiaal) want dit maakte het kleine land van
maar twee milioen inwoners een wereldkracht op land en zee. Een historisch moment van hoge
creativiteit en prestatie gebeurt slechts zelden in de geschiedenis, en zulk een gouden tijdperk
is niet beschouwbaar met een gewoonlijke maatstaf.

De Opkomst van Holland
Zeker vanaf 1572 lag in Holland de kern van de politiek, de economie en de kultuur van de Lage
Landen. Veel van wat later werden (voor de rest van Europa) verbazingwekkende ontwikkelingen in
het noorden van Nederland begon daar in de dertiende eeuw, want toen kwamen de grote veranderingen
in het drassige, vloed-gevaarlijke waterland waar in de twaalfde eeuw maar weinig mensen zich
konden handhaven. Nadat zeedijken en polders waren geconstrueerd kwamen landbouwers in grote
getallen naar de nieuwe landen in Holland en West Friesland, and langzaam maar zeker verminderde
de macht van de steden Utrecht, Kampen, Deventer, Zwolle, Nijmegen, en Zutphen. Vlaanderen en
Brabant en de andere staten in zuid Nederland waren nog de belangrijkste in politiek en de
economie, maar vanaf de wenteling naar de veertiende eeuw stond Holland (achter het bolwerk van
de grote rivieren) niet gesubordineerd tegenover hen. In deze tijd nam de invloed van Holland
onherweerbaar toe, naar Friesland en Zeeland en bij het jaar 1500 de steden van Leiden, Amsterdam,
Haarlem, Dordrecht, Rotterdam, Gouda, en Delft hadden die langs de grote rivieren (behalve Utrecht)
uitgegroeid, en alleen Ghent, Antwerpen, Brugge, en Brussel, Leuven, en 's-Hertogenbosch in het
zuiden waren nog groter. Deventer, Zwolle, Nijmegen, Harderwijk, Tiel, Zutphen, Elburg, Groningen,
Stavoren, Oldenzaal, en Kampen waren voor korte of lange tijd lid van het Hanze internationale
verbond van kooplieden, maar de Hollandse steden wensten hun vrijheid te behouden.
Tot 1425 vormden in de Lage Landen twee politieke theaters met de grote rivieren als scheidings
lijn waar ten zuiden en ten noorden het spel for hegemonie werd uitgespeeld tussen verschillende
facties en sferen van invloed, interest, en profijt. Dat jaar zag den dood van de laatste
onafhankelijke graaf van Holland en een paar jaren later maakten Holland en Zeeland een gedeelte
uit van een Europeaans rijk met haar politiek en kultuur gebaseerd in de zuidelijke gebieden. De
Staten Generaal vergaderde altijd in Brussel of soms in een andere stad in het zuiden. In Holland
oorlog met de Hanze doemde en noodzaak besliste een eigenaardige politiek waarbij de steden de
Staten van Holland domineerden maar de economische krachten van zeevaart en haring visserij waren
geconcentreerd in de uitliggende havens van Enkhuizen, Hoorn, Medemblik, en Edam, rond Rotterdam en
de Maas, en de Rijn handel uit Dordrecht.
Toen in 1477 Vlaanderen in opstand was gekomen en de Staten Generaal was toegestaan onhafhankelijk
te vergaderen (door het 'Grande Privelege'), de gelijktijdige opstand in Holland en Zeeland was ook
een reactie tegen Vlaanderen en Brabant met als resultaat een aparte oorkonde met het verbod dat
'vreemdelingen' (niet-Hollanders of niet-Zeelanders) geen ambt in de administratie of justitie
mochten houden, en een Zeeuw verplaatste de Vlaamse Stadhouder van Holland. De Staten van Holland
en Zeeland was toegestaan uitsluitend Nederlands ~ in plaats van het Frans ~ te gebruiken als de
erkende taal in ambst bezigheden.
In de eerste decennia van de 16e eeuw was Holland in grote conflicten met Friesland en Groningen,
Gelderland en Utrecht, dat stoorde de handel bij zee en rivieren en een unie van noord Nederland
werd als uiterst belangrijk gezien. Onder Karel V, dewelke draagde de Spaanse kroon, na 1528 een
enkele Stadhouder had gezag over Zeeland, Utrecht, en Holland. In 1540 de eerste van de Nassau
lijn en Prins van Oranje (geboren te Breda) was benoemd Stadhouder van Holland, Zeeland, en
Utrecht, en vanaf 1543 ook Gelderland.
Humanisme en het Begin van de Reformatie
De oorsprong van het noord Europeaanse humanisme ~ een van de meest belangrijke kultureele
wisselingen in de westerse geschiedenis ~ begon in het Nederland van de 1470er en 1480er jaren, in
de relatieve buiten-oorden van Overijssel en Groningen waar onderwijs en toewijding terug blikte
naar een vroeg middeleeuws verleden. Prediker Geert de Groote (geboren 1340 te Deventer) had door
zijn persoonlijke invloed en geestelijke leiding de oprichting van scholen en bibliotheken in de
IJssel steden geinspireerd, en een vergespreide opwelling en beweging voor de inner ontwikkeling
van de individu. Als een opvolger in deze leer werd Rudolf Agricola (geb. 1444 te Baflo) de
grondlegger van het noorderlijke humanisme, als student in Erfurt, Leuven, Keulen en Parijs, en
later woonende in Italie. Toch trok zijn hart naar het vaderland en in 1479 zag Groningen hem
terug, nu als een lector vermaard door veel van Europa. Hij stierf in 1485 en was begraven in de
pij van de broeders van St. Franciscus. Het humanisme groeide in de scholen van Deventer, Zwolle,
Groningen, en Kampen, en verspreidde zich naar Holland, Brabant, en Vlaanderen.
Erasmus van Rotterdam (geb. 1469) studeerde in Gouda, Deventer, 's-Hertogenbosch, en later in
Parijs, Oxford (Engeland), en Italie. Hij schreef het 'Handboek van den Christensoldaat', een
nieuwe vertaling van het Heilige Schrift, en werkte voortdurend voor de pers. Het opkomen van de
reformering bracht hem in moeilijke omstandigheden: waar Luther met zijn stellingen te Wittenberg
(1517) zocht een reformatie van de geloofsgrond, dat van Erasmus was meer een hervorming der
zeden. De paus wilde hem to kardinaal verheffen, maar toch was hij een der grote mannen van het
Humanisme en een wegwijzer naar een breed, ondogmatisch en humanistisch Christendom ~ 'boven
geloofsverdeeldheid'. De aanval op de kerk door Luther wekte een ontstuiming in Nederland,
speciaal in Holland dat vroeger sterk achter Erasmus stond, en de conservatieve kerk zag dit als
bewijs van de gevaren in de leer van Erasmus die in 1521 Nederland voor goed heeft verlaten.
Nederlandse humanisten en protestanten beiden dachten Erasmus de centrale figuur van hun kultuur
en dit had een enorme gevolgtrekking in de ontvouwende geschiedenis van de Lage Landen. Erasmus
zelf zag dit met wantrouwen, verfoeide schismes en strijd, en had een hekel aan de verstrooidheid
met een nationale identiteit dat hij in het humanisme zag. Hij wilde geen Germaan zijn, nog een
man van de Franse kultuur, en lachte over de mythe dat maakte de Bataven Nederlandse oer-ouders
voor belangrijke humanisten van de dag.
Landgrondelijke Consolidatie
De eenwording van Nederland ten noorden van de grote rivieren was een samenstelsel van politieke
dramas dat had omvattende gevolgen voor de toekomst. Gedurende de vorige drie eeuwen waren de
kleine staten geabsorbeert in een netwerk van macht bij de drie grote provincies. (De Vlaamse
(34%), Brabantse (29%), en Hollandse (13%) belasting bijdragen was driekwart van de hoeveelheid
dat de 17 Nederlandse provincies tezamen opbrachten.) Maar het was een Hollands spel van sociaale,
economische, politieke (en militaire) macht dat bracht de eenwording in het noorden ~ en in de
hoofdrol was de mythe der Bataven en een groeiende patriottisme dat identificeerde vaderlandsliefde
en burgerzin met Holland, en dat later ook een essentieel deel werd van de Nederlandse identiteit
gedurende de Opstand en de Gouden Eeuw.
Voor tientallen jaren raazde over noord-Nederlandse grond oorlog en opstand als keizer en koning
van grote Europeaanse machten worstelden over land en objectieven dat was ver van hare boezem,
maar dat betrok allen van haar provincies en verdeelde het gezag van elk tussen elkaar. In 1548
de strijd eindelijk kwam tot een eind en kon de Nederlandse Staten Generaal met gezag van het
Heilige Roomse Rijk een 'Pragmatieke Sanctie' uitvaardigen dat erkende als een geheel en apart
Habsburgs gebied de Nederlanden (Artesië; Vlaanderen; Rijsel, Dowaai en Orchies (soms
Rijsels-Vlaanderen genoemd); Doornik en het Doornikse; Mechelen; Namen; Henegouwen; Zeeland;
Holland; Brabant en Antwerpen; Limburg en de Landen van Overmaas; Luxemburg; Utrecht; Friesland;
Gelre en Zutphen; Groningen; Overijssel (incl. Drenthe, Lingen, Wedde en Westwoldingerland).
Op het gegeven moment waren deze de 17 vertegenwoordigers bij de Staten Generaal en men is dat
getal blijven noemen. Dit bracht substantieve veranderingen in de politiek, economie, en kultuur,
en eindigde een periode van instabiliteit en inheemse wanorde en losbandigheid dat was voor eeuwen
het lot van de noord-oostelijke provincies geweest.
De tegenstellingen van het Habsburgse Nederland kan gezien worden in de ingewikkelde zwenkingen in
de Nederlandse taal. Een echt centrum van kultuur bestond niet, de Lage Landen waren nog immer
gescheiden door de grote rivieren, en de grootste provincies hadden een intens interesse om apart
te blijven en hun machten te behouden. Het Habsburgse hof te Brussel gebruikte de Franse taal en
dit maakte niet alleen een scheiding tussen het regime en het grote meerendeel van de bevolking
maar ook dat het hof niet het gebruik van de eene of andere versie (Vlaams, Brabants, Hollands,
Limburgs, of Oosters) kon beinvloeden.
De Vroege Nederlandse Reformatie
Voor de Nederlandse kerk begon de Reformatie vroeg en al snel bewoog het de gehele maatschappij.
Maar het was in veel opzichten een mislukte hervorming omdat de stappen die de regering had genomen
het denken in en de kultuur van de religie schokte en stuurloos had gemaakt. Het verwerken van de
Reformatie nam een geheel andere vorm dan elders in Europa omdat het in Nederland uit het volk was
opgekomen en niet (als in Scandavie, Duitsland, Zwitserland, Engeland) van de overheid was
afgegeven. Nederlands Protestantisme zou Calvinist worden, maar dat kwam pas later en zeker niet
voor 1550. Bij 1559 was (desondanks de grote getallen van geestelijken) de Rooms Katholieke Kerk
in de Lage Landen administratief bijzonder zwak en geestelijke zedenleer end gedrag op een laag
paal. Toch was de Kerk rijk en machtig en had (net als in veel van de voorgaande eeuwen) nog een
immense invloed op de maatschappij. Maar de vervreemding en de verzwakking van de staatskerk was
lang voor 1520 begonnen met de vervorming in onderwijs en vroomheid door het humanisme.

|
Cornelis Cornelisz van Haarlem (1562-1628) ~ Frans Hals Museum, Haarlem.
|
De Duitse kerkhervormer Martin Luther (geb. 1483 te Eisleben ~ waar hij ook stierf) groeide op met
een verlaten moeder; zijn vader ~ een mijnwerker en boer, verhuisde een half jaar na zijn geboorte.
In 1497 kwam Luther te Maagdenburg waar hij onder de leiding stond van de Broeders des Gemenen
Levens, werd in huis genomen door een vrouw te Eisenach, en bij 1501 studeerde aan de universiteit
van Erfurt. Toen hij door een onweer overvallen en ter aarde geworpen was werd hij plotseling
bewogen monnik te worden, en trad in het klooster der Augustijners te Erfurt in 1505. Luther werd
priester en universiteit docent ~ bij 1516 nam hij het generaal-vicariaat aan, en werd ook prediker
aan de stadskerk te Wittenberg. Groot opzien verwekte het in geheel Duitsland, toen hij in 1517
zijn stellingen op de 'Slotkerk' sloeg om een disputatie uit te nodigen. Luther stichtte de eerste
Protestanse gemeente in 1522 te Wittenberg, in 1524 legde de monnikspij af, en trouwde het
volgende jaar. Buitengewoon is de kracht, die Luther toonde vooreerst door zijn Nieuwe Testament
(1522), Oude Testament (1534), en de gehele Bijbel overgewerkt in 1541. Hij was ook een dichter
die betekenis heeft voor de Duitse taal.
Luther beoefende a zeer grote invloed in de Lage Landen. Hij zag 'landskerken' waarbij het hoogste
gezag door de overheid werd uitgeoefent. En met zijn galmend protest over de decadentie
in moraal en geloof binnen de kerk en zijn attentie aan de evangelie. Dit laatste was werkelijk
een revolutie in godsdienst en het geloofs verstand. De keizer antwoordde door de boeken van Luther
in het publiek te laten verbranden en bij het oprichten van de Inquisitie tegen ketterij (dat in
plaats van boeken, mensen verbrandde ~ de eerste in het noorden in 1525). In noord-Nederland de
strijd was moeilijk maar langzaam een opstel van staats-verdringing onderdrukte het Lutherse
dogma. Willem van Oranje (de Zwijger) was zonder twijfel de grootste man van adel in Nederland.
Hij stelde dat het geweten niet gedwongen kon zijn. In de 1560er jaren beweerde hij zo in de
Staten Generaal te Brussel en voegde toe dat zulk een onderdrukking geen plaats moest hebben in het
beleid van de overheid en dat de verdringing tegen ketterij moest ophouden.
Blijkens de Bijbel, beweerde Calvin ~ de Hervormer van Geneve, moeten 'oudsten' de gemeente
regeren. Johannes Calvijn, Jean Calvin (eigenlijk Cauvin, geb. 1509 te Noijon, in Picardie) werkte
dit uit tot een sijsteem met een sijnode als vertegenwoordigende de gezamenlijke plaatselijke
kerken. Calvin studeerde te Parijs, Orleans, Bourges, tot een breuk met de Katholieke Kerk in
1534. In 1536 gaf hij de eerste uitgave van 'Institutio religionis Christanae' ~ een werk dat,
telkens uitvoeriger, voor de vierde keer verscheen in 1559 (en is herhaaldelijk in Nederlandse
vertalingen uitgegeven tot 2009). Van 1537 was Calvin predikant te Geneve en voerde een
soort theocratie in, waarbij een kerkeraad van twaalf ouderlingen en zes predikanten tucht moesten
oefenen, maar zonder het recht over de leer te oordelen. In de Waalse gebieden van zuid-Nederland
verscheen Calvinisme al in de mid-1540ers; maar het kwam naar het noorden (omstreeks 1560) vanuit
Duitsland waarheen protestantse Hollanders waren gevlucht en waar zij kerken stichtten. Met haar
heldere dogma en formidabele structuur vertoonde Calvinisme de sterkste geloof-stroom in het
Nederlandse protestantisme.
De Maatschappij voor de Opstand
Ontginning, de kolonisatie van nieuwe gebieden, en het steeds meer verstedelijke landschap maakte
het belangrijk om het de landbouwer aantrekkelijk te maken op het land te blijven. Reeds vanaf de
twaalfde eeuw had zich een brede stemming ontwikkelt om de boerenstand los te zetten van de
gebonden plichten in het leenstelsel, en deze instelling verdween gestadig. Bij 1550, het
meerendeel van het boerenland was gehouden in onbeperkt eigendom en de landbouwer was vrij met
eigen huis en boedel ~ genoeg om zijn familie in stand te houden ver van dorpse instituties. In
Overijssel, Gelderland, Drenthe, oost-Utrecht, Limburg, noordoost-Brabant, en Luxemburg vond men
plattelandse maatschappijen meer in gemeen met het meerendeel van die in de rest van west Europa.
Hier trok het dorpse leven sterker en was de invloed van de landheer groter, maar ook hier was de
boerenstand betrekkelijk vrij. In Holland een feitelijke agrarische revolutie had plaats genomen
nadat vruchtbaar land van het water was geworsteld met dijken, sloten en kanaalen, en pomp-molens
om de polders droog te houden. Het geconcentreerde gebruik van mest maakte het mogelijk om
stalvoer te groeien en vee te stallen. De bevolking op het platteland in Holland, Friesland, en
Utrecht, groeide sneller tot 1585 dan dat in de steden.
Noord-Nederland van 1300 was slechts schraal bevolkt maar bij 1500 het was uniek (in vergelijking
met elders in Europa) omdat haar bevolking, doch relatief schaars, een ongebruikelijk hoge
onevenredigheid had die zich in de steden vestigden. Utrecht, Dordrecht, Leiden, en Amsterdam
konden nog niet vergeleken worden met het half-dozijn grote steden in het zuiden, maar het was in
feite het meest stedelijke gebied in Europa in de verhouding tussen landelijke en stedelijke
inwoners. En waar in Vlaanderen en Brabant veel dorpen verspreid lagen door die provincies, in het
noorden was er een opzienbaar gebrek aan deze gewoonlijke woonoorden op het platteland dat overal
in Europa te vinden was. De landbouwer verbleef in geisoleerde boerderijen, en de dorpse bevolking
verdiende meestal het levensonderhoud bij zeevaart, rivier handel, vissen, of veensteken. Over de
volgende eeuw-en-een-half deze zwenking werd alleen nog maar meer uitgesproken. Bij 1600, een van
de vier Nederlanders verbleef in een stad met meer dan 10 000 inwoners, terwijl bijvoorbeeld in
Engeland het nummer was minder dan een in tien. Noord-Nederland was ook uniek in dat het had veel
mid-grote in plaats van enkele grote steden, en geen van hen (zelfs niet Amsterdam en Utrecht) had
de grote invloed over de omgeving als Brugge, Ghent, of Antwerpen. De grootste in Holland in 1514
was Leiden met 12 500 inwoners ~ zeker geen grote stad, en er waren vier andere steden in de
provincie: Amsterdam met 12 000 inwoners, Dordrecht 11 500, Haarlem 11 500, Delft 10 500. Deze
afwezigheid van een wereldstad was een omstandigheid van het allergrootste belang in de komende
ontwikkeling van de Nederlandse politiek en gemeenschap.
Gedurende de 16e eeuw, de voornaamste druk ~ de dijnamiek, in het zuiden kwam vanaf de 'rijke
handel': textiel, spijzen, metalen, en suiker ~ gebaseerd bovenal in Antwerpen, en de samenhangende
bedrijven: wollen doek, linnen, tapijten, suiker-raffineren ~ in de steden van Vlaanderen en
Brabant, en metaalwerk in Liege en Aaken. Ten noorden van de rivieren, in contrast, de 'rijke
handel' bestond bijna niet en de dijnamiek kwam van zeevaart en de haring visserij. De steden met
de meeste groei in de 16e eeuw tot 1580 waren voornamelijk ~ en in Holland alleen ~ maritieme steden.
Amsterdam, welke groeide het snelst, was allereerst een depot voor Oostzee graan en hout. De
haring visserij was gebaseerd op de Zeeland vloot in Zierikzee, Veere, en Brouwershaven, de
zuid-Hollandse uit de kleine havens onder Rotterdam aan de Maas trechtermonding en ~ de grootste,
noord-Hollandse vloot uit Enkhuizen. Zout voor de haring steden was geraffineerd in Hoorn en
Zierikzee. De scheepvaart: bouw en uitrusting, bemanning, touw en zeil, tonnen, vaten en zakken
maken, vormde enorme werkzaamheden. Bij de 1560ers, Holland alleen had over 1 800 schepen in de
zeevaart (500 uit Amsterdam) ~ en meer dan duizend Nederlandse schepen (meer dan drie maal zoveel
als noord-Duitse) zeilden in en uit de Oostzee elk jaar, de meeste vanuit Amsterdam en andere
noord-Hollandse havens, met ongeveer 20 procent uit Friesland. Het verschil tussen noord en zuid
in de structuur van de handel en industrie (stortgoederen versus 'rijke handel') was ook gezien
in de koopvaardij vloot. Dat gebaseerd te Antwerpen was klein maar had forse dure schepen
ontworpen om hoog geprijsde goederen over lange reizen te vervoeren, en een rijke handelaar (of
drie of vier) mocht een schip in eigendom hebben. Het noorden voor 1585 had geen belangrijke
zakenmannen en de schepen, veel goedkoper gebouwd, waren het eigendom van mensen in bescheiden
welstand als brouwers, molenaars, graan en hout kopers, haring handelaren, en dergelijken. Dus
de noordelijke schepen in de 16e eeuw (in groot verschil met Engeland en Duitsland) waren vaak in
eigendom in 32ste of 64ste delen. Het was dus mogelijk om een grote koopvaardij uit te voeren
zonder een groot kapitaal in hand te hebben.
Het werkende leven in de steden overal in de Lage Landen (en in het noord-westen van Duitsland)
was in grote mate vertstrikt in het sijsteem van de gilden. Elke stad had een massa van gilden.
Antwerpen had wel meer dan honderd, in de meeste grote steden dozijnen. De hoofd gilden hadden de
meest vooraanstaande rol (net als in voorgaande eeuwen) in de stad. Zij breidden zich over het
gehele spectrum van de economie ~ gegroepeerd in verschillende zaken en handel: handwerkers,
winkeliers, beroepen en vakken, voerlieden, en havenwerkers. Het gilde sijsteem was meestal
ondersteund by het stedelijk gezag dat kracht leende aan de gilde statuten dat daarom altijd een
sterke invloed op het stedelijk leven uitwerkten. Een andere belangrijke groepering was de
schutterij: de burgerwacht dat hield orde in de gemeente en stond klaar de stad in nood te
verdedigen. De schutters waren de meest welvarende gilde leden en niet loontrekkers of armen.
De verhouding van stedelijke inwoners te arm om grondbelasting te betalen schommelde van het ene
tot het andere jaar (in Leiden bv. stond het op 33 procent in 1514, minder in 1529, en 40 procent
in de mid-1540ers). Armoede was een groeiend probleem. De kerk, gilden, en individuen, zetten
liefdadige stichtingen en verzekeringen op voor hofjes, huizen, en gestichten voor armen, zieken,
en weeskinderen.
De val van het Habsburgse Regime
Karel V hefde vanaf 1540 zware belastingen op de Lage Landen omdat vondsen nodig waren voor een
langdurige oorlog tussen Frankrijk en Spanje. De fiscale eisen groeiden zo gestadig dat in 1556
de Staten Generaal eerst weigerde en niet toe gaf tot 1558. In die jaren, Karel V ~ vermoeid van
oorlog en verantwoordelijkheid, begon van de troon af te treden met als eerste acte het overdragen
van de Nederlanden naar zijn zoon Philip II die in 1555 van Spanje kwam. In 1559 Spaanse legers
trokken uit de strategische gelegen Lage Landen naar een grote overwinning in zuid-Frankrijk en de
oorlog kwam tot een eind, maar niet het probleem met Nederland.
Willem van Oranje was aangesteld als Stadhouder van Holland, Zeeland, en Utrecht, en Lamoraal ~
Graaf van Egmond, als Stadhouder van Vlaanderen en Artois, maar de macht over beslissingen lag met
de ambtenaren. De rol van Willem van Oranje ~ de rijkste, slimste, en meest welbesproken van de
hoge adel, was beslissend in de twisten dat volgden. (Willem kreeg later de bijnaam de 'zwijger'
omdat hij zelden zegde wat hij dacht.) Deze uitstekende handige politicus spoedig vertoonde
zichzelf als de voornaamste concurent voor macht tegenover de ambtenaren. Als hoofd van de Nassau
dijnastie in Breda sinds 1544, had hij al lang de Spaanse Troon ondersteund.
De opkomst in Nederland (als overal in west-Europa) van universiteit geschoolde niet-van-adel
ambtenaren in fiscale administratie en de justitie sloeg een wig tussen troon en adel. De
inspanning werd een scheiding in 1561. Ambitie speelde een rol, maar Willem had een verbinding
met vrijheid van geweten en geloof dat was dieper dan in anderen van de hoge adel. Toen hij
trouwde met de Lutherse Anna van Saksen stond hij vastberaden tussen de onweerstaanbare kracht
van het opkomende Protestantisme en de onroerende barricade van de Katholieke Spaanse Troon.
Philip trachtte de kerk te reorganiseren maar nieuw-genoemde bischopen werden aangeklaagd als
ketter-jagers. In 1566 bijna 200 mannen van de Lage Landen adel onder leiding van Graaf Brederode
dwongen in bij regentess Margaretha van Parma in Brussel en presenteerde haar met een vurige
beschuldiging tegen en aanmaning voor het aftakelen van de Inquisitie. Het geschrift was
uitgegeven in Nederlandse, Duitse en Franse versien, en omvatte een weinig vermomde waarschuwing
voor een gewapende opstand. Het was in verband met dit gebeuren dat de scheldnaam gueux
(bedelaars) eerst was gebruikt en dat later een trots onderscheidingsteken voor de revolutie werd.
De Inquisitie ~ gehaat door heel het land ~ werd gebeugeld, and het protestantisme drong naar voren
en uitte zich in een spontaan begonnen beeldenstorm op de Katholieke Kerk dat raazde door de Lage
Landen. Zwervende benden drongen de kerken binnen om heilige beelden en altaren kapot te slaan.
Vervreemding in een gemeenschap van het eigen geloofs kultuur op zulk een grote schaal was zonder
precedent nog gelijk. Niemand was er gekant tegen en de menigte keek juichend toe en lof ging
naar de Geuzen. Bijna overal werden binnen stedelijke muren protestantse congregraties gevormd.
De adel wist niet welke kant op te gaan.
Onderdrukking onder Alva
Met de opstand mislukt, een reactie tegen protestanten groeide in stuwkracht. De Hertog van Alva
kwam naar Nederland met 10 000 Spaanse en Neapolitaanse troepen aangevuld met Duitse hulpmachten.
Al de protestantse bedrijvigheid was verdwenen. De regentess Margaretha nam ontslag over de wrede
aanpak van Alva; hij had tijdens een banket te Brussel de graven Egmond en Hoorn laten arresteren.
Na een gerechterlijk onderzoek waren beiden voor verraad tot den dood veroordeeld. Tien maanden
na Alva z'n aankomst waren de twee graven onthoofd in het paleis te Brussel voor een ontzet
gedrang van wie velen schreiden openlijk. Zij werden niet de enigen van de adel die met hun leven
voor de opstand betaalden: vier dagen hiervoor een doodvonnis was uitgetrokken op achtien anderen.
Deze gebeurtenissen weren vaak opgebracht in latere anti-Spaanse propaganda. Voor Alva klaar was
met zijn werk waren 9 000 mensen uit alle rangen beschuldigd met verraad van wie meer dan een
duizend het doodvonnis hoorden. Willem de Zwijger was voorzichtiger en verhuisde naar Duitsland
maar hij had zijn 13-jarige zoon Philips Willem achtergelaten om te studeren in Leuven; hij zou
hem nooit weer zien. De jongen werd naar Spanje genomen voor een opvoeding tot een goede Katholiek
trouw aan de Spaanse koning die hoopte dat hij zijn vader kon verplaatsen als Prins van Oranje in
een onzekere toekomst.
Meer dan 60 000 Nederlanders vluchtten, naar Friesland, Duitsland, en Engeland. Vele anderen
waren niet uitgevonden en bleven in hun thuis steden, maar het protestantse geloof kon niet
uitgewist worden. Willem van Oranje in 1568 (met zijn land in beslag genomen en zijn reputatie
bij de koning op het laagste peil) nam de plaats van Brederode (de Grote Geus die gestorven was
met zijn hart gebroken omdat Oranje hem niet wilde ondersteunen), en toen Willem de Geuzenvlag van
de opstanding ontplooide, verzamelde de adel zich rond hem. De meesten kwamen vanuit het noorden.
De officieren van de Watergeuzen meestal van Holland en Friesland.
In 1569 Alva bracht nieuwe zware belastingen in om de troepen in Nederland te betalen maar ook voor
de Spaanse oorlog tegen de Turk. Het eerste was de honderdste cent op gewaardeerd vermogen. Het
tweede was een 5 procent belegging op koopwaren. Het derde was de als schandalig geziende vaste
tiende cent op alles dat verkocht was. De Staten van de provincies en de stedelijke gemeenten
waren laf gemaakt bij alles dat was gebeurd in de laatste twee jaren maar niet zo geintimideerd
om te capituleren op een grondwettelijke kwestie. In antwoord, Alva imponeerde de nieuwe
belastingen in een eenzijdige verklaring bij bevel. Een storm van bittere teleurstelling vloog
over het land. Overal in de steden en op het land stond het volk op het punt van opstand.
Willem propagandeerde bij het beschimpen van Alva en de 'Spaanse wreedheid' en verschafte de
bevolking dat de toevlucht naar wapens de enigste manier was om de Lage Landen te redden van
'ondragelijke slavernij', maar toch hield hij aan dat hij niet in opstand was tegen de koning maar
tegen slecht staatsbeleid en speciaal tegen de tirannie van Alva. De geloofs verschillen liet hij
af van zijn redeneringen. Het was niet bij toeval dat het 'Wilhelmus' in dat jaar was
gekomponeerd door een vergeten dichter. Oranje als een veldheer kon niet op tegen Alva, en het
offensief verminderde tot weinig meer dan pinprikken vanuit Duitsland. De Watergeuzen vloot
vanuit Emden was meer doelzaam en bij 1571 had zoo'n 30 schepen welke de vaart bij de kusten
ontwrichtte en op het land vielen in een reeks van kaperstochten.
De Revolutie begint
Een revolutie, een echt grote opstand van de soort dat verandert de grondtoon in de koers van
geschiedenis kan alleen beginnen waar over een lange groeiperiode onoverkombare scheuren zijn
gekomen in de grondwet, het sociaale leven, in de ideologie, en in het geloof. De economische en
militaire omstandigheden dat zette het oproer aan in 1572, doch niet onbelangrijk, waren dus
eigenlijk bijkomend. De opstand al vlug maakte een heel andere toestand in noord en zuid, en dit
verschil werd later beslissend in hoe de revolutie zich uitwerkte maar ook in de groeiende
afwijking tussen noord en zuid dat nog zou komen.
De Watergeuzen gaven de laaste stoot aan het begin van de Revolutie toen Alva op 1 April Den Briel
verloor. Het kleine haventje was onbelangrijk maar vijf dagen later de aan de mond van de Schelde
gelegen kritieke haven te Vlissingen was ingenomen. Hier Alva had plannen voor een van de
bolwerken ~ ontworpen om de bevolking ontzag in te boezemen ~ zoals hij elders in het land had
laten bouwen: te Antwerpen, Groningen, en Utrecht. In Vlissingen was het nog niet een fort, meer
een teken van verdrukking. Terwijl Spaanse troepen naderden, bezette de burgerij de stad en roepte
de Geuzen in die kwamen van Den Briel in acht schepen met 800 man. Later diezelfde maand Veere was
overgenomen door haar vissermannen, en meteen was de rest van Walcheren (met uitzondering van
Middelburg) in opstand tegen de Spanjaarden. Zeeland stond zo sterk achter de Watergeuzen dat
Spaanse schepen geen bemanning van de bevolking kon krijgen en Veere en Vlissingen niet te hulp
konden komen. De aanvang van een oproering in Rotterdam was nauwelijks in de kop gedrukt.
Vanuit Duitsland een leger bestormde Gelderland, veroverde Zutphen en bracht Gelderland en
Overijssel in opstand. Oranje, in persoon, voerde een 16 000-man-sterk Duits huurling-leger aan
naar Brabant. In Mei de schutters van Enkhuizen grepen de stad die het hoofdkwartier voor de
Geuzen in Holland en Friesland werd. Een maand later, Hoorn en Alkmaar volgde; Haarlem in Juli als
een der laaste (behalve Amsterdam) in Holland.
In zuid-Holland de Spaanse regering stond sterker met het meerendeel van het Spaanse leger bij
Rotterdam, en een garizoen in Utrecht, maar toch ging Gouda al over naar de opstand in Juni na de
verovering door de Geuzen van Oudewater. Te Leiden (getrouw aan de Spaanse Troon) de drukken van
schutterij en burgerstand kloof de stadsraad, en Geuzen kwamen zonder weerstand binnen. Na Leiden
volgde Dordrecht. Alleen Amsterdam, Rotterdam, Delft, en Den Haag, van de grote steden, waren
aanwezig voor een Spaanse spoedvergadering in 's-Gravenhage in Juli. In antwoord vegaderde vier
van de zes grote steden als de Staten van Holland (nu Oranje) in Dordrecht ~ zelfs Rotterdam (nadat
Spaanse troepen terug waren getrokken) kwam een paar dagen na de anderen. Maar nu ook kwamen de
kleinere steden (Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Edam, Monnikendam, Oudewater, en Gorcum) die
anders niet vaak aanwezig waren.
Willem de Zwijger stuurde Philip Marnix van St Aldegonde, zijn secretaris, als vertegenwoordiger
om voorlopige afspraken met de Staten te maken. Beiden van de Prins z'n voordrachten (en
aangenomen) waren bizarre mengsels van conservatisme en revolutie. Oranje verkondigde dat hij
nog steeds de koning z'n gouverneur-generaal en Stadhouder was van Holland, Zeeland, en Utrecht
omdat hij niet ontslagen was in de manier vereist bij de gebruiken en bevoorrechten van het land.
De Staten van Holland aanvaarde dit en zag hem als Stadhouder en kapitein-generaal van de drie
provincies. Meer dan dat, het erkende Oranje, in de afwezigheid van Zijne Koninklijke Majesteit,
als Beschermer van al de Nederlanden, een verbazende stap en een totale ontkenning van het gezag
en de opdracht van Alva. De Prins (ver van Dordrecht in Venlo) spoorde de Staten aan om op te
geven aan de zaak van de Spanjaard en samen met de rest van het Vaderland te vechten om vast te
houden aan de historische rechten en privilegen van de provincies. De Staten was in
overeenstemming en bereid de kosten op zich te nemen met een toewijzing van 600 000 gulden om de
troepen voor drie maanden te betalen. Oranje beloofde dat hij in de toekomst niet Holland zou
regeren zonder toestemming van de Staten. Door het nemen van het bewind en administratie functie
de Staten van Holland had zichzelf verwisseld van een adviserende groep naar een onontwikkelde
regering.
Als 1572 voorbij ging geniette de Revolutie eerst voorspoed, maar toen verwelkte. In het noorden
was er veel spontaan plaatselijk verzet tegen Alva en de koning. In het zuiden, met Alva dichter
bij, niet. Oranje ging in beroep op de steden van Brabant en Vlaanderen om steun aan de opstand
te verklaren. Alva rukte op naar Mechelen en liet zijn leger plunderen en een slachting aanrichten
welke veel andere oproerige steden onderdanig maakte. In smaad trok Oranje terug, eerst naar
Gelderland, dan naar Holland. Met de opstand gebroken in Brabant, ging Alva in marsorde op
Gelderland af. Op 14 November werden honderden gedood bij Zutphen en het nieuws daarvan
veroorzaakde een breuk in de revolutie in Gelderland, Overijssel, en Friesland. Alva haastte
zich naar Holland en Zeeland voor winter de opstandelingen een kans gaf zich hecht te maken.
Toen het te lang duurde voor Naarden zich te onderwerpen bemachtigde Alva de moord van elke man,
vrouw en kind in de stad. Deze verslachting had een sensationeel gevolg op de bevolking in de
Lage Landen, en werd een bijwoord voor gruwelijke wreedheid.
De Revolutie overleeft
In Brabant en Vlaanderen Oranje's regenten en schutter-officieren vluchtten toen Alva nader kwam;
in Holland het Spaanse bloedbad in Naarden had een ander gevolg. Verzet werd halsstarrig zelfs met
een vermoedelijke grimmige toekomst. De schutterij van Delft eisde de Prins harder op te treden
tegen de Katholieke godsdienst. In Haarlem, met Alva in opmars naar de stad, een machtsgreep by
de schutterij sloot de poorten tegen de Spanjaard. Het beslissende feit was dat in Holland,
Zeeland, en Friesland, de opstand was nu vele maanden oud. Aanvangs-protestantisme en het formeel
maken van de Revolutie door de Watergeuzen en terugkerende balingen hadden gemeentelijke politiek
en geloof doortassend verandert in de steden van Holland en Zeeland. Zij konden hoop om de opstand
te overleven alleen vinden in voortdurend verzet.
De verdediging van Haarlem stond niet goed, maar een garizoen en de schutterij hield de stad
vastberaden terwijl Spaanse troepen een bittere koude winter doorbrachtten in hun loopgraven ~
waar velen sneuvelden, en de kosten voor Alva groeiden enorm. Na een lang en verschrikkelijk beleg
moest Haarlem het opgeven in Juli 1573, maar het had Spaans gezag en leger zo beschadigd dat alles
veranderde. De zoon van Alva trok op tegen Alkmaar, maar het lot van de revolutie lag nu in
zuid-Holland.
Over de volgende 18 maanden Middelburg en Leiden werden belegerd. De rebellen op Walcheren hadden
de stad geblokkeerd vanaf het begin van de revolutie maar het was sterk bemand en de Spaanse
troepen hielden uit voor 20 maanden. Verschillende indrukwekkende rivier konvooien van Antwerpen
en Bergen-op-Zoom werden afgevochten door Zeelandse oorlogschepen. In Februari 1574 moesten de
uitgehongerde Spanjaarden het eindelijk opgeven. In Leiden was het de beurt van de rebellen om
uit te hongeren. Het beleg van Leiden, doch niet het langste (dat was te Middelburg), was de
duurste, her hardst gevochten, meest beslissend, en het meest epische van de grote belegeringen
gedurende de Revolutie. Van de vechters in de stad waren weinig beroeps-soldaten; de ruggegraad
van de verdediging was de schutterij. De Spaanse belegeraars slaagden bijna en als Leiden had
gevallen, Den Haag en Delft zouden onhoudbaar zijn geweest en de Revolutie zelf misschien
ineengestort.
Spaanse troepen trokken terug in Maart 1574 om het leger van Willem z'n (gesneuvelde) broeren tegen
te staan dat van Duitsland marcheerde om Holland vanuit het oosten te ontheffen. Zij werden bij
Mook verpletterd, en in Mei het beleg van Leiden nam weer aan. Met heel de Revolutie nu in het
evenwicht zette Oranje alles op: schepen, rantsoenen, en duizenden zeelieden werden opgebracht
vanaf Zeeland. Ondanks de tegenstand van de Staten van Holland werden de Maasdijken doorgestoken,
maar de vloed was niet hoog genoeg om de Spanjaarden terug te drijven nog konden de Geuzen-schepen
verder dan tussen Delft en de stervende stad. Wekenlang lagen de vaartuigen binnen gehoorsafstand
en donderden hun kanonnen om de verdedigers moed aan te spreken. Eindelijk in laat September
draaide de wind en regen plensde zo dat de Spaanse troepen terug moesten trekken en de Geuzen door
konden naar de stad. De verdedigers van Leiden waren zo zwak meest van hen konden ternauwernood
staan. De ontheffing van Leiden was een cruciaal gebeuren. Spaanse soldaten ontruimde
zuid-Holland naar Utrecht en Naarden. Sinds de slag op de Zuiderzee 11 October 1573, de zeevaart
van de Schelde monding tot Friesland behoorde nu onbetwist aan de Geus.
De Vrede van Ghent tot de Unie van Utrecht
Met oorlog in Nederland en tegen de Turk aan de kusten van de Middelandse Zee, de Spaanse monarchie
was financieel onthecht. Het Spaanse leger ~ onbetaald en onbevoorraad ~ zette het beleg van
Zierikzee voort tot de val van de stad 2 Juli 1576. Slechts uren later gaven de hongerige
veteranen het op in muiterij ~ en drie weken later plunderden zij Aalst net buiten Brussel. Zonder
een tweede mogelijkheid liet de koninklijke raad de Staten van Brabant een leger op been te brengen
welke de steden kon beschermen. In November Antwerpen werd aangevallen en de Brabantse
verdedigers overstulpt bij de Spaanse muiters ~ gevolgd door slachting, plunder, en verkrachting
in dit: de voornaamste handel en geld stad in Europa.
De Staten Generaal vergaderde zonder bijeenroeping door een koninklijke heerser in September 1576
(voor het eerst sinds 1477). Het kwam tot een belangrijke overeenstemming met de Vrede van Ghent.
De Nederlanden nu had twee middelpunten van macht met geen van beiden in Spaans beheer. Doch
bewerend dat het erkende de soevereiniteit van de Spaanse koning, de afspraak stelde de zuidelijke
provincies, en ook Utrecht, om zich te verenigen met de Prins van Oranje en de Staten van Holland
en Zeeland om de Spanjaard te verdringen. De provincies en de steden in beraadslagingen met de
schutterijen bekrachtigden de overeenkomsten.
Noord en zuid stonden samen maar toch waren er nu twee revoluties aan de gang: dat in het zuiden
wilde het katholieke geloof in herstel zien terwijl in het noorden protenstantisme was onweerbaar.
De kloof in de politiek was groter dan ooit en voor drie jaar worstelde het zich uit over het land
in militaire en burgerlijke conflicten in Utrecht, Groningen, Friesland, en Gelderland ~ tot een
1578 'alteratie' zelfs in Amsterdam de banning zag van de katholieke gezachtshebbers en het sluiten
van Katholieke kerken. Oranje zocht voortdurend in het zuiden verdraagzaamheid voor het
protestantse en in het noorden voor het katholieke in een 'vrede van geloof'.
In die tijd kon Spaans (en Katholiek) gezag weer groeien en na een vernederend verlies in de slag
van Gembloux moesten Oranje en de Staten Generaal Brussel verlaten naar Antwerpen dat nu het
hoofdkwartier werd voor de Brabantse revolutie. In 1578 de Spanjaarden veroverde Leuven ~ slechts
20 kilometers van Brussel. In het noorden protenstantisme ~ nu sterk Calvinistisch, was in de
opmars: Ghent werd gedwongen haar raad en ambten te veranderen; Oudewater verdreef haar schepenen
om een Calvinist commissie van achtien (zoals in Ghent) op te zetten, en de burgerij nam Kortrijk,
Arras, Ieper, en Brugge. Met het 'vrede van geloof' uitgeroepen in 1578, Calvinisten (en ook
Lutheranen en Wederdoopers) zagen voorspoed in Antwerpen. Hier en in Breda en 's-Hertogenbosch
Oranje probeerde de protestanten in toog te houden; dichter bij de Spaanse eerste linie moest hij
de adel overtuigen van de principes in het vrede van geloof.
Het hart van het politieke zinnebeeld stond in het overwerpen van de Burgundische en Habsburgse
geraamtes in de provincies en een terugstelling van (wat is soms genoemd) een 'stedelijke staat'
sijsteem zoals bestond in Brabant en Vlaanderen in de Middeleeuwen.
De Twee Nederlanden
De gebeurtenissen van 1576-78 maakten de scheur tussen noord en zuid Nederland niet, maar het
onthulde het, en kloof het breder, in een diepe spleet dat al een lang bestaan had. In structuur
de verschillen in de maatschappij, economisch leven, en geloof, waren talrijk en verstrekkend. In
het verleden hadden de Nederlanden ten zuiden van de grote rivieren altijd de macht gehad; nu, de
opmars van Spaanse troepenmachten in zuid-Brabant en Limburg maakten hen niet begerig om instemming
met Holland te vinden, en Oranje kon niet de orde in de zuider steden houden zoals hij kon in het
noorden.
De Unie van Holland en Zeeland was getekend in Juni 1575 dat (voor het eerst) vormde (een
uitsluitend protestantse) gezamenlijk raamwerk voor de politiek, strijdkrachten, fiscus, en geloof;
het was in kiem de staat dat later opgericht zou worden ~ het was de fundering voor een toekomstige
Nederlandse Republiek, en dicht verbonden stond het oprichten van de universiteit te Leiden wiens
doel was een oefenperk des verstands te maken voor een nieuwe staat en een nieuwe volkskerk; de
opzet was de opleiding van ambtenaren, geestelijken, en anderen als de bemanning van de stichtingen
voor het nieuwe wezen, en een bolwerk tegen 'tirannie' en geloofs verdrukking.
De chronische politieke wanorde in het zuiden werd nog erger toen de onbetaalde troepen van de
Staten Generaal naar muiterij keerden in September 1578 terwijl Spaanse legermachten onverbiddelijk
noordwaarts drongen ~ zij overstroomden Limburg naar het Roermond kwartier om Gelderland en
Overijssel te bedreigen. Met de vijand zo dicht bij, de Staten Generaal kon Roermond, Deventer,
en Kampen niet helpen, en Vlaanderen en Brabant keerden hun blik (zoals altijd) naar het zuiden.
De Staten van Holland, Zeeland, en Utrecht haastten manschappen naar het oosten en greep in tegen
de politiek met het afzetten van de Roomse raad van Kampen (in Juli) en van Deventer (November).
De komst van de troepen uit het westen in Gelderland en Overijssel en de versterkingen van de
oost-grenzen benodigde een bredere strategische en politieke verhouding tussen de noordelijke
provincies in een nieuwe en dringende vorm. Dit was de eigenlijke reden voor de welbekende Unie
van Utrecht en voor de vormering van een grotere Nederlandse staat.
Een vroege versie van de nieuwe 'Unie' was ontworpen door de Staten van Holland aangezet door
Johan van Nassau, Stadhouder van Gelderland, met Floris Thin, Advokaat voor de Staten van Utrecht,
in de late zomer van 1578. Het is duidelijk dat de oorspronkelijke bedoeling was om al de
noordelijke provincies bijeen te brengen, inclusief Drenthe en Lingen, maar niet de provincies in
het zuiden of de Staten Generaal te Antwerpen. De opzet was voor een noordelijke verdediging
structuur overheerst door Holland. Er was veel tegenstand en debat en de afdoende tekst,
getekend bij Holland, Zeeland, Utrecht, de Ommelanden, en het ridderschap van de Arnhem en Zutphen
kwartieren, was niet meer dan een eerste slag in een maandenlange politieke strijd tegen wat was
gezien als een 'Hollandse Unie' maar in 1579 tekenden Gelderland en Friesland en in 1580 Drenthe
en Groningen, met Overijssel nog gescheiden.
Tegenstand was natuurlijk niet alleen te vinden in het noorden van het land maar ook in het
zuiden. De Staten Generaal te Antwerpen en de Prins van Oranje waren er grondig bezorgd over.
Oranje waardeerde de noodzaak voor het versterken van de oosterse grenzen en was niet in openlijke
tegenstand van de Unie. Zo lang als de zuiderlijke provincies een deel uit maakten van de Unie was
de Prins er niet tegen, maar zijn gebrek aan geestdrift ervoor was duidelijk. In April 1579 was
hij nog bezig met de Staten Generaal aan voorstellen voor een andere vorm van Unie dat gaf meer
macht aan de Staten Generaal en beschermde verdraagzaamheid voor het katholieke geloof ~ hij hield
vast aan een grote afkeer tegen de onverdragelijkheid van de Calvinistische geestelijken.
Eindelijk (in Mei 1579) tekende Oranje de Unie van Utrecht en begon hij de steden van Brabant en
Vlaanderen aan te moedigen om ook te tekenen.
De Habsburgse Herovering van het Zuiden
Onder de auspicien van Keizer Rudolph II werd te Keulen een vrede vergadering gehouden, maar het
werd duidelijk dat geen grond bestond voor een overeenkomst; voor de velen twijfelaars de gulden
middelweg was niet te zien tussen de unies van Utrecht aan de ene en die van de Staten Generaal
aan de andere kant. Veel van de slotfiguren in deze tijd verdraagden kwellende hartscheuren: de
Frieslandse vertegenwoordiger erkende de revolutie maar kon niet een katholiek geloofs verbod
aanvaarden en zou niet kiezen maar verbleef van die dag af in Keulen; een ander die de Generale
Unie lang had ondersteund in de hoop niet een onherroepelijke verbreking met Spanje te zien,
volgde Oranje en werd Calvinist in naam.
Graaf Rennenberg, Stadhouder van Friesland, Groningen, Drenthe, Lingen, en Overijssel, voor de
Generale Unie, was de laatste Katholiek nog aan de rebellen partij. In Maart 1580 verkondigde hij
zijn trouw aan de Spaanse koning. Het was de eerste belangrijke noodtoestand voor de onontwikkelde
Nederlandse staat. Rennenberg hield de stad Groningen en riep de burgerij op om de Hollandse en
Protestantse tijrannie over te gooien. In de meeste plaatsen was weinig steun voor de oproep ~
zelfs in Groningen was het zo zwak dat een Katholieke opstand spoedig was geoverweldigd, en elders
werd er door de burgerij een kort eind aan gemaakt. Roomse geestelijken vluchtten van heel het
noord-oosten, en van Gelderland, Utrecht, Holland, en noord Brabant. In veel plaatsen Katholieke
kerken werden gesloten, de godsdienst verboden, en Katholieke priesters en monniken mochten zich
niet met pij of toga in het openbaar vertonen.
Met een Spaanse legermacht in Groningen achter de Nederlandse verdedigings linie, Rennenberg
veroverde Delfzijl, dan Oldenzaal, en het Hof van Overijssel (geband als Spaans en Katholiek)
keerde terug naar Zwolle. Inmiddels had de Italiaanse Hertog van Parma (Spanje haar
gouverneur-generaal) Maastricht genomen na een vier-maandenlang beleg in 1579 en Kortrijk
(west-Vlaanderen) in 1580. De Spanjaard was op de mars vanuit noord-oost, zuid-oost, en zuid-west,
en het gebied van de Nederlanden verminderde geleidelijk.
Oranje was overtuigd dat de enige manier om een totaale verslaging te ontlopen was door de
gemaatigde partijen die vervreemd waren door het radicaal Calvinisme terug te winnen, en door het
behalen van het vertrouwen der Franse koning en Lutherse prinsen in Duitsland. Hij hoopte de
Revolutie meer inschikkelijk te maken tegenover het Katholieke geloof en bijstand te vinden in het
buitenland ~ in bijzonder van Frankrijk. De Prins spoorde de Staten Generaal aan om de
souvereiniteit over Nederland aan te bieden aan de jongere broer van de Franse koning, de Hertog
van Anjou. Deze voorstelling van Oranje was aangenomen bij de Staten van Brabant, en Vlaanderen,
en een verdrag getekend door de Staten Generaal in September 1580. In Juli 1581 het 'Plakkaat van
Verlatinge' verwierp Philip II en verloochende de koning van Spanje ~ verordening het verwijderen
van zijn portret van munten, van ambtelijke zegels, en het uitwissen van de Habsburgse wapens van
al de publieke gebouwen.
Maar de Spanjaard had nu zilver uit de Spaanse Indien en de oorlog met de Turk was tot een einde
gekomen. Philip z'n macht groeide spoedig: bij September 1580 had Parma een leger van 45 435 man
en bij October 1582, 61 000. Toen Oranje z'n eigen stad van Breda verloor (in Juni 1581) was de
Spanjaard goed verschanst langs het zuiden van de rivieren en stond als een wig tussen noord en
zuid. De toekomst van de Revolutie zag er somber uit. Gedurende 1582 trokken Spaanse troepen
op tegen Gelderland en in November veroverde Parma Steenwijk ~ een vesting stad dat lag onderweg
tussen Overijssel en Friesland, en de grote Italiaanse generaal blijkend zou spoedig de Unie van
Utrecht in hopeloze stukken hakken.
De Hertog van Anjou ~ de Franse tituleerde soverein van de Nederlanden ~ beraamde in Januarie
1583 een militaire coup om de macht in Brabant en Vlaanderen te nemen. Hij greep Duinkerken,
Aalst, en verschillende andere plaatsen in Vlaanderen, maar in Antwerpen greep de burgerij naar
wapens en sprong op Anjoe z'n mannen om honderden Fransen dood in de straten te laten liggen. De
positie van Anjou was nu onhoudbaar, en Oranje z'n populariteit op het laagste peil sinds 1572;
hij trachtte de situatie op te lappen maar in Juni Anjoe verliet het land. Het werd gezegd dat
Katholieken de poorten van Breda open gegooid hadden voor de Spanjaarden en de burgerij van
Antwerpen antwoordde met nog een beeldenstorm, en een ingrijpende beperking op de Roomse
godsdienst volgde in Brussel en Antwerpen ~ ondanks de inspanning van Oranje om het te voorgaan.
Overal in Vlaanderen en Brabant waren de bedreigde steden in tegenstand aan de 'vrede van geloof'
van Oranje. Spaanse troepen namen Duinkerken en Nieuwpoort bijna zonder een schot te vuren in de
zomer van 1583, en het lot van de revolutie in het zuiden scheen ondergang te zijn.
Met all zijn strategien mislukt groeide wanhoop in Oranje en hij verliet Brabant voor goed in
Juli. Zijn hoofdkwartier werd het Prinsenhof in Delft. Met Oranje nu in Holland, zijn visioen
voor een verenigd Nederland ~ noord en zuid ~ onder samenlijk gezag door Protestanten en
Katholieken in een 'vrede van geloof' was definitief gebroken. De Staten Generaal verhuisde in
Augustus 1583 naar Middelburg, dan naar Delft, en eindelijk Den Haag; de Consilie van Staten in
Brabant ontbindde zich in October. Nu was er maar een bron van macht: Holland.
Maand bij maand het Spaanse offensief was meedogenloos, veroverde Ieper in April 1584, Brugge in
Mei, Ghent in September. Een groeiende stroom van verschrikte protestanten vloeide vanuit
Vlaanderen en Brabant naar Holland en Zeeland. Dat hij Graaf van Holland en Zeeland moest zijn
had Oranje al in 1581 afgewezen, maar met Anjou uit de weg de steden waren nu niet eenstemmig
omdat er was nu ook een ontluikend republiekeinisme ~ of een verbintenis aan het ideaal van de
Staten van Holland (in plaats van enige soverein) zolang dat de politieke macht was samengebracht
bij al de provincies onder de Unie van Utrecht. Er was ook een sterke neiging voor het betoog dat
het regenten gezag was ontleend van en in stand gehouden door de aanzienlijke burgerij, de
schutterij, de burgerwacht en landweer, en dat regenten raadpleeg 'niet alleen de kapiteinen en
luitenanten maar al de burgers en zeelieden welke zijn onze grootste krachten'. Zulk een toestand
was al gevonden in Holland sinds 1566: met raadplegingen over het toestaan van de protestantse
geloofdienst, en weer met de Vrede van Ghent en de Unie van Utrecht.
De Prins werd dood geschoten (in Juli 1584) door een Katholieke fanatiekeling op een trap van het
Prinsenhof in Delft; zijn laatste woorden: 'mijn god, mijn god, heb medelijden met mij en mijn arm
volk'. Voor het eerst moest Holland de Rovolutie leiden zonder Oranje maar nu ook al de kosten op
zich nemen, en zoveel van Brabant en Vlaanderen was gestroopt door Parma dat deze provincies niet
veel konden bijdragen. De belangrijkste beslissing voor het overdragen van het gezag van Oranje
naar Holland was de stichting van de Raad van State, en dit was het dat hield de Revolutie en
Nederland in wezen.
De winter van 1584-85 zag Antwerpen belegerd door Parma en 80 000 inwoners uitgehongerd; Brussel
onderwierp haarzelf in Maart. In April de Staten van Holland en Zeeland waagde een poging bij
land en zee om het beleg van Antwerpen te breken maar het lukte niet en de zaken-wereldstad
capituleerde in Augustus. Protestanten die weigerden het Katholieke geloof aan te nemen werden
bevolen hun huizen en onroerende goederen te verkopen en de helft van de inwoners emigreerde naar
het noorden over de volgende vier jaren.
De Staten Generaal keerde nu naar Engeland waar Koningin Elizabeth zag dat steun aan de Nederlanden
de Spaanse koning zou verhinderen het land strategisch te gebruiken tegen hare en tegen Frankrijk,
en zou ook een verzwak in het protestantisme overal in Europa tegen staan. Maar als zij de
Revolutie ondersteunde wilde zij ook kandidaten voor zetels in de Raad van State benoemen. De
Staten Generaal had geen andere keuze en de Treaty of Nonsuch (Augustus 1585) maakte de Verenigde
Provincien een Engels beschermheerschap. Het was de eerste overeenkomst met een andere Europeaanse
staat. Elizabeth stuurde een expeditie-macht van 6 350 te voet en 1 000 te paard voor welke zij de
kosten zou delen. De troepen werden gecommandeerd door Robert Dudley Graaf van Leicester die ook de
politieke leiding op zich nam als 'gouverneur-generaal'.
Noord Nederland onder Leicester
Het Engelse tussenspel was kort maar in veel opzichten was het een vormende periode in de
geschiedenis van de Nederlandse Republiek. De grondslag voor de Revolutie van 1572, en de volgende
ontwikkelingen in de Nederlanden, was het overwicht van Holland ~ zelfs in de jaren na 1576 toen
Oranje probeerde de politieke leiding voor het gehele Nederland in Brabant op te zetten. De
opkomst van Holland had zich ontwikkelt over ~ niet tientallen ~ maar wel honderden jaren, en in
noord-Nederland was het haar net zolang kwalijk genomen. De Engelse invloed gaf kracht aan de
anti-Hollandse beweging voor een weidere verspreiding van de macht.
Het was een tijd van crisis niet alleen in de politiek maar ook in vrijheid van geloof dat dicht
bij elkaar verbonden was. De politiek was door Holland beheerst en de Hervormde Kerk had een
hekel aan de verdraagzaamheid dat de Hollandse regenten vertoonden voor het Katholieke geloof.
Met Leicester ~ een Calvinist ~ in gezag, de protestantse kerk en de noord-Nederlandse provincies
stonden klaar hem bij te staan. Leicester was een grote aristokraat en de adel van Nederland
wiens macht door de Revolutie zwaar was beminderd zagen ook een kans hun invloed uit te breiden.
Johan van Oldenbarnevelt werd spoedig de voornaamste tegenstander van Leicester. Oldenbarnevelt
was geboren in Amersfoort 1547, studeerde in buitenlandse universiteiten, en vanaf 1576 was
raadpensionaris van Rotterdam en werd al snel ~ door bevoegdheid en hard werk ~ een belangrijke
figuur in de Staten van Holland, aangezet als Advokaat in 1586. Hij had een grote gehechtheid aan
de Prins van Oranje.
Meteen op zijn aankomst begon Leicester nauwkeurige onderhandelingen over de machtsvorm dat hij
zou houden. Het gevolg was confrontatie en polarisatie. Het eerste probleem was een beslissing
over het aanstellen van Stadhouders; de Treaty volmachtigde de Raad van State ~ inclusief de
Engelse leden. In andere woorden, geen Stadhouder was te benoemen zonder toestemming van de
Engelse Troon. Leicester verwachtte ook dat de Stadhouders onderschikt tot de gouverneur-generaal
en de Raad van State zouden staan. De commissie als Stadhouder voor Gelderland, Overijssel, en
Utrecht, was ontleend door de Staten Generaal aan Graaf Adolf von Neuenahr, en dat voor Friesland
en Ommelanden aan Willem Lodewijk van Nassau ~ beide na Oranje z'n dood. In Holland en Zeeland
niemand was benoemd als opvolger omdat zijn zoon Maurits nog te jong was, maar de Staten duidde
hem aan als de toekomstige Stadhouder door hem aan het hoofd van de Raad van State te zetten in
1584. Net voor Leicester naar Nederland kwam benoemde de Staten van Holland en Zeeland de nu
17-jarige Maurits to Stadhouder.
In de overlegging met Engeland in Januari 1586 hield Holland vol dat de Stadhouders hun gezag van
de provincies kregen, en dat Leicester hun benoeming niet kon betwisten nog veranderen omdat in
het verleden de gouverneur-generalen van Habsburg en van de Franse koning daar ook niet de macht
over hadden. Een ander moeilijk onderwerp was de vertegenwoordiging van Vlaanderen en Brabant in
de Raad van State en de Staten Generaal. Er waren nog maar kleine resten van de twee provincies
in de handen van rebellen maar Leicester was begerig om ze binnen de politiek van de Republiek te
brengen als een verdere tegenwicht aan Holland. Het derde probleem had te doen met de fiscus.
Alleen Holland, Zeeland, Friesland, en Utrecht leverden regematige contributies aan de Staten
Generaal ~ zo'n 2,4-millioen gulden voor de oorlog. Leicester zette een Brabander in als
penningmeester welke hij al eerder voor Spanje, Frankrijk, en Oranje was geweest, maar zijn
benoeming en aanpak veroorzaakten aanzienlijke ergernis.
Een andere bron van wrijving was een verbod door Leicester op de handel met gebieden in de handen
van de vijand ~ stategisch verantwoordelijk want er was een tekort aan voedsel voor Parma, zijn
troepen, en overal in zuid-Nederland. De Nederlandse Republiek had de zeemacht voor de Vlaamse
kust en de Eems monding, en beschermde de binnenvaart. De prijzen voor voedsel in de Republiek
vielen af ~ vooral voor kaas en boter; dat was wel naar de zin van de burgerij maar onderdrukte
handel en landelijke huur. Nederlandse kooplieden konden geen graan naar de Spaanse Nederlanden,
Spanje of Portugal verschepen, en dit stoorde de import van de Oostzee en veel van dat verkeer
ging nu naar Engeland, Frankrijk, en zelfs Schotland.
De stand tegen Leicester bij Holland doordrong elke hoek van het Nederlandse leven; elke nieuwe
ontwikkeling voegde aan de ene of de andere kant een ergernis toe. Een grondelijk deel van de
groeiende confrontatie was de kerkeraad: de Nederlandse Hervormde Kerk moest dogma en organisatie
vast leggen dat was betwist sinds 1572. Een nationaale sijnode bijeengeroepen te Den Haag maakte
een uitsluitende Calvinistische Kerk order op. De Staten van Holland verwierp het voorstel maar
het had ondersteuning in Zeeland, Gelderland en Overijssel.
De politieke crisis werd nog erger in Juni 1586 met de gilden en landweer van Utrecht in tegenstand
aan het geloofsbeleid van de regenten, en in Augustus 60 of zo regenten en adelen werden uit de
stad gezet en vluchtten naar Holland. Leicester verplaatste de gehele raad met een vroedschap
welke was vurig Calvinist, anti-Katholiek, en pro-Engels. Holland was woedend en verhinderde de
Utrecht vertegenwoordiger plaats te nemen in de Staten Generaal, maar kon niet verhinderen dat de
stadraad de leiding nam in de Staten van Utrecht.
Wrijving tussen de burgerij en Engelse militairen was ook bezorgwekkend ~ zelfs voor de Engelse
leden van de Raad van State. Behuizing was moeilijk te vinden en de huur te hoog voor de inwoners
van Vlissingen, Den Briel, en Rammekens waar de soldaten schraal onderdakt waren opgesteld ~ en
vaak de inwoners voor dat feit lieten betalen.
Toen Leicester tijdelijk verbleef in Engeland gedurende December 1586, was de Republiek inwendig
aanzienlijk overstuur, maar de Staten van Holland ~ onder de leiding van Oldenbarnevelt, zag kans
om politieke grond te winnen. Nieuwe regels werden ingebracht onder welke alle
militaire-officieren in dienst in Holland en Zeeland door de Stadhouder benoemd moesten worden en
trouw zweren alleen aan de provincieele Staten. De beweging van troepenmachten werden nu alleen
wettig als volmachtigd door de Stadhouder. Het handelverbod van Leicester was zo grondig geweizigd
dat de Engelse gouverneur van Den Briel de veranderingen niet in de stad liep uitroepen.
Engelse manschappen te Deventer en de forten om Zutphen (moe van de Nederlanders) gingen over
naar Spanje en gaven deze voorname verdedigings punten van de Republiek aan Parma. Het gevolg
was een grote haat bij de bevolking voor de Engelse soldaaterij en dit was de oorzaak voor nog
meer muiterij door Engelse garizoenen te Zwolle, Arnhem, en Ostend, en het aanzien van Leicester
zakte gestadig. In de zomer van 1587 bracht de Engelsman nieuwe troepen naar Holland en bezette
Gouda, Schoonhoven, en andere plaatsen. Hij drong binnen te 's-Gravenhage in een mislukte poging
om Maurits en Oldenbarnevelt te arresteren. Leicester probeerde nog Amsterdam te overtuigen van
zijn kant maar toen dit ook mislukte gaf hij Nederland in afschuw op om terug naar Engeland te
gaan. Zo de laaste en meest ondersteunde poging om de opstandige provincies onder het goedaardige
bescherm van een buitenlandse heerser te brengen eindigde in een mislukking.
De Bevestiging van de Republiek
De tijd van Leicester verhelderde de Hollandse houding voor vrijheid zonder onderwerping aan enig
koninklijk gezag, maar het verzwakte ook de Republiek en een verwachting voor herstel. Op het
korte termijn, het inwendig worstelen voor macht binnen de Nederlanden verzwakte zelfs de kans voor
de Republiek te overleven. Parma rukte op van het zuiden, oost en noord-oosten; Spaanse garizoenen
uit Groningen, Steenwijk, en Coevorden stroopten in Friesland, en een aanval tegen Bergen-op-Zoom
mislukte nauwelijks; te Geertruidenberg (in het verre zuiden van Holland), het Engelse garizoen
daar gaf de stad aan Parma in 1589.
Nochtans kwamen in de volgende drie jaren beslissende verandering voor Nederlandse, en heel de
Europeaanse geschiedenis. Van een gescheiden zwak land niet in staat haar gebieden te verdedigen,
veranderde de Republliek tot een levensvatbare federatie met een geraamte voor orde en
bestendigheid.
Tegenstand op de Hollandse plannen verminderde door de slimme staatkundigheid van Oldenbarnevelt.
Leicester was weg maar zijn soldaten liet hij achter ~ van wie niemand wist of zij de volgende keer
Calvinist of Spanjaard zou steunen tegen Holland; Oldenbarnevelt had aanzienlijke tegenstanders in
Friesland, Zeeland, Overijssel, en Utrecht; en in de Raad van State Engelse invloed was groter dan
dat van Holland. Het is over Oldenbarnevelt gezegd dat hij nooit so groot was als in dat jaar
(1588) toen hij de grond legde voor een onafhankelijk Nederland. In 1589 was het mogelijk om
Maurits op de zetel te zetten als Stadhouder van Gelderland, Utrecht, en Overijssel. Maar
eigenlijk meer beslissend was het winnen door Oldenbarnevelt van de macht over militaire en
strategische beslissingen van de Raad van State in naam naar de Staten General maar in feite naar
de Staten van Holland. Het maakte de Raad van State van de uitvoerende directie voor de Verenigde
Provincien tot slechts een ministerieel orgaan van de Staten Generaal.

Territoriale Uitbreiding
Na het verlies van Zutphen en Deventer was het noord-oosten van Nederland van Nijmegen tot de Eems
monding zo goed als geheel in Spaanse handen, en troepen van de Staten Generaal terug getrokken tot
west van de IJssel. In 1589 veroverde Spanje Geertruidenberg en Rheinberg, en belegerde Heusden.
Maurits ~ nu opperbevelhebber van het leger, en de Raad van State, aangespoord door de Stadhouder
van Friesland, hadden een uitbraak in kaart. Vanaf 1590 was er aangrijpende vooruitgang in de
economie van de Republiek: handel en scheepvaart groeide enorm ~ en de steden groeiden mee. Als
gevolg, financieele solventie maakte het mogelijk in een korte tijd het leger te verbeteren in
kwaliteit en hoeveelheid: van 20 000 in 1588 tot 32 000 bij 1595. Breda werd verrast en heroverd
in 1590, en het volgende jaar de Verenigde Provincien was klaar: extra geld was in de koffers, een
legermacht op de been gebracht, en Friesland zou haar strijdmachten ver van de provincie tot de
IJssel opstellen. Met een 16 000-man bekwaam leger ~ het grootste ooit in het veld gebracht door
de Republiek, stortte Maurits en zijn neef Willem Lodewijk zich in een sensationele aanval. Met
nieuw uitgevonden transport, geschut, en belegering methoden in gebruik, snelden zij voort langs
de IJssel, veroverde forten en bevrijdden Zutphen en Deventer. Het leger rukte door naar de
Ommelanden, nam al de Spaanse forten en Delfzijl, en zo controleerde de Eems monding, terwijl
Groningen nu omringd was. Het 1591 seizoen eindigde met de herovering van Hulst in Vlaanderen;
Nijmegen viel naar de Republiek zonder schot.
Voor de 1592 campagne, Gelderland en Overijssel wilden een aanval in het oosten om Grol en
Oldenzaal te heroveren. Friesland zag het leger liever in een beleg van het fort te Steenwijk dat
bedreigde de provincie en de Ommelanden en dan Coevorden ~ de poort naar Drenthe. De strategie van
de Staten Generaal, welke daarvoor werd aangespoord door Holland en Oldenbarnevelt, was om
Geertruidenberg en 's-Hertogenbosch te bevrijden. Een middenweg was gevonden waarin half het
leger in het noorden en half in het zuiden zou beginnen om dan samen naar Brabant op te rukken.
Maurits negeerde de compromis en met Willem Lodewijk belegerde Steenwijk ~ een beduchte vestingstad
met een verdediging van meer dan duizend eersteklasse Spaanse troepen. Het werd gezien als een van
Maurits z'n meest merkwaardige heldendaden. Gewoonlijk zou de stad afgesloten worden en langzaam
uitgehongerd naar capitulatie, maar het was goed voorzien en kon waarschijnlijk maandenlang een
beleg weerstaan. Maurits verkortte de zaak door het knuppelen van het garizoen binnen de muren
met geschut in ongehoorde hoeveelheden: 50 geschut stukken vuurde 29 000 maal. Hij had ook nieuwe
manieren om loopgraven en mijnen (ontworpen door zijn ingenieuren) te gebruiken (in vorige jaren
had Maurits de Romeinse manier van loopgraven bestudeerd). Maurits verwachtte van zijn troepen
(net zoals de Romeinen van vroeger) dat loopgraven door hunzelf (en niet als gewoonlijk, door
gehuurde landbouwers) werden gespit. De burcht viel in 44 dagen. Na Steenwijk de Stadhouders
vorderden naar Coevorden ~ een van nog maar drie andere Spaanse vestingen in het noord-oosten.
Coevorden gaf het op na zes weken meedogenloos bombardement.
Het volgende jaar Holland, Oldenbarnevelt, en Maurits waren eenstemmig voor een campagne in het
zuiden met als begin het beleg van Geertruidenberg. Nog maar luttele jaren eerder zou de Staten
Generaal het niet hebben aangedurft, en het Spaanse regime te Brussel dacht de stad veilig.
Maurits bevool zijn troepen weer te graven en betaalde hen tien stuivers per dag (zoveel als een
land arbeider verdiende) apart van hun loon; het ging zo vlug dat Spaanse versterkings troepen te
laat aankwamen om het beleg te verhinderen. De ingenieurs van Maurits hadden speciale houten
matten gemaakt zodat het geschut niet in de modder zakte. Er was zoveel dat was nieuw in
belegeringswerken en soldatentucht in het legerkamp (waar land en tuinbouw producten werden
verkocht door plaatselijke bewoners) dat het een toerist attractie werd voor hoge dames.
Geertruidenberg viel na vier maanden in Juni 1593. Het werd een van de meest beroemde prestaties
van Maurits.
Een Spaanse troepmacht blokkeerde Coevorden laat in 1593 maar kon de stad niet weernemen; toen het
terug trok lag de weg naar de stad van Groningen open. Onderhandeling door Oldenbarnevelt kwam tot
niets en een twee-maanden-lang beleg kostte de Staten 400 en de stad 300 gesneuvelden en gebruikte
10 000 kanonskogels. Willem Lodewijk werd Stadhouder van Groningen en de Ommelanden. Nu was
Drenthe ook bijna veilig.
De provincies in noord-oost Nederland betwistten de macht over zichzelf en elkaar zo veel en zo
vaak det het een ooitdurend probleem was geweest en waarschijnlijk zou blijven in de toekomst.
De oplossing gevonden door Oldenbarnevelt was voor de Staten Generaal het beheer en uitvoer van
al de gegarizoende vestingen in de grensgebieden door de Raad van State over te laten nemen. Het
was een grondleggende stap in het maken van een echt federaal leger en verdedigings beleid.
Willem Lodewijk werd nu ook Stadhouder van Wedde en Westerwolde.
De tweede grote aanval van de Repuliek was in 1597 met het Spaanse leger van Vlaanderen bezig aan
de grens met Frankrijk. Maurits rukte op langs de Rijn en veroverde de voornaamste oversteekplaats
op de grote rivier te Rheinberg ('de hoer van de oorlog'). De Spaanse vestingen ten noorden van
de Rijn ~ Grol, Oldenzaal, Enschede, Bredevoort, Oostmarsum, en Lingen ~ werden hiermee afgesneden.
In vervolg nam Maurits nu Grol, Oldenzaal, en Enschede, toen trok door het Duitse Rijk om Lingen
en Moers te bezetten. De campagne was weer aanzienlijk voor de geavanceerde methoden dat Maurits
gebruikte voor het vervoer van geschut overzee en manschappen via de rivieren, en de nieuwe
aanpak voor het belegeren van sterk verdedigde vestingen.
Vanaf 1590 had het leger grote gedeelten van Gelderland, Overijssel, Drenthe, Groningen, en
noord-Brabant heroverd, 43 versterkte steden (sommigen in Duitsland) en 55 Spaanse forten genomen.
Na een kwarte eeuw de rebellen territoren groeiden van een onzeker en smal streepje grond tot een
van de grote krachten in Europa. In 1597 was het Nederlandse leger het meest vaktechnisch
bekwaamd in Europa en (op het Spaanse af) het grootste. De marine groeide ook snel in nummers
en kracht en was onbetwist bij de Schelde en Eems mondingen. Maar konden de Verenigde Provincien
hun land handhaven als Spanje zich van de versperring met Frankrijk los kon maken?
Over de winter van 1597-98 was Oldenbarnevelt erg verontrust over de vrede tussen de twee landen
dat was besloten in Mei 1598, maar Frankrijk had beloofd om een subsidie voor de Nederlandse oorlog
(van een millioen ecus per jaar) voort te zetten over de volgende vier jaar. Intussen had Philip
II (nu oud met zijn dood in zicht) een nieuwe politiek in de Spaanse 'gehoorzame provincies' van
de Lage Landen geprobeerd en had ze gegeven aan zijn dochter Isabella en haar echtgenoot
Aartshertog Albert (een Habsburg uit Oostenrijk), maar het Spaanse leger van Vlaanderen bleef en
zou spoedig onder de kroon staan van een nieuwe koning: Philip III. Heel Europa was verbaasd in
1599 toen Albert aanbood om al de veranderingen in de politiek en het geloof in de Republiek en al
het land gewonnen sinds 1572 te erkennen.
Zeeland en Holland waren zeer ongerust over kapers uit Duinkerken; politieke twisten staakten
nooit in de Verenigde Nederlanden en in de Staten Generaal de stemming was voor een aanval naar
het zuiden zodat de Spanjaard geen tijd zou hebben om de verschillen in Friesland en Groningen
uit te buiten met een inval in het noord-oosten. In 1600 wierp de Republiek haar troepenmacht
over de Schelde in opmars tegen Duinkerken. Meteen eindigde een muiterij door Spaanse troepen en
Albert monsterde 10 000 elite soldaten die op zulk een vastberaden wijze oprukten en met zoveel
elan dat het de officieren van Maurits in paniek gooide ~ zij geloofden niet dat zij de Spanjaarden
konden weerstaan in een veldslag. Met de campagne in Vlaanderen verhuisde Oldenbarnevelt en een
comittee van de Staten Generaal naar Ostend om het leger te overzien want in haar hele geschiedenis
zou de Republiek volhouden dat het commando altijd bij de staat moest liggen. Maurits zag nu het
grote risico dat Oldenbarnevelt had genomen met de invasie en een bittere herrie tussen de twee
volgde.
Maurits was overtroffen op elke schermutseling en in Juli was gedwongen alles op te zetten in een
veldslag bij Nieuwpoort. De Spaanse infanterie was nog het meest uitstekende in Europa en drong
hun vijand terug langs de duinen. Maar als uur na uur voorbij ging met de Nederlandse troepen in
een langzame zelfbeheerste terugtocht, de Spaanse troepen vermoeiden. Twee kenmerken van het
hervormde militaire beleid redde het leger van de Republiek: de matten die de Nederlandse
schutters (in tegenstelling van de Spaanse) liet vuren en hun geschut terug te brengen zonder
dat zij in het zand zakten, en het principe om altijd een reserve terug te houden. Maurits
wachtte totdat de zonsondergang in Spaanse ogen scheen en wierp zijn cavalerie frontaal tegen hen.
Het ondenkbare gebeurde: de trotse Spaanse veteranen werden verslagen. Het was de hoogste
rechtvaardiging van methode over kracht. Maar de Nieuwpoort overwinning was leeg. Het Nederlandse
leger was aan de verkeerde kant van het Spaanse, blootstaand en in groot gevaar. En terwijl het
leger een vernederende terugtocht maakte, kneep een vloot van twaalf oorlogschepen en kapers uit
van Duinkerken om de Noordzee te plunderen ~ en vernietigden 36 haringboten.
Het werd een patstelling duur in munt en man. Ostend werd een sijmbool voor prestige aan beide
kanten; in Maart 1602 het Engels-Nederlands garizoen stond op 5 675 man. De nieuwe bevelhebber
van het Vlaamse leger, Ambrosio Spinola, liet alle fronten liggen om hier alles op te zetten in
wat werd overal bekend als een nieuw beleg van Troje dat drie jaar en 80 dagen lang zou duren.
Ostend gaf op 22 September 1604. De stad had de laatste aanzienlijke protestantse gemeenschap in
Vlaanderen en geen van hen mocht in de stad blijven wonen zonder het Katholieke geloof aan te
nemen. De meesten verlietten met de soldaten.
Graaf Enno III was aan de macht gekomen in 1599 in (het buiten Nederland gelegen) oost-Friesland;
hij was een vurige Lutheraan, anti-Calvinist, en pro-Spaans. In 1602, met steun van Spanje en
Keizer Rudolph, belegerde hij Emden maar moest terug trekken voor Nederlandse troepen. De
obsessie van Spinola met Ostend gaf profijt aan de Nederlanden welke breidde de krijgsmachten uit
en het nam toe tot 35 000-man bij 1599 en tot 51 000 in 1607. In 1602 veroverde Maurits Grave in
noord-Brabant, maar een poging tegen 's-Hertogenbosch in 1603 mislukte. In 1604 had hij weer een
voornaam goed gevolg in de Schelde monding met het nemen van Sluis en de Spaanse versterkingen
rondom de stad, daarna nam hij IJzendijk en Aardenburg.
Bij 1605 een Spaanse herstelling materiaalizeerde zich. Spinola begon met een schijnaanval op
Sluis, dan (24 Juli) haastte zich door noord-Brabant met Maurits en het Nederlandse leger ver
achter hem. Spinola sprong over de Rijn en de Munsterland en (8 Augustus) kwam in zicht van
Oldenzaal met 15 000 man ~ een verbazingwekkende prestatie. Pro-Katholiek en maar licht verdedigd,
de stad opende haar poorten aan Spinola. Zijn voorhoede was spoedig voor Lingen en tien dagen
later had hij de vestingstad en graafschap in handen. De Staten Generaal was gedwongen heel het
Twenthe kwartier te verlaten en terug naar de IJssel te trekken.
Nederlandse zorgen werden een feitelijk paniek het volgende jaar. Spinola verscheen weer ten
noorden van de Rijn in Juli 1606 en gedurende zijn opmars versterkingstroepen verzamelden vanuit
Lingen en oost-Friesland. Hij bestormde het Zutphen kwartier van Gelderland en veroverde de
vestingsteden van Grol en Bredevoort terwijl bezetting Rheinberg aan de Rijn. Toen ging hij af
op de IJssel om Lochem te nemen en Zutphen en Deventer te bedreigen. Dit stortte heel de
Republiek in oproer want Spinola had laten zien dat zelfs het interieur van de Republiek niet
veilig stond tegen een Spaanse aanval. Manschappen ijlden vanuit Brabant, Amsterdam, Utrecht,
en Enkhuizen, maar Spinola stak niet over de IJssel ~ tevreden met het paniek dat hij had gezaaid
trok hij zijn troepen terug.
Maurits en Oldenbarnevelt besluitten een zeer ongewone herfst campagne uit te voeren om de gaten
in de verdedigingslinie te sluiten. De Stadhouder nam Lochem terug maar het ging verkeerd met het
beleg van Grol in November 1606. Het resultaat van de Spaanse toeneming van 1605-06 was dat de
Twenthe en Zutphen kwartieren en sommige omheenliggende gebieden nu onder het Spaanse 'contributie'
sijsteem was gebracht waarbij onbeschermde dorpen en kleine stadjes een schatting moesten betalen
om plunder en ontwrichting te ontlopen ~ en dit was ingenomen tot 1633.
Vanaf 1606 was er geen verandering aan de grenzen van de Republiek met een wapenstilstand
afgesproken in de lente van 1607, en in 1609 het tekenen van een twaalf-jaar verdrag met Spanje.
Het Begin van de Nederlandse Handel Primaatschap en de Kolonien
Vanaf 1585 aangrijpende veranderingen in de Nederlandse maatschappij volgde een economisch wonder.
De Republiek werd gestadig meer stabiel; rivieren en vaarwateren tussen Holland en Duitsland werden
veilig; kapitaal en vakkundigheid stroomden in vanuit Antwerpen en de rest van zuid-Nederland; het
handel verbod met Iberie van Philip II werd opgeheft; de Republiek controleerde de Schelde en Eems
mondingen en had een blokkade voor de Vlaamse kust. Een grote uitbreiding in handel maakte de
Republiek het voornaamste warenhuis in Europa en schonk haar een algemeen primaat in de zakenwereld
dat in stand zou blijven voor een eeuw-en-een-half. Het bracht stijle toenemingen in voorspoed en
middelen welke maakten snelle toenamen in industrie en grote uitbreidingen van de steden. De
handel (zoals altijd) ging op en neer, maar de Nederlandse landbouw zag ook voorspoed. Er was
hoge vraag voor Nederlands proviand: zuivel, bier, vis en vlees, en (als het er was) graan en zout,
maar ook voor Franse wijnen en tabak.
Over de jaren het scheepvervoer veranderde van meest stortgoederen (met fluiten in het hoogste
gebruik ~ ontworpen voor maximaale vracht met minimaale kosten) tot de (zogenaamde) 'rijke handel".
Bij het mdden van de 17e eeuw, de Oostzee graan vracht had een waarde van drie-millioen gulden op
de Nederlandse markt terwijl de drie grootste in 'rijke handel' ~ oost-Indische, Spaanse, en de
Levant, een waarde hadden van 20-millioen. En het was deze handel dat stimuleerde bedrijfs- en
kunst-nijverheid voor kleurstoffen, glazuur, keramiek, diamanten, verfijnde meubelen, gepatroond
linnen en zijde, en specialiteiten als goud-leer, tapijt, en parket-vloer.
Uit de sombere laatste jaren van de 16e eeuw kwam een overgang naar een gouden eeuw dat begon met
de lange-afstands zeevaart dat een koloniale heerschappij zou maken. Wat was nodig was een veilig
thuis voor lang-termijn geldbeleg, een groot handel kapitaal, politieke steun van stad en
provincie, grondige kennis over koersen naar en de staat in de Indien, een over te dragen overschot
van maritieme en militaire krachten, en een voorspoedige toestand om te dingen naar de Europeaanse
markt voor peper, spijzen, en suiker. Amsterdam werd al spoedig een sterke mededinger met Hamburg
(welke de handel van Antwerpen had overgenomen).
De eerste stap was de stichting van het particuliere Compagnie van Verre te Amsterdam in 1594 door
negen grote kooplieden, met een kapitaal van 290 000 gulden dat vier schepen uitrustte met een
bemanning van 249 man, gewapend met 100 kanonnen verzorgd door de Staten van Holland. De vloot
zeilde van Texel in April 1595 en drie van de vaartuigen keerde terug in 1597 met slechts 89 van
de bemanning nog aan boord. Het profeit was luttig maar de Compagnie staakte niet. Gestimuleerd
met de prospekten was het vergroot tot achtien directeuren met een kapitaal van 768 466 gulden.
Een tweede vloot van van acht schepen was uitgezonden. Ondertussen waren twee andere
vennootschappem (en vloten) opgezet in Zeeland. Alle drie vertrokken in de lente van 1598.
Veertien maanden later verwezenlijkte de Amsterdamse investeerders een 400 procent winst. Bij
1599 waren er acht verschillende handelsverenigingen in de vaart op oost-Indie, uit Amsterdam,
Rotterdam, Middelburg, Hoorn, en Enkhuizen, en in 1601 veertien Nederlandse vloten met 65 schepen
zeilde op de Oost-Indische handel ~ meer dan van Portugal en Engeland.
De buitengewone structuur van de Nederlandse staat (en de grote invloed door de zelfstandigheid
van de provincies en de steden), maakte het mogelijk om een nieuw soort commercieele organisatie
te bedenken: een be-edigde, gezamenlijk te houden, effecten verstrekkende monopolie, krachtig
ondersteund door de staat ~ in een verenigde bond met aparte kamers welke de investeringen van hun
leden konden waarborgen terwijl het beleid van de directeuren te handhaven. De Staten Generaal
erkende en stichtte de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) in 1602, en bemachtigde het met
troepen en garizoenen te onderhouden, oorlogschepen uit te rusten, het opleggen van gouverneurs
aan Aziatische bevolkingen, het behandelen van diplomatiek met oosterse potentaten, verdragen te
tekenen en verbonden te maken.
De nieuwe compagnie was vanaf het begin zwaar bewapend om een stuk van de handel te grijpen, maar
het was 1609 voordat een hoofdkwartier voor de handel was opgezet te Bantam aan het meest
westerlijke punt van Java, en een gouverneur-generaal voor de Nederlandse Oost Indien was
aangesteld. Hij was de eerste in een lange rij nakomelingen die gezag zouden hebben over een
wereldrijk van handel dat strekte van de Kaap van Goede Hoop tot de stranden van Japan en de
Philippijnen. De gouverneur was niet een soort onderkoning (zoals de gewoonte werd in de kolonien
van de monarchien van Europa) maar hield gezag met een sterke raad bestaandend uit zijn militaire,
maritieme, en handel ondergeschikten ~ doch de raad zette nooit een onbewuste stempel op al zijn
voorstellen. Het VOC hoofdkwartier werd later verplaatst naar Jakarta ~ hernaamd als Batavia (en
herbouwd tot een ware grote vestingsstad), welke zich spoedig ontwikkelde tot de voornaamste in
Azie ~ en bleef het ontmoetingspunt voor Nederlandse schepen en vrachten die hier tezamen kwamen
vanuit afgelegen gedeelten van Indonesie, India, China, en Japan tot bijna het eind van de 18e
eeuw. Van 8 000 bewoners in 1624, groeide Batavia tot een multinationale gemeenschap van 70 000
bij het jaar 1700.
De Maatschappij na de Revolutie
Tussen de jaren 1570 en 1647 was de groei van de steden in Holland en Zeeland spectaculair:
Amsterdam van 30 000 tot 140 000 inwoners; Leiden 15 000 tot 60 000; Haarlem ~ 16 000 - 45 000;
Middelburg ~ 10 000 - 30 000; Rotterdam ~ 7 000 - 30 000.
Het verstedelijken van een maatschappij is meestal alleen mogelijk door een plaatselijke migratie
van land naar stad of vanuit het buitenland. Een voortdurende grote toevloed was nodig omdat in
de steden de sterfelijkheid onder kinderen zeer hoog was en epidemien ~ special de pest (tot de
1660ers) ~ verzekerde altijd een meerderheid van de dood over geboorten. De ongewoonlijke snelle
groei van de steden in Holland na 1590 was gedeeltelijk het resultaat van een hogere welstand en
verbeterde levens-omstandigheden ~ het toenemen van voorspoed maakte ook verbeteringen in zieken
verzorging, dieet, behuizing, en steun aan armen. De sanering van grachten, vuilnis en afval
regelingen maakten ook voor betere volksgezondheid in de Hollandse steden. Maar toch was de
grootste omstandigheid voor groei de immigratie van buiten noord-Nederland en niet een migratie
vanuit het omliggende land. De eerste golf van immigratie was vanuit de provincies in het oosten
en van zuid-Nederland; na 1620 was Duitsland de grootste bron van buitenlandse immigratie ~ en zij
kwamen voor het vele werk en de hogere lonen dat in Holland en Zeeland te vinden was. In de andere
vijf provincies van de Republiek stedelijke groei (en werk en loon) was opzienlijk minder.
Overal in de Republiek genoot de landbouw ook haar meest bloeiende en welvarende periode tussen
1590 en 1648. In het westen, de groeiende steden vroegen om steeds meer voedings en industriele
produkten; in het oosten de vast-begarizoende vestingen en versterkingen spoorde de landbouw aan
(terwijl Spaanse soldaten niet dorpjes meer in brand stoken en oogsten vernielden als vroeger).
Oorlog verwoestte het Duitse platteland en proviand voor de legers (en de bevolking) daar was vaak
gehaald over de rivieren. Enorme hoeveelheden vlees, haring, kaas, boter, fruit, bier, wijn, en
tabak, waren verscheept vanuit West Frieslandse havens en Harlingen, Dokkum, en Groningen (in 1633,
bijvoorbeeld, van 1 121 schepen in de haven te Hamburg waren 994 uit Nederland).
Veel van het gevraagde proviand kon niet geleverd worden. De Oostzee graan import was gestoord in
de 1620ers door Zweedse acties langs de kust van Poland. Tussen 1625 en 1648 Spaanse aanvallen op
de haring vloten verminderden de vangst en zout was moeilijk te krijgen. Het resultaat was dat de
landbouw de vraag moest vullen. Dit was een ongewoonlijke omstandigheid maar het duurde lang
genoeg zodat het verstandig werd om te investeren in grote land ontginning projekten. De
Nederlandse landbouw was zo winstgevend dat veel grote kooplieden, hoge ambtenaren, en de adel,
graag een stuk van het kapitaal voorschoten voor (bijvoorbeeld) het droogleggen van de Noord
Hollandse Beemster Polder in 1608 ~ voor welke de kosten waren ruim anderhalf-millioen gulden
bijgedragen door 123 investeerders. Hiervoor werden 43 van de nieuwste en grootste molens gebouwd
en het projekt won meer dan 700 hectaren van het water. De Schermer Polder, begonnen in 1635,
kostte een millioen.
Het laatste grote ontginnings werk was voltooid in 1647, en meer dan 1 400 nieuwe boerderijen
werden toegevoegd aan het Hollandse landschap. Ontginnings werken werden voortgezet tot in de
vroege 1700er jaren ~ ook in Friesland en Groningen ~ maar zo snel als nieuw bebouwbaar land op
de markt kwam, de huren klommen sneller. In Noord Holland land huren verhoogde bij 70 procent
tussen 1580 en 1600 ~ meer dan twee maal het aanslaan van inflatie, en nog een overige 50 procent
in het eerste gedeelte van de 17e eeuw. Na 1635 de stijging in landhuur nam af maar ging toch
door to 1650 of zo, maar beginnend in de late 1660ers vielen huren scherp af. Deze tendenties
waren ook gezien in Friesland en Groningen.
In de periode tussen 1590 en 1647 groeiden de bevolkingen van stad en land. Van 1514 tot 1622
stedelijke bevolking in Holland ging van 140 000 naar 400 000 ~ het meeste hiervan na 1585. In
diezelfde tijd vermeerdere de plattelandse inwoners van 135 000 tot 275 000. Het was hetzelfde in
Friesland: tussen 1511 tot 1600 verdubbelde het tot 150 000 ~ acht procent van de bevolking van de
Republiek, en Leeuwarden werd groter dan Nijmegen, Maastricht, en de IJssel steden.
In Holland, Zeeland, Friesland, Groningen, en west Utrecht, de maatschappij nam een overheersend
stedelijk karakter aan, terwijl vooral in noord Brabant en Gelderland (maar ook in Overijssel) het
overheersende karakter van het platteland was verkrachtigd. In andere woorden, het tweevoudige van
de Nederlandse gemeenschap werd meer aanzienlijk dan het vroeger was. Zelfs het armste gedeelte
van de plattelandse bevolking, de boerenstand in Drenthe, ervaarde toenemende welstand en
uitbreiding in de landbouw gedurende de eerste helft van de 17e eeuw.
In afsteking met Holland en Zeeland, waar de invloed van de steden groeide na de Revolutie, in
andere provincies de adel versterkte haar standing in de maatschappij. (De adel in Friesland,
bijvoorbeeld, was vaker te zien als landelijke shepenen en rechters bij 1675 dan in 1525, en zij
hadden nog veel land in eigendom.) Maar omdat niemand meer tot de adel kon worden verheven in de
Republiek, en omdat de bestaande adel aan een uitsluitende huwelijk gedragslijn kleefde ~ en ook
had relatief weinig geboorten, de hoeveelheid en levenskracht van de adel verminderde gestadig.
Van ongeveer 45 jonker families in de Ommelanden in 1600 waren er nog maar tien in 1800. De adel
van Friesland telde ongeveer 65 families gedurende het eerste twee-derde van de 16e eeuw, en stond
op 46 in 1650, maar deze hadden nog steeds een grote invloed op de Friese gemeenschap. In
Overijssel in 1675 het ridderschap was slechts een beetje meer dan een procent van de bevolking
maar hield niet minder dan 41 procent van gewaardeerd vermogen (inclusief bijna al het onroerend
goed in Vollenhove).
De adel van Holland en Zeeland had nog genoeg gezag dat het een vooraanstaande rol speelde in de
marine en het leger. Veel van de commandanten gedurende de Revolutie waren van de Hollandse en
Zeelandse adel geweest en deze traditie werd gevolgd tot laat in de 19e eeuw. Net als de adel
door heel Europa, dat in de Republiek was gescheiden bij familie en politieke veten welke, in
sommige gevallen, sleepten generaties en soms wel eeuwen door. De Nederlandse veten werden
verscherpt door de verschillen in geloof. Adelijke invloed was gesteund door het voortdurend
bestaan van wettelijk zelfstandige 'vrije heerlijkheden', zoals Vianen, IJsselstein, Leerdam,
Buren, Bergh, Wisch, Culemborg, Batenburg, Ravenstein, en Lingen. Deze gebieden maakten deel uit
van de Republiek en stonden losjes onder het oppergezag van de Staten Generaal maar voor de meeste
doelen buiten haar rechtsgebied.
Vooraan in de burgerlijke maatschappij stonden de regenten. Zij vormden een elite door het houden
van de ambten door welke zij het stedelijk leven beheerste ~ als leden van een vroedschap in
Holland, een raad zoals in het noord-oosten van het land, een baljuw of drost in Brabant.
Toegewijde Katholieken werden verplaatst in de Alva jaren of op achterbanken gezet. Na 1590
sommigen van hen (vooral in Amsterdam) waren de elite kooplieden ~ voorstaandend en rijke
handelaars, maar de meeste, speciaal verder in het binnenland en in de kleinere steden, konden
niet zo beschreven worden. Veel van hen waren afstammelingen van voor-1572 regenten families;
een weinig waren van de gestudeerde beroepen ~ meestal dokters of advokaten. Zij allen hadden
geloofsbrieven van de Reformatie en een verbintenis met de Republiek.
Een heel nieuwe elite dat zich had ontwikkeld na 1590 was die van rijke kooplieden welke niet
bestond in noord Nederland toen de grootste handel nog in stortgoederen was. Een goed deel van
hen waren mensen die kapitaal hadden gebracht als immigranten vanuit zuid-Nederland en Duitsland ~
en die allen van het Hervormde geloof waren. Veel anderen hadden een bescheiden achtergrond als
zoon van een koopman in de Oostzee graan handel, brouwer, kaas koper, zeepmaker, winkelier, hout-
haring- of zuivel-handelaar.
Een andere elite was opgekomen met de veranderde structuur van de Nederlandse handel: die met
vakkundigheid voor de nieuwe economie. Sommige van de nieuwe technieken zoals textielverfen waren
plaatselijke uitvondingen; zijdewerk, suiker raffinering, en diamant kloven was vanuit zuid Europa
(speciaal Italie) gekomen. Maar veel van de specialisten hadden hun vak in Duitsland geleerd
gedurende de 1580er jaren, en met de gelegenheden in de export industrie werd deskundigheid
verplaatst naar Nederland: koperwerk van Aachen, Hamburg, en andere Duitse steden; chemische
processen van Venetie. Tapijt weven kwam naar Delft, suiker raffineren en diamant werk naar
Amsterdam, linnen 'damask' naar Haarlem, katoen en wol werk naar Leiden, het bleken van fijn
linnen ging naar Overveen en Bloemendaal in de duinen waar het water daarvoor speciaal geschikt
was. Juweliers, fluweelwerkers, drukwerkers, en kunstenaars bevestigde zich in al de westerse
kustgebieden van Nederland. Geglazuurde tegels werden gemaakt in Delft, Rotterdam, Leiden, en
Haarlem, en in Friesland te Harlingen. Koper fabrieken werden gesticht in Utrecht, Den Haag, en
Amsterdam.
Het inbrengen van deze nieuwe technische vakkundigheid veroorzaakte een ongehoorde uitbreiding van
kunst. De kunstenaars waren een nieuw stedelijk tijpe ~ rijk, hoog geleerd, geraffineerd, en ook
buitengewoon vakkundig. De meesten van hen waren zonen van vaders die geslaagd hadden in de nieuwe
technische vakken. Kunst in noord Nederland, als in Antwerpen, werd een weg naar een groot huis en
een hoge sociale stand. In de 1630er jaren Rembrandt kon 2 000 gulden per jaar verdienen ~ meer
dan een professor aan de universiteit, maar later zijn studenten nog meer.
De doorbraak naar het handel primaatschap, en het uitbreiden van industrie dat volgde, maakte
voor een zeer hoge vraag voor arbeiders en vakkundigen. Lonen waren daarom hoger dan overal
elders in west Europa om het aantrekkelijk voor arbeiders te maken naar Nederland te komen.
Na 1590, en gedurende heel de 'gouden eeuw', het loon dat moest betaald worden was meestal meer
dan twee keer zo hoog als in zuid Nederland en Duitsland. In de 16e eeuw het stijgen van lonen
was altijd minder dan prijzen, en het resultaat was dat het levens standaard viel overal in
Europa behalve in noord Nederland. Maar de Republiek was een land met verscheidene hierarchien
van lonen en salarisen. In Holland belastingen, huren, prijzen voor brood, waren aanzienlijk hoger
dan inland en dat maakte voor een groot verschil in loon tussen de maritieme west en het landelijke
oost. Te Amsterdam lonen waren hoger dan elders in Hollandse en Zeelandse steden. En er was ook
een groot verschil tussen stad en platteland. Gemeente arbeiders in Leiden of Delft verdienden
22 tot 24 stuivers per dag in de 1630ers, te Groningen 15, en in Arnhem slechts 12. Nederlandse
Hervormde predikers (relatief hoog betaald) verdienden in de dorpen van Holland 200 gulden per
jaar in 1574, 350 in 1594, en 500 bij 1625 ~ meer dan een vakman in een Hollandse stad kon
verdienen. Toen kon een prediker in een Hollandse stad verwachten dat hij 1 000 gulden zou
ontvangen, en in Amsterdam aanzienlijk meer. In 17e eeuw Holland en Zeeland, verdiensten voor
arbeid en vakken stonden veel hoger dan in de Spaanse Nederlanden, en nog veel hoger dan die in
Engeland, Frankrijk, en Duitsland.

|
Het toelaten van kinderen aan het weeshuis te Haarlem (1663) door Jan de Braij (ongev. 1627-1697)
~ Frans Hals Museum, Haarlem.
|
Veel van wat in de Nederlandse Republiek gebeurde was indrukwekkend, en veel dat was ongewoon.
Maar niets in het Nederland van de 17e en 18e eeuwen was meer treffend dan het uitgeweide sijsteem
van steun voor armen. Zo uitzonderlijk, in Europeaanse opzichten, was de toestand welke deze
burgerlijke liefdadigheids instelling opbracht dat het waarschijnlijk nooit zal worden geevenaard
nog elders nagevolgd.
De voorrang van het sijsteem over wat was toen te vinden in omliggende landen was vaak bevestigd
door buitenlandse bezoekers, maar in 1620 de gezant van Venetie benadrukte dat het meeste gedaan
was met verbeurd verklaarde gebouwen, inkomsten, en andere goederen van de Katholieke Kerk ~ en
er was geen troon om dit te verbieden, noch een prins om het te vermanen. Bijna overal in Europa
was het de kerk dat gezag nam over liefdadige werken, maar in de Nederlandse samenhang het was
onder stedelijke leiding dat bijstand voor armen was uitgevoerd. Gemeente fondsen verzorgde
liefdadige stichtingen die vaak gebruik maakten van de publieke (Calvinist) Nederlands Hervormde
kerkraad in het uitoefenen van hun beheer ~ maar ook de besturen van andere kerken die formeel
werden verdraagd: Lutherse, Doopsgezinde (Mennonietse), en Joodse. Deze allen hadden hun eigen
lijsten van behoeftigen en armen, wezen, zieken, en ouderen.
Het moet te weten zijn dat medelijden was zeker niet de hoogststaande beweegreden. De economie
eisde dat geen arbeid mocht worden afgewezen ~ zeker niet dat van nutteloze wezen en armen of hen
die gedeeltelijk ongeschikt waren. Een strenge leefregel was toegelegd op wees- en werk-huizen
met onbuigzame tucht, regelmatig gebed in de Hervormde Kerk, uniformen, en hard werk. Ook
gemeentelijke trots lied zieken- en bejaarden-huizen bouwen. En het was natuurlijk dat ook in
het 'Huis van God' elke stad wilde laten zien hoe bekommerd, verantwoordelijk, en in welke goede
orde haar instellingen.
Liefdadige stichtingen werden beheerd van week tot week door comittees van regenten, aanzienlijke
burgers en hun echtgenotes, onder leiding van de vroedschap en de kerkraad, om zeker te maken van
de hoogste orde, zuinigheid, zindelijkheid, en godsvruchtigheid van de inwoners in stichtingen
onder hun beheer. Zij deden dit zonder beloning omwille de standing in stad en kerk gemeenschappen
dat het kweekte voor hen.
Het hoofd ziekenhuis in elke stad was aanmerkend van gemeentelijk leven en een beproeving voor
stedelijke standing. Meest waarschijnlijk betaalde de stad de salarisen voor enige universiteit
geschoolde dokters en assistenten die daar werkten, en werd beheerd net als andere stedelijke
stichtingen. Het ziekenhuis was niet alleen voor het nut van de burgerij maar ook, zoals in
havens als Vlissingen, Enkhuizen, Rotterdam, en Amsterdam ~ vaak bezocht door de oorlogschepen
van de Republiek, voor de verzorging van verwonde matrozen en zeelieden. In de garrizoen-steden
was het ook belangrijk dat het ziekenhuis groot was, goed uitgerust, en met genoeg deskundigheid,
om zorg voor de strijdkrachten te voorzien. Voor deze redenen hadden de Staten van Holland en
Zeeland een groot interesse in deze instituties welke dus eigenlijk ook een nationale funktie
uitoefende.
Een van de meest treffende verschillen in Nederland met wat elders in Europa te vinden was waren
de gekkenhuizen. Het behandelen van krankzinnigheid was niet een makkelijke kwestie, maar men
dacht dat de vernederende wanorde als resultaat van een gedrong van gekken in vervallen panden,
en het verwaarlozen van hen, slecht zou weerspiegelen op de hele stad. Het is duidelijk dat men
trachtte zo veel mogelijk waardigheid en orde te verzekeren.
Een van de hoofdregels in deze gemeenschap van orde en nijverheid was om noodlijdende en
behoeftige vreemden, daklozen, en bedelaars, buiten de stad te houden. De vreemdelingen die
zwermden naar de steden van Holland en Zeeland werden alleen toegelaten als zij geld of werk
hadden. Op deze manier beperkte de stad niet alleen de bijstandskosten maar ook misdaad en
wanordelijk gedrag. Het was niet ongewoon dat zo veel als tien procent van de stedelijke inwoners
bijstand ontvingen in dit sijsteem van doeltreffend sociale toezicht.
Kerkelijke Belijdenis
Belijdenis is de 'uitdrukking in woorden van het geloof des hartes'. In haar eenvoudigste vorm
is de belijdenis een credo (ik geloof); meer uitvoerig als een confessie is het een volledige-,
of als professie een openlijke-verklaring.
Sinds het begin van de Revolutie in 1572 deed de Staten van Holland niets om het protestantisme
tegen te staan, maar probeerde voor de oude Kerk en de Hervormde verdraagzaamheid te waarborgen.
In 1573 Oranje zag al dat het aannemen van de publieke praktijk van beide geloven was mislukt.
Wat was begonnen als een spontane aanval op de Katholieke kerk en haar priesters met de
beeldenstorm, ontplooide zich in onderdrukking van het Katholieke geloof. Overal waar Geuzen de
macht veroverde werden kerken verbeurd verklaard, Katholieke geestelijken vluchtten of werden weg
gejaagd, en in een korte tijd de Katholieke godsdienst verboden. Dit was hetzelfde in Holland en
Zeeland.
De bevolking (welke vroeger gedwongen de Katholieke diensten bijwoonde) had de oude kerk
neergeslagen maar nog niet de nieuwe hervormde kerk aangenomen. Voor de Revolutie de publieke
Kerk had een veelomvattende instelling van gebouwen en geestelijken in iedere stad, maar haar
opvolger had enkele kleine gemeenschappen met als resultaat dat Utrecht had, bijvoorbeeld, 30
kerken met slechts drie in gebruik. Dus in de vroege jaren van de Revolutie noch de oude noch de
nieuwe kerk beschikte de trouw van het volk, maar de Hervormde was nu de publieke Kerk en had
steun van de staat en van de gemeenten. Onder het volk heerste een bizar mengsel van
overeenkomsten, onwetendheid en verwaarlozing ~ een chaotische onbeleden, half-protestantse
Christelijkheid. Maar klein als het was, toch was de Calvinistische gemeenschap ~ en niet de
Katholieke ~ in de overwelgende meerderheid van belijdende geloofsvolgers.
Vanaf het begin de verhouding tussen de publieke Kerk en stedelijke gezag (vooral in Holland) was
gewrongen. Er bestond een kloof tussen de Reformatie van de Calvinistische predikers en dat van
de regenten en het vroedschap. De predikers wilden geloof en maatschappij streng regelen in een
starre orde van godsleer, overzien door de nieuwe Kerk. De regenten wilden ook nieuwe kracht aan
het geestelijk leven geven maar in (zoals Willem de Zwijger het had gewild) een zachtwerkende,
niet-dogmatisch protestantisme welke aanvaarde dat er slechts een beschermde publieke Kerk zou
moeten wezen, maar niet dat de maatschappij en individuen streng onderschikt onder haar moesten
staan. Voor de Calvinisten de Revolutie was een geloofsworsteling naar de ware godsdienst; de
regenten zagen het als een gevecht voor vrijheid van onderdrukking en tijrannie.
Een Katholiek herstel en de belijdenis van het geloof was overal in Nederland anders door de
grote verschillen in plaatselijke politieke omstandigheden die wel of niet priesters toestonden
zich te vestigen, maar nergens was de Katholieke gemeente veel groter dan tien procent van de
inwoners, en vaak veel minder. De vicarus-generaal voor de Nederlandse Katholieke Missie was
vanaf 1583 gebaseerd in Delft en Utrecht; later, nadat de Staten van Holland zijn verbinding met
Brussel had uitgevonden en zijn arrest voor landverraad had bevolen (1602), verhuizde hij naar
Keulen. Zijn opvolger werkte vanuit Oldenzaal ~ toen in Spaanse handen, tot eindelijk in 1627
een blijvend Nederlands thuis voor Katholiek geloof te Utrecht was gevonden. In 1609 de Missie
had 70 priesters; bij 1638, 482 ~ een getal dat weinig veranderde voor bijna twee eeuwen, en niet
allen werkten in Nederland. Omstandigheden in Brabant waren beter voor de Missie. Grave, Breda,
en 's-Hertogenbosch, waren overheersend katholiek ~ de laatstgenoemde een aanzienlijke Spaanse
vestingsstad tot 1629. Het Vlaanderland dat tot 1609 ook in Spaanse handen was werd toch
overheersend Hervormd, maar Staten Brabant werd gehecht Katholiek.

|
Kerk te Sloten (1658-59) door Jan Abrahamsz Beerstraten (1622-1666) ~ Rijksmuseum, Amsterdam.
|
De Hervormde Kerk groeide het meest in al de provincies op het platteland en in de steden ~ groot
en klein. Groeiende congregaties die hare belijdenissen uitten omvatte niet alleen Hervormden en
Katholieken maar ook Lutheranen en Joden, en kleinere geloofsgroepen zoals Mennonieten,
Wederdopers (Anabaptisten), en Remonstranten (die na 1619 een aparte kerk vormden). Deze waren
onder de publieke Kerk geschikt, kregen geen fondsen of bescherming, hadden geen grote gebouwen,
noch enige manier om een grote aanhang te krijgen. Zij moesten bescheiden proselitisten zijn,
konden alleen kleine onaanzienlijke scholen onderhouden, en niets anders laten drukken dan
kerkboeken. Kerk en belijdenis was onontwarbaar aan de politiek en staatkunde geknoopt ~ en bleef
zo gedurende heel de geschiedenis van de Republiek.
Een Scheiding van Identiteiten
Bij 1606 de kosten voor de oorlog met Spanje werden te hoog om te dragen, maar Oldenbarnevelt wist
dat een stijging van belasting stad en dorp in oproer zou zetten en dat meer dan de helft van
inwoners naar vrede snakten. Oldenbarnevelt vreesde dat als meer tegenslagen volgde de steun van
het volk voor de oorlog tot tegenstand zou keren. Als Advokaat van de Staten van Holland beweerde
hij aan een geheime committee dat de financiele stelling onhoudbaar was; dat de Republiek een
verzoening met Spanje moest zoeken. De Advokaat begon overleggingen met Spinola waarin Spanje
haar soevereiniteeit op zou geven als de Nederlanden terug trokken uit Indie. In 1607 een
wapenstilstand was getekend waarin niets was geschreven over de Indien of de VOC ~ over welke
Oldenbarnevelt verbaal had laten weten dat het ontbonden zou worden. Het zelfde jaar een vloot
van 26 oorlogschepen zeilden de Baai van Gibraltar in en verwoestte een Spaanse vloot, en het was
duidelijk dat de mondelinge beweringen van Oldenbarnevelt niet veel inhielden. In 1609 een
twaalf-jaar vrede-overeenstemming was toch getekend in Antwerpen, met weinig meer van de
Nederlandse kant dan dat een plan voor een West Indische Compagnie werd afgeschaft, en het
ophouden van aanvallen op de Portugezen in Azie. De 12-jaar vrede werd gezien als een volledige
legitimatie van de Verenigde Provincien en gaf onmiddelijk internationaal aanzien als soeverein
en onafhankelijk in Europa en als een grote wereldmacht.
De Twaalf Jaar Vrede werd een beslissend vormende fase in de herstelling en wederopbouw van
zuid-Nederland want het was het eerste uitstel van gevecht in 40 jaar ~ een waardevolle kans voor
het herbouwen van de zuidelijke steden, de economie, en de kultuur. De landelijke bevolking in
Brabant en Vlaanderen kwam bij vanaf de 1590ers. Het is geschat dat de bevolking van Brabant in
1480 was misschien 370 000, was gegroeid tot 450 000 in 1565, en was slechts 363 000 in 1615, maar
bij 1665 stond op 475 000. Het herstel van de landbouw vorderde spoedig tot ongeveer 1640, want
het zuiden was nog steeds een land met een hoog ontwikkelde landbouw dat had uitzonderlijk hoge
oogsten. Industrie herleefde ook ~ vooral dat in linnen welke werd de voornaamste in het zuiden
gedurende heel de 17e en 18e eeuwen. De handel in Antwerpen groeide met haar havens weer
belangrijk voor de vaart tussen noord en zuid, en het was hetzelfde te Ghent en Brugge. Werk in
zijde, tapijten, verfijnde meubelen, boekenmaken en drukken, al groeide aanzienlijk tenminste tot
1648.
Geen ander aanblik van de herstelling was zo indrukwekkend als dat van het oude geloof en haar
Kerk. De Contra-Reformatie in het zuiden begon met de Spaanse herovering van Antwerpen in 1585.
Een intensiefe herschooling en belijdenis van de burgerstand begon onmiddelijk. In 1585 waren er
drie Jezuiten in Antwerpen; 31 bij 1603, en bij 1608 het Jezuite college was gesticht in een
prachtig nieuw gebouw waar het studenten aantal ging van geen in 1585, tot 300 in 1591, en 600
bij 1613. De Jezuiten stichtten scholen in al de steden en namen het onderwijs van burger-elite
kinderen krachtig in hand. Dit maakte voor een heel nieuwe generatie opgebracht in een
strijdlustige Katholieke houding. Een sijsteem van verplichte zondagscholen, met fondsen van de
plaatselijke raad, bracht het Katholieke katechismus naar al de kinderen ~ arm en rijk. Nieuwe
kerken, kapellen, en kloosters werden overvloedig, en bij 1630 de bischop van Antwerpen dacht dat
het Protestantisme niet meer een bedreigende invloed op de burgerij uitvoerde.
De Contra-Reformatie had als gevolg dat zuid-Nederland haarzelf zag als staandend tegen
noord-Nederland, en het was een beslissende scheiding tussen de twee kulturen. Maar de nieuwe
hoge kultuur van het zuiden desondanks dacht dat het noorden nog ideologisch heroverd kon worden,
en de rebellen geabsorbeerd in de boezem van de kerk en zo in een poliek en geestelijk kader
beheerd vanuit Brussel in een verenigd Nederland onder de Spaanse Kroon en de Katholieke Kerk ~ met
het revolutionaire en Hollandse staatsbestel, Protestantisme, en verdraagzaamheid verwijderd.
De Twaalf Jaar Vrede bracht nieuw inzicht op de voorstelling van een gebroken en gescheiden
'vaderland' van zeventien provincien. In het Nederlandse Gouden Tijdperk het idee van een
gezamenlijk Vaderland verdween als een bezieling en beweegredende kracht in de kultuur en politiek.
De Val van Oldenbarnevelt
Oldenbarnevelt (en het Hollandse staatsbestel van welke hij de woordvoerder was) zag tegenstrijd
van Prins Maurits de Stadhouder, een mogelijke quasi vorstelijk figuur, aan de ene; en een
groeiende vijandigheid van de predikers van de Hervormde Kerk over de verdraagzaamheid in
kerkelijk beleid, aan de andere kant. Beide uitdagingen kregen aanzienlijke populaire steun.
Deze ernstige twisten speelden zich af over tien jaar, toen nog een andere omstandigheid het
evenwicht tegen Oldenbarnevelt gooide. Onder vaklieden en loonwerkers groeide ernstige onrust
over lagere lonen en stijgende huren en prijzen, maar het grootste element was een woekerende
wrevel van de nu al lang-gevestigde immigranten uit zuid Nederland, welke voelden zich ten nadele
onderscheidden door de schutterij en landweer, en ook dat noodlijdenden onder hen alleen moeilijk
steun van de gemeenten konden krijgen. In 1616 ernstig oproer brak uit ~ met arbeidersvrouwen in
de leiding, te Delft (waar slechts enkele immigranten woonden) over de hoge prijs voor brood.
Als immer in het Nederland van die tijd, de doorklap kwam van geloofsverschillen ~ maar nu niet
tegen Katholieken maar tussen Protestantse geloofszuilen, en alles dat gebeurde had slag op de
politiek want het verwikkelde een ieder in elke maatschappelijke stand van Stadhouder en Advokaat
tot de gewone man op straat.
De leiders van Holland verspeelden hun macht in 1617 toen de Staten een 'Scherpe Resolutie' aan
nam dat het begin van het eind van hun beleid verhaastte. De steden Amsterdam, Dordrecht,
Enkhuizen, Edam, Schiedam, en Purmerend waren energiek bezwaard en woedend dat het beweerde dat
soevereiniteit in de Verenigde Nederlanden lag volkomen met de provincies, doch ook omdat het
omvatte strijdbare theologische leerstellingen dat eigenlijk vormde het meerendeel van de
scheiding. De Resolutie bemachtigde de Hollandse steden om bewapende waardgelders voor de
publieke orde te monsteren welke trouw zou verklaren aan de gemeenten die hun betaalden. Het leger
moest onder de Resolutie trouw zijn aan de Staten van de provincien en niet de Staten Generaal.
Spanning greep al de steden van Holland en Utrecht. Het werd gezegd dat de toestand toon gaf 'in
veel plaatsen voor meer en meer strijd en tweedracht onder een voorwensel van religie'. Leiden
vreesde gewelddaden van de menigte en een aanval op het stadhuis, en besloot de binnenstad af te
zetten met een blokkade bewaakt door de nieuwe waardgelders. Een beleg door de burgerij ~ over
een tijdspan van weken ~ zag schermutselingen met waardgelders. De schutterij weigerde trouw te
zweren aan de raad ~ welke verwierp de eed van de Revolutie dat hield aanhangers van Philip II
als vijanden, en over 500 schutters werden gezuiverd.
Maurits sprong op het verschrompelde vermogen van Oldenbarnevelt door het aansporen van protesten
op de manier dat de Scherpe Resolutie was aangenomen, maar ook op de inhoud. Velen verwachtten
een staatsgreep van hem nadat hij in persoon naar Den Briel ging in 1617 waar hij het garizoen
veranderde om zijn gezag te laten zien. Maar de Stadhouder stapte terug van burgeroorlog. De
garizoenen in Den Briel, Heusden, Oudewater, en in andere plaatsen, weigerden gehoorzaamheid aan
de Gecommiteerde Raden (een college van de proviniciele Staten). Stadsraden moesten gedwongen
aftreden ~ in Holland door de burgerij, en in Gelderland door de Stadhouder.
De Staten Generaal, in 1618, verorderde (bij een stemming van vijf provincies tegen twee) de
ontbinding van de waardgelders in Holland en Utrecht als een overtreding van de grondwet waarbij
gezag over strijdkrachten lag bij de Republiek en de Stadhouders en niet bij de provincies.
Oldenbarnevelt (zonder de volle toestemming van de Staten van Holland) zond een delegatie naar
het Engelse garizoen in Utrecht om het aan te sporen het bevel tegen te staan ~ dit was duidelijk
onwettig en in tegenstand tot de praktijk sinds de 1580ers (en was de oorzaak voor de latere
aanklaag tegen hem voor landverraad). Maurits bracht troepen op naar de stad om zijn gezag daar
streng te handhaven. Er was geen tegenstand, en 900 waardgelders werden ontwapend onder de ogen
van de Stadhouder en een grote krijgsmacht. Leiden en Rotterdam ontbonden hun waardgelders en
andere steden volgden.
Het idee dat de Staten Generaal een officier van de Staten van Holland zou kunnen arresteren was
nog nooit gehoord, maar het principe dat de soevereiniteit van de Staten Generaal was overtreden
was hiervoor gebruikt. Maurits arresteerde Oldenbarnevelt voor het einde van 1618 op het
Binnenhof van Den Haag en, de volgende dag, de Advokaat van Utrecht.
Binnenlandse Politiek
Nadat zijn broer Philips Willem overleed in Brussel in 1618 was Maurits de Prins van Oranje. Hij
hield meer gezag dan enige man sinds zijn vader was dood geschoten 34 jaar geleden. Met
Oldenbarnevelt gevangen in het Binnenhof, Maurits was nu de voorzittende figuur van de staat, en
moest zich nu omringen met een groep dat de regelmaat en uitvoering van het ingewikkelde politieke
mechanisme van de Republiek kon vormen. Gedurende de laatste twee jaar was Holland herhaaldelijk
overstemd in de Staten Generaal door een meerderheid van provincies, maar het was duidelijk dat de
Verenigde Provincien niet haar besluiten kon blijven uitvoeren door het onderschikken van Holland
aan de gezamelijke wil van de mindere provincien; macht en gezag kon alleen op Holland gebaseerd
zijn.
Met Maurits kwam een van de meest grondelijke verandering in het Gouden Tijdperk. Nederlandse
instellingen sinds 1579 waren zo rekbaar dat het was mogelijk om, zonder het uiterlijk verschijn
te veranderen, de werkelijkheid aan de binnenkant te transformeren, en Maurits deed dat nu. Het
onbetwiste overwicht van Holland kwam tot een eind en uitvoerende macht ging over naar de
Stadhouder ~ in kerkelijk beleid, buitenlandse zaken, en militaire belangen, was het verstrekkend.
De stappen door Maurits om zijn gezag meer aanzien te geven in Overijssel, Utrecht, en Gelderland,
en door Holland ondergeschikt te plaatsen tot hemzelf als Stadhouder, stelde hem in staat om een
nieuwe relatie tussen Holland en de rest te smeden, onder zijn leiding.
Onder Maurits de adel werd meer voorstaand en de regenten minder. Het hart van zijn revolutie was
in het verplaatsen van stadsraden en schutterij officieren. (Maurits nam deze stappen omdat de
regenten en vroedschappen een zeer grote invloed in de Staten van Holland hadden dat zou het niet
toestemmig houden tegenover zijn wensen.) Veel van deze verzuiveringen namen plaats met pracht en
praal (en gejuich van de bevolking) maar ook met de aanwezigheid van een grote troepenmacht; in
Alkmaar, Leiden, Haarlem, Rotterdam, Gouda, Amsterdam, en in al de steden waar Maurits optrad, het
kenmerkte het begin van een nieuw tijdperk met een sterke vermindering van de invloed door de
Hollandse steden.
Het gerechtelijke onderzoek van Oldenbarnevelt, Hugo de Groot ~ zijn adviseur, en Rombout
Hogerbeets ~ pensionaris van Leiden, (die met de Advokaat van Holland gearresteerd waren) was
traag in vorderen. Het had een grote politieke betekenis en het omwikkelde vragen over wiens
rechtsgebied het was, want nooit eerder was een zaak zoals dit behandeld. Tengevolge een
uiteindelijk akkoord, was het te besluiten door een rechtspreking van de Staten Generaal (omdat
het verraad van welke zij werden beschuldigd was tegen de Generaliteit) met de Staten van Holland
in een bijzondere rol. Twaalf rechters van Holland en twaalf van de zes overige provincies zaten
voor het maandenlange onderzoek.
Oldenbarnevelt was (tot zijn verbazing ~ en dat van vele anderen) veroordeeld op 12 Mei 1619 tot
den dood, uit te voeren de volgende dag om tussenkomsten ten zijne behoeve te voorkomen. Op
72-jarige leeftijd, Oldenbarnevelt was onthoofd voor een grote menigte op het Binnenhof. De
Groot werd veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf te ondergaan op het slot Loevenstein.
Algemeen bekend is zijn ontsnapping in 1621 in een boekenkist naar Antwerpen en Parijs (waar hij
vertoefde tot 1631, en in Zweden tot zijn dood in 1645). Hogerbeets kreeg 'eeuwendurende' straf,
ook in Loevenstein waar hij stierf in 1625.
De Sijnode van Dordrecht
De opgespannen verwachtte Nationaal Sijnode eindelijk nam plaats in Dordrecht in November 1618
onder auspicien van de Staten Generaal. Het voornemen was voor een internationale vergadering
van Calvinisten dat zou gezaghebbend zijn voor heel het Hervormde Europa, evenals de Verenigde
Provincien. Buitenlandse delegaties kwamen van Engeland, Schotland, Zwitserland. en Duitsland;
de Hugenoten waren verboden door Lodewijk XIII zo er was een sijmbolische lege zetel voor
Frankrijk.
De zaken te behandelen omvatten de beheersende kwestie van de Remonstrantie tegen de dogma van de
dag, maar ook kerk en staat verhoudingen, methoden voor het benoemen van predikers, de verhouding
met de Lutherse Kerk, de bischoppelijke hierarchie, en een goedgekeurde 'Staten' Bijbel ~ dat zou
zeggen, een Nederlandse Bijbel erkend door de Publieke Kerk en de Staten Generaal. De Sijnode nam
de beschouwing dat een nieuwe gezaghebbende vertaling nodig was in een akkoord tussen Brabants en
Hollands van het Hebreeuws, Aramees, en Grieks.
De Sijnode spendeerde maanden aan debat over de geschil punten van de Remonstranten. In Holland,
Utrecht, Gelderland, en Overijssel, waar het was verschanst, organiseerden zij en reageerden. In
Maart nieuws van een wedijverende Remonstrant Sijnode, in geheim gehouden te Rotterdam, voegde toe
aan het ongeduld van degenen die hun tegenstonden. Dezelfde maand werd de Republiek geschokt door
pro-Remonstrantse verstoringen in Rotterdam, Hoorn, Alkmaar, en Kampen. Troepen moesten opgesteld
worden om de orde te herstellen. De Sijnode had 137 dagen gezeten voordat in Mei 1619 de
vergadering eindelijk veroordeelde de Remonstranten voor ketterij, versprijding van valse leer, en
als 'perturbateurs' van staat en Kerk. Predikers moesten aanhankelijkheid borg stellen door het
ondertekenen van de Nederlandse Belijdenis en de Heidelberg katechismus, en accepteer de Actes van
de Nationale Sijnode. De predikers die weigerden werden verbannen van de Republiek met de
verdrijving toevertrouwd aan de Staten.
In October van hetzelfde jaar, een Remonstrant Sijnode vergaderde in Antwerpen waar Aartshertog
Albert wenste de Nederlandse geloofsstrijd aan te zetten. Regels en handelingen werden opgetekend
voor een internationale Remonstrantse Kerk in balingschap, en onderhandelingen begonnen met de
Deense Troon en verschillende Duitse steden. De koning van Denemarken stond hen toe zich in
Gluckstadt te vestigen. De Remonstrant Sijnode kwam ook tot overeenstemming om in geheim fondsen
te verzamelen, en in 1621 kreeg 20 000 gulden van Nederlandse aanhangers ~ het meeste van
Rotterdam, Den Haag, Gouda, Alkmaar, en Hoorn, maar ook van Amsterdam.
De Republiek onder Beleg
Het twaalf-jaar verdrag met Spanje eindigde in 1621 en begon een van de meest zwaarmoedige tijden
in de geschiedenis van de Verenigde Provincien; de Republiek was feitelijk onder beleg en hard
gekneept. De herstelling van de Spaanse embargo had een ingrijpende invloed op het Nederlandse
overzee handel sijsteem: het verdreef het uit Iberie, ruineerde de handel in de Levant, verzwakte
de Oostzee vaart en de Noordzee haring visserij. De West Friese havens van Hoorn, Enkhuizen, en
Medemblik, verduurden een lange achteruitgang. Het economische en maritieme beleg werd nog erger
in de jaren 1625-29 met een rivieren blokkade op de Rijn, Maas, Schelde, en Eems, door een ring van
Spaanse garizoenen. Alleen de VOC was in staat zich te handhaven.
De aanhoudende keldering maakte een financieele noodtoestand met de kosten voor de landelijke
verdediging. Spanje breidde het leger in Vlaanderen uit in 1624 en omringde de Republiek van
Vlaanderen tot Lingen met 60 000 man. Maurits hield een defensiefe stand maar de Staten Generaal
moesten toch het leger ter velde vermeerderen van 30 000 tot 48 000 om nog maar net de Spaanse ring
te weerstaan, en al de vestingen rondom van Cadzand tot Delftzijl moesten versterkd en opgeknapt
worden. Maurits en de Staten Generaal hadden geen andere keuze dan zwaar verhoogde belastingen te
heffen.
Met elk jaar werd het duidelijker dat het sijsteem dat Maurits had opgezet een onvermeidelijke
fout had en was aan het barsten van overspanning. Het gestalte van de politiek was buitensporig
afgaand op de Stadhouder in wiens persoon macht en gezag was geconcentreerd. Toen de gezondheid
van Maurits verslechterde werd het sijsteem steeds meer ondoelmatig. Bij 1623 de prins was in een
vervallen toestand, en de verwachting dat hij in korte tijd zou sterven was een voortdurend
onderwerp van gesprek in Den Haag. Maurits kon niet anders dan de Gecommiteerde Raden te
bemachtigen met meer verantwoordelijkheid.
Toen Spinola in 1624 Breda belegerde zonk de Nederlandse dispositie tot een dieptepunt. De pest
raazde door Amsterdam, Leiden, Delft, en andere hoofdsteden. Nog een ander Spaans leger veroverde
Cleves en Gennep. Ondertussen werd de financieele toestand in de Republiek gestadig slechter.
De handel in de Oostzee en Midellandse Zee ~ al slecht ~ werd nog erger. Verschrikkelijk kort
aan contant geld om de troepen te betalen, moesten de provincies nog meer belastingen op de
bevolking storten. Oproer volgde in Delft, Hoorn, Enkhuizen, Den Haag, Amsterdam, en Haarlem.
In Brussel werd gejuicht dat het volk in opstand zou komen.
Frederik Hendrik wordt Stadhouder
Maurits stierf in April van 1625. Het land was gespannen. Breda was nog niet gevallen maar
Spinola omringde de belangrijke vestingstad met 32 000 man, en het zag er niet goed uit voor het
garizoen van 3 500 ~ een van de grootste in Nederland. In Mei, Frederik Hendrik ~ nu
kapitein-generaal ~ probeerde de stad te redden maar was gedwongen terug te trekken. Breda gaf op
in Juni en het meerendeel van noord-west Brabant was in Spaanse handen. Frederik Hendrik was
opvolger als Prins van Oranje en opperbevelhebber van het leger, maar hij had nog niet het
politieke gezag van Maurits; zijn commissie als Stadhouder moest nog door elke provincie
goedgekeurd worden.
De ernstige verschillen van de Publieke Kerk met de Remonstranten speelde zich af ~ als altijd ~
in de politiek. Het was eigenlijk niet de Remonstrantse belijdenis welke de politieke
manifestaties beinvloedde, maar wel dat het meeste van de tegenstand aan de vroedschappen van de
seculiere Remonstrantse kant kwam. Maurits had de vroedschappen zeer verzwakt door er minder
ervaren en bekwame contra-Remonstrantse regenten in te zetten. Maar in de 1620ers veranderde de
politiek in de stadsraden van Amsterdam, Rotterdam, en in andere steden, van contra- tot
pro-Remonstrant ~ en dit had verstrekkende vertakkingen in de religie en de ideologie.
De Staten van Holland en Zeeland (doch de laatstgenoemde wenste een bevestiging voor de Publieke
Kerk in gewijzigde instrukties voor de Stadhouder) gaven Frederik Hendrik zijn commissie in Juni.
Overijssel en Gelderland volgde spoedig, maar hier de Staten wijzigden hun instrukties wel om het
Hervormde geloof te erkennen. In de overige provincies ging het niet zo bedaard. Afkerig van de
geloofsverdraagzaamheid van de Prins, Groningen en Drenthe gaven de commissie aan Ernst Casimir,
Stadhouder van Friesland. In Utrecht was steun voor een terugkeer naar de instrukties voor de
commissie van 1590 dat gaf de Stadhouder veel minder macht, maar een middenweg was gevonden dat
toch het gezag verminderde van wat Maurits had gehad. In November kreeg Frederik Hendrik
eindelijk zijn commissie als Stadhouder van Utrecht.
Federik Hendrik behandelde zijn positie tussen de twee geloofs facties handig. De ambassadeur voor
Venetie dacht dat de nieuwe Prins van Oranje geen geloof had ander dan de 'religie des staats'.
Zijn doel was om de Publieke Kerk en de Remonstranten genoeg van het terein dat zij vroeger hadden
gewonnen te laten houden dat zij zouden wensen met hem samen te werken als de onmisbare
scheidsrechter. In 1626 bevool Frederik Hendrik zijn garizoen officieren te Utrecht dat troepen
niet meer uitgeroepen moesten worden om ordelijke Remonstrantse vergaderingen te onderdukken (als
Maurits had gedaan), en weer in 1627 ~ toen het vroedschap van Schoonhoven dat verzocht, de Prins
beslisde er tegen en voegde toe dat deze alleen zouden uitrukken in gevallen van 'publique tumults
en violences'.
De meeste steden werden vast gebonden aan de een of de andere factie. Amsterdam, Rotterdam,
Dordrecht, en Alkmaar waren nu 'Arminiaanse' steden; Haarlem, Leiden, en Utrecht, en veel van de
kleinere steden bleven contra-Remonstrant. Maar er waren ook steden waar de behandelingen van
Frederik Hendrik geen helder resultaat op leverden anders dan voortdurende strijd en
onstandvastigheid ~ zoals in Delft, Gouda, en Nijmegen, en ook te Utrecht, Amersfoort,
Wijk-bij-Duurstede, Rhenen, en Montfoort.
De slechte handel met het buitenland veroorzaakte een plaatselijke markt overladen met voedsel,
en voor de bevolking van de Lage Landen betekende dit een scherpe verlaging in prijzen en een
hartelijke oplichting voor de stedelijke burgerij. Financieel Spanje was in een netelige toestand
dat werd gestadig erger; die van de Staten Generaal stond beter ~ een jaarlijkse subsidie van
Frankrijk hielp, en Piet Heijn veroverde een Spaanse zilver vloot bij Cuba in 1628 dat was waard
elf-millioen gulden. In 1627, Frederik Hendrik hernam Grol van Spaanse troepen. Bij de winter
van 1628-29 werd het duidelijk dat een militaire verlegging was aan de hand. Terwijl het Spaanse
leger van Vlaanderen verminderde na de val van Breda tot 50 000, het Nederlandse leger ter velde
groeide naar 55 000, en in 1629 tot 58 000. Waar vroeger Nederland alleen stond in de oorlog
tegen Spanje, sinds 1625 Engeland vocht met de Republiek. In 1628 Spanje begon ook een gewapend
conflikt met Frankrijk. Kort hierna, Nederlandse troepen onder Enst Casimir heroverde Oldenzaal
en de Achterhoek in Gelderland was vrij van Spanje.
Het Grote Debat
Na de Reformatie waren er in Nederland talrijke hervormingsgezinden maar geen kerkelijke organisatie,
tot in 1568 het Convent van Wezel een zelfstandige grootheid met eigen belijdenis ontleende aan de
'Publieke of Gereformeerde Kerk' ~ en een kerkorde dat betekende dat geen kerk over een andere zou
mogen heersen; ook geen superintendent, en geen bischop. De Nederlands Hervormde Kerk is de
voortzetting en door haar historie en zielental de 'grote' geacht (de huidige Gereformeerde Kerk
bestond niet tot een 1834 afscheiding).
Jacobus Arminius (geb. 1560 te Oudewater), wiens naam men had gegeven aan twisten welke hij
verafschuwde, en aan een partij die hij nimmer gewild had, werd geboren te Oudewater (waar hij al
de zijnen gedood vond nadat de stad in 1575 door de Spanjaarden werd uitgemoord). Hij was
predikant te Amsterdam in 1590 en reeds daar begonnen zijn twijfelingen aan de erfzonde, de
voorbeschikking en de gebonde wil en gevoelde hij dat wij hier staan tegenover het mijsterie, voor
mensenverstand onoplosbaar. Zijn invloed op de geesten werd eerst in zijn leerlingen openbaar.
Hij is een der vertegenwoordigers van de nationale, bijbelse, weinig speculatief-dogmatische
stroming ~ waaraan, onder anderen, de naam van Erasmus verbonden is en die in de Nederlandse
geschiedenis van grote betekenis is geweest.
Simon Episcopius (geb. 1583) ~ geboren en getogen Amsterdammer ~ studeerde in Leiden, waar hij in
hoge mate de invloed van Arminius onderging; in 1610 tekende hij de Remonstrantie met het protest
tegen gewetensdwang. Volgens Episcopius, Christenen op grote schaal zijn het eens over de kern
van hun geloof, en het meeste van de gelijktijdige theologische redetwisten waren over 'non
necessaria' voor welke consensus niet nodig noch mogelijk was. Een brede verscheidenheid van
waarnemingen mogen geldig afgeleid worden van bijbelteksten, en dat betekent dat verschil in geloof
niet schadelijk is, en heeft zelfs een zekere deugdigheid in het oog van God, want elke vezel
bestaat uit scherven van de waarheid. Daarom moet de beschouwing op bijbelteksten van elke mens
geldigheid hebben in de ogen van anderen, de Kerk, en de Staat. Vanaf het begin had de
verdraagzaamheid van Episcopius net zo veel te doen met de vrijheid van de individu en de
ongeoorloofdheid van dwang in enige Kerk, als met verdraagzaamheid voor de godsdients van elke
Kerk.
De contra-Remonstranten hielden dat de 'Arminianen' eigenlijk helemaal geen Kerk waren maar alleen
een politieke partij welke met opzet de Publieke Kerk had gescheiden om de Unie te verzwakken en
de staat te beheersen. Hugo de Groot had al geschreven dat een publieke of staat Kerk, hoogst
in het geloofsleven over het grote meerendeel van de maatschappij, was onvoorwaardelijk nodig in
een Republiek, voor de bestendigheid van de maatschappij en het gestalte van de politiek. Deze
filosofie lag achter het betoog van de contra-Remonstranten dat de maatschappij meer stabiel en de
staat krachtiger zou zijn, zolang maar een enkele Kerk is toegestaan publieke godsdienst te
bedrijven, prediken, bekend maken, en onderwijs in haar leer geven ~ bemachtigd en gesteund door
de staat.
Dit werd nog veel verder genomen. Henricus Arnoldi argumenteerde (in 1629) dat de
contra-Remonstrantse filosofie van onverdraagzaamheid uit de principes van de Revolutie kwamen.
Het verbieden van de vrijheid te vergaderen, belijden, en onderwijs, stond niet tegen de vrijheid
van geloof bewaard in de Unie van Utrecht, en dat de Remonstranten tegen de 'vrede van geloof'
stonden voor welke Willem de Zwijger en de Revolutie hadden gevochten. Zoals de Groot het al
gezegd had: als eenmaal de tijrannie is verwijderd, is er geen reden meer voor het volk het gezag
van de staat te betwijfelen of het terrein van de politiek te betreden.
En zo het grote debat over verdraagzaamheid klonk daverend door stad en land.
Frederik Hendrik Overwint
Nederlandse troepen werden versterkt tot 77 000 in 1629. Frederik Hendrik nam het veld met 28 000
manschappen met een grote sleep geschut, en snelde tegen 's-Hertogenbosch. Isabella smeekte voor
help en de keizer stuurde 16 000 troepen die samen met de Spaanse over de IJssel trokken in een
afleidingsmanoeuvre, maar de Stadhouder hield het beleg hardnekkig aan. De Staten van Holland
monsterde in overhaast 5 000 van de schutterij om garizoenen vrij te zetten die het opdringende
Spaanse leger aan de IJssel konden ontmoeten. Holland leende ook duizenden zeelieden en troepen
van de West Indische Compagnie. Op het hoogtepunt van de noodtoestand had de Staten Generaal
128 000 uitgeruste manschappen. De keizerlijke legermacht drong door tot Amersfoort welke meteen
capituleerde, maar de invasie stortte in toen Nederlandse troepen, ver in de achterhoede, verraste
en veroverde Wesel ~ het Spaanse hoofdkwartier op de lage Rijn. Dit verbrak de proviandering lijn
en dwong de keizerlijke en Spaanse troepen in Utrecht en Gelderland terug naar de IJssel, vanwaar
zij toch nog een bedreiging waren. Het 3 000-man sterke garizoen in 's-Hertogenbosch gaf het op
na een vijf-maanden lang beleg in September.
Het dubbele verlies van Wesel en 's-Hertogenbosch was de eerste grote Spaanse verslaging in Europa
sinds de vervlieging van de Armada in 1588, en een vernietigende klap tegen haar opzien. Spanje
had veelomvattende middelen in de meest geavanceerde en grootste versterkingen op 's-Hertogenbosch
gegoten, en het was de belangrijkste militaire stad in Brabant. Er was nu een groot gat in de
Spaanse ring om de Republiek. Spanje drong nu aan op vrede en bood een onvoorwaardelijke
wapenstilstand (om de kwestie van souvereiniteit niet aan te tasten). De Staten Generaal weigerde
om te onderhandelen totdat al de Spaanse en keizerlijke troepen terug waren getrokken, en dan legde
de aanbieding voor de provincies voor een beslissing. Maar het grote debat woekerde nog steeds
door de Nederlanden en hield de politiek geheel in onderpand.
Friesland en Groningen keurden de wapenstilstand af, en Zeeland ook, maar voor verschillende
redenen. Overijssel stemde in na een paar dagen. In Holland de spleet veroorzaakt door de strijd
met de Remonstranten maakte een politieke overeenkomst onmogelijk tussen de steden, doch Frederik
Hendrik, in een toespraak aan de Staten van Holland, spoorde hen aan naar een beslissing apart van
overleggingen over 'regime en religie'. Maar de steden Haarlem, Schoonhoven, Schiedam, en
verschillende anderen, vroegen een 'goede Kerk verordening' eerst. Veel predikers van de publieke
Kerk stonden ook tegen de wapenstilstand.
Zoals gewoonlijk in de politiek gedurende het Gouden Tijdperk van Nederland had de handel een
grote invloed op de beslissing over het wapenstilstand. Voor Amsterdam en Rotterdam veroorzaakte
de oorlog storing op de zeevaart en de handel uit deze steden, maar Zeeland en de tekstiel steden
hadden geleden gedurende de laatste wapenstilstand omdat de Vlaamse havens niet geblokkeerd waren.
Zeeland, en Haarlem en Leiden, zagen voordeel in de blokkade voor hun eigen handel. De Indische
Compagnien zagen ook dat met een eind aan oorlog hun bewapende aanslagen op de Nieuwe Wereld en
west Afrika zou moeten stoppen.
De schaakmat in Holland, en in gevolg het weinig vorderen van vondsen voor een militaire campagne,
verhinderde Frederik Hendrik om het leger ter velde te brengen in 1630. Gedeeltelijk om de
politieke impasse te breken, zette de Stadhouder in 1631 een plan op voor een sensationele inval
op zuid Nederland. Het werd de meest indrukwekkende ontplooing van de gezamelijke macht van de
Verenigde Provincien ~ en de ongeevenaarde doelmatigheid van de Nederlandse staat in de
organisatie en vervoer van troepen en uitrusting ~ ooit gezien. De Stadhouder daalde af langs de
rivieren naar Vlaanderen met 30 000 in manschappen, tachtig geschutstukken en bergen in voorraden,
met tenminste 3 000 schepen. Zij ontscheepten te IJzendijk en trokken op tot het Brugge-Ghent
kanaal. Paniek volgde in Vlaanderen, maar een aanzienlijke Spaanse krijgsmacht kwam op de
achterhoede van het Nederlandse leger. Het resultaat was twist in het veld tussen de Nederlandse
generaal en vertegenwoordigers van de Staten die hem aandrongen niet het leger (en de staat) in
risico te zetten. Een woedende Frederik Hendrik trok een terugtocht zonder iets te volbrengen ~
voor hem was het een vernederend verlies, niet aan de Spanjaard maar aan de Staten Generaal.
In 1632 slaagde Frederik Hendrik de grote tweede klap te leveren voor welke hij sinds 1629 had
gestreven. Hij was welvoorbereid. Hij spoorde de Staten Generaal aan een plakard bekend te maken
om te verkondigen dat de publieke Katholieke godsdienst in de Spaanse Nederlanden zou voortduren en
verdragen worden. Hij gebruikte de verkondiging in geheime onderhandelingen met de zuid-Nederlandse
adel voor een anti-Spanje samenzwering ~ dat zou hen in opstand zien komen op het moment van een
Nederlandse binnenval, zonder beschuldiging van geloofsverraad aan te trekken.
Antwerpen was nu sterk verdedigd, zo Frederik Hendrik trok zuidwaarts door het Maasdal. Met
30 000 onder zijn bevel nam hij Venlo, Roermond, Sittard, en Straelen in Juni. Onder de
termen, Katholiekisme werd niet aangetast en maar een kerk was genomen voor de Hervormde
godsdienst in elke stad. Hij belegerde de grote vestingstad Maastricht, en te Liege de adel
ontplooide de vlag van de Revolutie. Een algemene opstand tegen de Spaanse macht volgde niet.
Spaanse troepen aangevuld door de keizer werden vanuit Duitsland gestuurd om Maastricht te
ontheffen maar de Nederlandse verschansingen konden niet genomen worden. Terwijl de stad
meedogenloos werd gebombardeerd, werden greppels en schachten steeds dichter tot de muren
uitgegraven totdat Frederik Hendrik op 20 August mijnen op liet blazen welke een grote breuk in de
verdedegingen maakten. Drie dagen later gaf de stad het op, en zoals elders, behield haar
Katholieke geloof en Kerk goederen.
Gejubel ging door de Verenigde Provincien. Kerkklokken luidden overal in het land. Vondel
schreef in zijn 'Stedekroon van Frederick Henrick' veelprijzend over de Stadhouder in afsteking tot
de wrede en ondraagzaamheid van Parma in de verovering van de stad in 1579. De dichter prees
Frederik Hendrik als de bevrijder van Maastricht maar nog meer als de kampioen van
verdraagzaamheid en vrede, en voor zijn streven om de eeuwige oorlog met Spanje ~ en
Katholiekisme ~ tot een eind te brengen.
Onderhandelingen tussen Noord en Zuid
Na de verslagingen van 1632 stond Spaanse macht in de zuidelijke provincies op zulk laag peil dat
Isabella het bijeenroepen van de Staten Generaal voor zuid Nederland niet kon weigeren. Het
vergaderde in September te Brussel voor de laaste keer onder Spaans gezag. De meesten van de
vertegenwoordigers wilden onmiddelijke onderhandelingen voor een eind aan de oorlog ~ om het zuiden
en het katholieke geloof te redden. Spanje had weinig keuze behalve Isabella erin toe te laten
stemmen voor het moment, zodat Philip IV ondertussen nieuwe krijgsmachten op kon brengen. Frederik
Hendrik wilde hetzelfde moment grijpen voor onderhandeling te Maastricht terwijl nog het hele leger
bij zijn zijde stond.
Het was December voor besprekingen tussen de twee Staten Generalen begonnen in Den Haag. Het was
moeilijk eenstemming te vinden tussen al de steden en provincies. Bij Juni 1633 de onderhandelingen
tussen Nederland zuid en noord stortten bijna in. Frederik Hendrik had een onbepaalde stand
gehouden maar stapte nu naar voren ~ hij adviseerde dat voor een vrede met Spanje voor al de
Nederlanden, noord en zuid moesten instemmen dat de gehele Meierij van 's-Hertogenbosch behoorde
met het noorden en niet bij Brabant, er moest overeenkomst zijn over invoer- en uitvoer-rechten
tussen Zeeland en Vlaanderen, en de veroveringen in Brazielie moest de West Indische Compagnie
behouden. In de herfst van 1633 de vrede onderhandeling ging over tot een worstelen over in wiens
beheer de Staten van Holland lag ~ en in wiens beheer de Republiek ~ Oranje of de staten: de
hegemonie van Holland in de Unie, en het overwicht van de staten over de Stadhouder.
Frederik Hendrik verliet het verbond dat tot dusver zijn gezag had ondersteund, en hechtte nu aan
de 'oorlog partij' van de Calvinistische contra-Remonstranten. De 'staten partij' was herboren en
Stadhouder en de Staten van Holland (in de overlevering van Oldenbarnevelt) stonden tegenover
elkaar om weer de Nederlandse politiek te overheersen. Gedurende 1634 de worsteling tussen
Frederik Hendrik en de Hollandse steden voor een vredegedrag werd een bitter gevecht over de
verhouding met Frankrijk. Lodewijk XIII bood een dichte genootschap en bekoorlijke subsidien aan,
maar vroeg de Republiek zich vast te hechten aan tegenstand tot Spanje ~ en haarzelf te
onderschikken tot Frankrijk, en tot ver in de toekomstige jaren. Het grootste bezwaar van de
Arminiaanse 'vrede' steden was tegen een bijzin in het verdrag dat de Verenigde Provincien alleen
onderhandelingen met Spanje kon hebben 'conjoinctement et d'un commun consentement' met de Franse
Troon. Het betwist was lang en inspannend, maar de provincies kwamen allen naar de kant van de
'oorlog partij' en de Stadhouder (Zeeland, Friesland en Groningen meteen; met Overijssel en
Gelderland duurde het langer; Utrecht was overredend; en Holland eindelijk ook).
In de Staten Generaal een sijsteem van geheime committees had al eerder bestaan, maar altijd op
kort termein voor een specifieke kwestie, en gewoonlijk om het terug naar de Staten te brengen
voor een beslissing. Het verschil tussen deze en de 'secrete besognes' welke gedijde onder het
bestuur van de Stadhouder, was dat de nieuwe committees hadden een 'carte blanche' in een bepaald
gebied van diplomatieke of militaire belangen, en bestonden zolang als de committees zelf nodig
achtten. Frederik Hendrik zelf besliste lidmaatschap in deze 'secrete besognes' en stond over hen
als opzichter, en de provinciele bestuurders van Oranje werden hierbij de eigenlijke bewerkers van
zijn gezag ~ macht en invloed nu in hun handen. Het politieke sijsteem maakte de provinciele
Staten voortdurend meer machteloos, en was gevormd door aanhang, gunst, verbinding met het hof, en
adel ~ en gekarakteriseerd met alleen het allernoodzakelijkste open debat. Omdat altijd dezelfde
mannen lid waren van de 'secrete besognes', was het makkelijk voor diplomaten van de vreemde hen
in een weefsel van steekpenningen te betrekken. Na het verdrag met Frankrijk was getekend, kregen
de zeven committee leden bedragen van 5 000 tot 10 000 livres, en de griffier van de Staten
Generaal zelfs 20 000 livres. De bestuurders onder deze Stadhouder werden rijk.
Frederik Hendrik en de Hernieuwde Oorlog
Frankrijk verklaarde oorlog aan Spanje in 1635, en de Staten Generaal was verplicht aan een invasie
van zuid Nederland met de Fransen. Het zuiden was weer geloofsvrijheid beloofd en aangespoord tot
opstand. Als dat gebeurde zouden zij hun vrijheid krijgen in een sijsteem als in Zwitserland,
maar met de Vlaamse havens van Namur en Thionville aan Frankrijk gehecht, en Breda, Geldern, en
het Waes gebied aan de Republiek. Als niet, het land zou verdeeld worden tussen Frankrijk en de
Verenigde Provincien, met de provincies in welke de Franse taal werd gesproken en west Vlaanderen
naar Frankrijk, de Schelde monding, en Ghent, Brugge, en Mechelen naar de Verenigde Provincien.
De Spaanse Nederlanden waren echter niet zo makkelijk te nemen. Frankrijk wierp haar troepen over
de zuider grenzen, maar het Spaanse leger gaf niet in en vocht een 'guerra defensiva'. Spaanse
krijgsmachten, versterkt met 11 000 manschappen, keerden naar de invasie van het noorden om een
vroege en aparte vrede tussen Spanje en de Republiek te dwingen. Het leger in Vlaanderen stond op
70 000 man en was sterker en groter dan gedurende enige andere tijd in de Tachtig-jarige Oorlog.
Het sloeg de noordelijke aanval af, en bijna omringde de Nederlandse garizoenen in het Maasdal.
Spaanse troepen veroverden de veronderstelde onnneembare vesting Schenckenschans aan de noord
oever van de Rijn, en hernamen het meeste van de Meierij en, met meer troepenmachten van de keizer
uit Duitsland, overstroomden Cleve.
Frederik Hendrik staakte al de offensieven en concentreerde een reusachtige krijgsmacht op een
blokkade aan drie kanten van Schenckenschans. De Spanjaarden vochten om het corridor te behouden,
want hun generaal (Olivares) dacht het meer belangrijk dan Parijs ~ het zou hen een ingang naar
Gelderland en Utrecht geven, en de Nederlandse troepen in het Maasdal omringen. Dat zou het einde
zijn van oorlog voor de Republiek. In 1636 bevool Olivares een Spaanse aanval op de Veluwe en
Overijssel om de bres in de Nederlandse verdediging groter te maken. Voor dat kon beginnen, een
meedogenloos bombardement vanaf rivier geschutschepen en vanaf beide oevers dwong Schenckenschans
te capituleren.
Het aanzien van de Stadhouder was ernstig beschadigd door het fiasco van de invasie. Hollandse
regenten drukten sterk aan voor verminderde troepen en kosten, en in de winter van 1636-37 dwong
de Staten tot de eerste grote inkrimping van troepen sinds 1621. Dit gebeurde terwijl de economie
snel groeide. De rivieren van de Eems tot de Schelde werden sinds 1629 niet meer afgesloten door
een Spaanse blokkade, oorlog tussen Zweden en Poland kwam tot een eind in hetzelfde jaar en maakte
de Oostzee koopvaart weer mogelijk, en de Franse-Spaanse oorlog van 1635 sloot de grenzen tussen
zuid Nederland en Frankrijk. De vraag voor levensmiddelen verhoogde vanuit zuid Nederland, en
Duitsland waar de toestand steeds erger werd. Het uitbreiden van de VOC in Azie en de WIC in
Brazilie draagde ook bij.
Het inkomen van Frederik Hendrik kwam tot 650 000 gulden per jaar bij 1637, maar hij werd
behoorlijk bekrimpt in zijn staatkunde en als een militair bevelhebber. Zijn herovering van Breda
met een relatief kleine legermacht in 1637, gaf niet veel opzien ~ zijn daden werden niet meer
bejubeld zoals vroeger, en Vondel was stil. Oranje had een ernstige belemmering in 1638, toen
hij probeerde de forten aan de Schelde onder Antwerpen te veroveren werd een gedeelte van zijn
leger verrast en totaal verslagen bij Kallo, met honderden gesneuveld en 2 500 soldaten
krijgsgevangen en 80 rivier schepen genomen. Twee maanden later, the Prins faalde in de herovering
van Geldern; het plotselinge verschijn van een keizerlijk leger dwong hem tot een onwaardige
terugtocht. Hij kwam met lege handen van zijn veldtochten van 1639-40, en gedurende een mislukt
beleg op Hulst sneuvelde Friese Stadhouder Hendrik Casimir.
De grote overwinningen in deze tijd kwamen op zee: het triomf van admiraal Maarten Harpertsz
Tromp over de Duinkerk kapers, en de marine vloot dat vernietigde een Spaanse armada in 1639 van
over 100 oorlogschepen (en begeleidende Engelse vrachtschepen) met meer dan 20 000 Spaanse en
Italiaanse troepen op weg naar Vlaanderen. Na de zeeslag zocht de Spaanse vloot veilig haven aan
de Engelse kust waar Karel I probeerde het te beschermen ~ en waarschuwde Nederland niet hem te
beledigen 'in his own chamber'. Tromp ~ op geheim bevel van de Stadhouder, sloeg door om de
overwinning af te maken.
Strijd voor de Leiding van de Republiek
Over de jaren werd de Prins van Oranje langzaam maar zeker meer imposant in de stijl van zijn huis
en hof, en de Staten Generaal veranderde de manier om hem aan te spreken van 'excellencie' tot
'hoogheid'. In 1641 behaalde hij grote prestige in de hoven van Europa door een huwelijk te
arrangeren voor zijn zoon met een dochter van Karel I. Hij behaalde de commissies voor
Stadhouders van Groningen, Drenthe, Wedde en Westerwold, in 1640, maar Friesland weigerde het hem.
De schijn was groter dan de werkelijkheid want de politieke macht van de Prins verzwakte gestadig.
Spanje was niet meer zo bedreigend, en de Staten van Holland wilde de Republiek losmaken van
Frankrijk en opnieuw onderhandelingen met zuid Nederland beginnen. Aanhoudende benaderingen
vanuit Brussel werden op de plank gelegd door de Staten Generaal (met haar omkoopbare griffier) en
de geheime committees van de prins, maar Holland was niet meer zo gescheiden dat het 'prinselijke'
sijsteem (vanaf Maurits in 1618) uitvoerbaar bleef.
Doorlopende vrede onderhandelingen namen plaats tussen 1641-44 te Munster en Osnabruck, met
Frankrijk, Zweden, Spanje, de Republiek, en de Keizer, zonder resultaten. Over de winter van
1641-42, met Amsterdam in de leiding, dwong de Staten van Holland het afnemen van troepen van
70 000 tot 60 000. Met Holland nu meer verenigd dan enige tijd in de laatste tien jaar, vonden
de 'secrete besognes' van de prins hun werk moeilijk. De Hollandse vertegenwoordigers in de Staten
Generaal werden in 1643 verboden om enige onderhandelingen uit te voeren zonder instructies van de
Staten, en andere provincies volgden.
De veldtochten van Frederik Hendrik gedurende deze jaren waren niet groots: in 1641 werd Gennep
genomen, Sas van Gent in 1644, en Hulst het volgende jaar. In 1646 weigerde Holland het aannemen
van de jaarlijkse militaire begroting totdat geschilpunten voor een vrede met Spanje werden
opgelost. De prins, nu oud en ziek, stemde in. Hij stierf in Maart 1647, en voorlopig het
Hollandse overwicht in de Verenigde Provincien was onbetwistbaar.
Bouwkunde en Kunst
Opstand, Revolutie, Reformatie, en oorlogen, verwoestten honderden kastelen en huizen, kerken en
kloosters, staat en gemeente gebouwen; en het gevolg van de beeldenstormen was een vernietiging
van schilderijen, beeldhouwwerk, en allerlei andere afbeeldingen. Maar de Republiek had niets te
spenderen aan kunst ~ de herbouwing van een stadmuur of poorthuis moest vlug en goodkoop gedaan
worden; de in beurs verklaarde katholieke gebouwen gevestigde publieke Kerk had geen nieuwe
bouwwerken voor haar godsdienst nodig. Desalniettemin, nadat de rijke handel belangrijk werd begon
een bloeing van kunst. Artistieke vernieuwingen en prestaties volgden op zulk grote schaal dat het
geen overeenkomst heeft met enige andere tijd of plaats in de geschiedenis der mensheid. Een
weergaloze overvloed en verscheidenis van kunstenaren en kunstbekwaamheid verzamelde zich in het
nog betrekkelijk arm noord Nederland. Een uitstorting van kunst in een hoeveelheid, kwaliteit, en
verscheidenheid, als nooit geevenaard in enig andere maatschappij of tijdperk, volgde.
In slechts weinige jaren werd de Nederlandse maatschappij welvarend en bracht voort een toevloed
van nieuwe burger-gebouwen in nieuw-groeiende steden: stadhuizen, schutters kwartieren, scholen in
Latijn. Vanaf 1590 werden drie grote kerken in Amsterdam gebouwd, maar het meest van de nieuwe
bouwwerken had een wereldlijk karakter: in Franeker een stadhuis, in Zutphen de Wijnhuistoren;
het Oost Indische Huis en de Haarlemse Poort te Amsterdam; in Haarlem, het Prinsenhof, de Waag,
Nieuwe Kerk, het Oude Mannen Huis; een stadhuis en verschillende andere gebouwen in Leiden; het
marmere mausoleum van Willem de Zwijger en een nieuwe facade voor het stadhuis te Delft. Langs
de Amsterdamse nieuw-gegraven Herengracht vermenigvuldigden zich weelderige woonhuizen voor een
nieuw koopmans elite.
Na 1630 de Nederlandse klassieke architectuur ontplooide. Het meest welbekende voorbeeld, het
Mauritshuis, ging op in Den Haag in 1633. Oorlog beinvloede de martieme steden ongunstig, maar
in Haarlem en Leiden de textiel handel had profijt. Te Leiden werd de achtzijdige elegante
Marekerk gebouwd ~ de eerste grote protestantse kerk in de stad, en de Lakenhal. Frederik
Hendrik liet ook verscheidene paleizen bouwen: in en rond Den Haag het Noordeinde en Huis ten
Bosch.
Schilderen in Nederland werd gespecializeerd voor bijzondere bestemmingen in de vroege 17e eeuw.
De schaal van de artistieke aanvoering (speciaal in Holland en Utrecht) was verbazingwekkend: het
is geschat dat er waren in Holland bij 1650 nogal 2,5-millioen schilderijen ~ meest van hen
gekopieerd of van slechte bekwaamheid, maar tenminste tien procent hiervan schilderijen van
kwaliteit. Schilderen was in de Republiek van deze tijd niet alleen kunst maar ook een groot
handelsbedrijf ~ kopers kwamen naar Amsterdam vanuit Engeland, Frankrijk, Duitsland, en
Scandinavie.
De schilderijen met het hoogste prestige (en prijzen) waren imposante, rijkgekleurde mijthologische
taferelen, gekenmerkt door naakte, dartelende godinnen en nimfen, in een erotisch suggestieve
manier (de toren van genie, de grootste kunstenaar van zijn tijd, Rembrandt van Rijn, schilderde
er een). Van Haarlem, een voortreffelijke vernieuwing was het verheffen tot kunst van het
realistische zeegezicht: uniek in bekwaamheid in het weergeven van een menigte van schepen,
zeestormen en alles dat aan de zee hoorde, beeldde Hendrik Cornelisz Vroom de grote zeeslagen van
de tijd af; een andere uitvinding was het grote stads panorama. Het kan over Frans Hals gezegd
worden dat hij het spontaan, levendig portret of 'merrie' gezelschap, dat een zeker moment
vastlegde, bedacht heeft. Esaias van der Velde ~ een van de voornaamste vernieuwers van de tijd,
bracht een grondige verandering teweeg van het fantastische naar het realistische Nederlandse
landschap.
Een sterke daling in de handel veroorzaakte een verandering in het onderwerp van kunst ~ kleinere,
goedkopere schilderijen van veldslagen en schermutselingen, soldaten in taveernen, bordelen, en
wachthuizen, met een wisselend gebruik van kleur en toon. Verfstoffen werden schaars met het
ineenstorten van de vaart op Spanje, Portugal, het Caribisch gebied, en Spaans Amerika, en het
vervallen van verkeer met zuid Europa . De rijke, heldere kleuren werden nu plotseling sobere
monochroom tinten van bruin en grijs.
De kunst en kunstenaren van dit Gouden Tijdperk maakten treffende gelijkenissen van het
natuurlijke, maatschappelijke, en de kulturele werkelijkheid dat omringde de Nederlandse burger
dag in dag uit ~ het weerspiegelde zijn eigen huishouden en gemeentelijke wereld, het platteland
rondom de stad, de soldaat in het veld en het schip op zee.
Het Leven van de Geest
De Revolutie opende een scheur tussen noord en zuid en maakte twee wederzijds buitenaardse en
tegenwerkende kulturen, van wat vroeger was een enkel. De katholieke belijdenis In het zuiden na
1585 greep het onderwijs, gedachten, en boek censuur zo sterk dat het een kultuur weergaf dat was
vrij van belangrijke inwendige spanningen. Het stond dicht bij het bredere vorm van de
contra-Reformatie in Duitsland, Rome, en de rest van Europa. In het noorden de kultuur ontwikkelde
zich in een ongemakkelijk mengsel van protestant-katholieke confrontatie, humanist-belijdenis
tegenstand, en protestants anti-Calvinist oneenigheid, welke verdeelde het denken en onderwijs.
Het maakte een nieuw soort Europeaanse kultuur beladen met krachtige en onoverkombare inwendige
spanningen ~ zeer dijnamisch, maar eerst labiel, dat was nergens in de protestantse of katholieke
buurlanden gevonden.
De ervaring van de Revolutie en de Reformatie maakte voor een aangrijpende verhoging in het
publieke bewustzijn van versprijdende geestelijke kwesties ~ met vragen over de aard van politiek
en geestelijk gezag, de stand van heilige boeken, het goede en slechte van revolutie,
vedraagzaamheid, en vrijheid van geloof, en hoe men kon omschakelen van een ingevallen tucht en
moraliteit. Maar het stellen van zulke grondleggende vragen in de gedachten en woonkamers van de
gewone man was niet aan de smaak van de meest aanzienlijke geleerde in de Lage Landen, en Europa,
van de 16e eeuw.
Joost Lips (geb. 1547 bij Brussel) studeerde aan het college te Ath, bij de Jezuieten te Keulen,
aan de hogeschool te Leuven, en volgde lessen in Rome. Zijn belangrijkste tekst ~ De Constantia
(1585), was met opzet alleen in Latijns uitgegeven, maar het maakte toch de toorn der Hervormden
tegen hem gaande. Hij zag zijn werk niet als een recept voor het burgervolk maar voor het
verfijnde mens en voor humanistische geleerden ~ hij had geen wens, zij hij, om zijn leer door
kroeghouders en zeelieden te zien besproken. Zijn zedenleer had geen Bijbels onderbouwsel, en
stond neutraal tussen de strijdende kerken ~ en het antwoordde precies de meest fundamentele
behoefte van de tijd; het was bijna een geleerd en verschuild Spiritisme ~ of een ondergedoken
afzonderlijke religie verborgen van de maatschappij.
Lips verwierp de zocht om zijn landgenoten te verlichten over ethische en geestelijke vragen, maar
zijn werk spoorde toch een opwelling aan in de ontwikkelende kultuur rond hem. Twee verschillende
Nederlandse uitgaven van De Constantia verschenen, en het werd spoedig duidelijk dat hij was niet
alleen zeer belangrijk voor de universiteit te Leiden (waar hij lector was) maar ook voor de
Republiek. De Leiden universiteit (gesticht door Oranje en de Staten van Holland in 1575) stond
niet ~ in tegenstand tot de meeste grote universiteiten in Europa, onder een kerkelijke sijnode;
dat was met nadruk afgewezen. De vrijzinnige aard van de universiteit maakte moeilijke jaren met
weinig studenten, maar na 1590 door het uitgeven van academische boeken en de universiteit
bibliotheek werd het belangrijk in protestant Europa. Een hortus academicus werd aangelegd in 1594.
De enige andere universiteit in Nederland, opgezet door de Staten van Friesland te Franeker, had
ook een groeiende reputatie.
De Staten van Groningen stichtte een universiteit in de stad in 1614. Het had nooit het prestige
van Franeker maar had net zoveel studenten ~ veel vanuit Duitsland. Het was 1634 voordat Utrecht
een Illustre School oprichtte dat een paar jaar later de vierde universiteit werd. Franeker had
nooit meer dan een kwart van de studenten als te Leiden, maar het werd (net als Leiden) een
werkelijke internationale protestantse universiteit met de helft van de studenten uit het
buitenland. Bij 1609 Leiden was een van de grootste universiteiten in Europa en bij 1640 de
grootste in de protestantse wereld. Van 1625 tot 1650, 11 000 studenten schreven in te Leiden;
8 400 te Cambridge ter vergelijking; 6 700 te Leipzig. Leiden, Franeker, en later Utrecht, werden
internationale zetels van de leer voor studenten vanuit Duitse landen, Brittannie, Scandinavie,
en later zelfs van Frankrijk, Poland, en Hongarije. In 1648 een universiteit was ook gevestigd te
Harderwijk.

Willem II als Stadhouder
De tijd met Willem II als stadhouder was kort maar van groot belang in de geschiedenis van de
Republiek want het bracht een zeer ernstige crisis. Willem II was eerst gezien in de politiek
toen hij van zijn zieke vader het bevel over een veldleger wilde krijgen om het in 1645 tegen
Spaanse troepen te leiden. Hij werd dit geweigerd en het stond niet goed tussen vader en zoon
gedurende de laatste twee veldtochten van Frederik Hendrik. Toen die stierf in 1647 onstond een
bittere twist tussen Willem en zijn moeder over het testament van de oude Stadhouder. Het Munster
vrede verdrag werd getekend te Munster en Den Haag in de lente van 1648. Willem II, nu Stadhouder,
stond er tegen maar was machteloos het te verhinderen. De festiviteiten dat volgden waren dan ook
gezien als een triomf van Holland over Oranje, en het werd gezegd dat de principes van de Staten
van Holland weer het overwicht in de Republiek hadden.
Maar langzaam aan werd het duidelijk dat Holland niet zo stevig in het zadel zat. Inwendige
spanningen in Holland; en als gevolg van de vrede ~ met Zeeland over de verslechterde vaart op de
Schelde, Sas, en Zwijn, en de opkomst van de Vlaamse havens; en met de provincies (aan de lange
binnenlandse verdedigings lijn van Delfzijl tot Sluis) welke ervaarden de verminderingen van de
garizoenen en militaire uitgaven. Het mislukken door Holland om de WIC te redden van een
rampzalige toestand in Brazilie was ook een grief voor Zeeland en Groningen die veel in de
Compagnie hadden geinvesteerd. Deze wrevel werd nog verergerd door miserabele oogsten te wijten
aan opeenvolgende koude, natte zomers, gevolgd door het stijle opgaan van prijzen voor brood. Dit
trof speciaal de vakhandwerkers in de steden, en orthodox Calvinistische predikanten spraken hen
vurig toe vanaf de kansels dat dit alles was de wraak van God over het gebrek van steun aan de kerk
door de regenten, en hun ongoddelijke verdraagzaamheid voor Katholieke en Protestantse verschillen.
Buiten Holland stond het gewone volk haar tegen, en binnen Holland het was diep gescheiden.
Een bron van bitsheid in de verhouding tussen regenten en de Kerk lag in de Meierij. Het was
onwillig aangehecht tot de Republiek onder de acten van de Vrede van Munster. Het gebied had meer
dan 300 kerken en kloosters met land en inkomsten dat Spanje graag beschermd had, maar de publieke
Kerk zag haar kans om de Meierij en Lingen te protestantiseren. De Staten Generaal verklaarde al
de katholieke kerken en kloosters beurs, greep de inkomsten, en stroopte altaren en afbeeldingen.
De belangrijkste kerken werden wit gewassen en herdoopt voor de Hervormde godsdienst. Hervormde
schoolmeesters werden in al de scholen geplaatst. Het was overal in de landen van de generaliteit
hetzelfde, behalve te Maastricht en de Overmaas waar de verkondiging van 1532 garandeerde de
katholieke godsdienst.
Frederik Hendrik was altijd bijzonder toegevend geweest tegenover de Katholieken in zijn eigen
domein. Willem II, berucht als losbandig en zeker niet Calvinistisch in zijn levensaanvaarding,
richtte zich zorgvuldig op de publieke Kerk als een waardevolle stut voor zijn gezag. Zo snel als
de vrede was getekend bevool hij de drost van Breda om 'onmiddelijk, zonder vertraging, de kerken
te ledigen van al de afbeeldingen en pauselijke versieringen', en Herformde predikers te
installeren in de edele landen buiten de stad ~ en dit werd eigenlijk de eerste ervaring van de
Reformatie in de gebieden van Breda en Steenbergen, en was hetzelfde voor Hulst, Sas van Gent, en
andere Vlaamse streken. Maar kerken grijpen en predikers plaatsen en de Staten Bijbel brengen naar
nieuwe Hervormde scholen was niet genoeg. Met de vrede kwamen ook katholieke priesters terug om
weer gezag over dorp en stad bewoners te eisen, en de plaatselijke bevolking bracht heilige
voorwerpen en afbeeldingen van waar zij hen verstopt hadden, om hun geloofskultuur te herbouwen.
In hun ergernis keerde de orthodoxe Calvinisten naar de Prins van Oranje die meer dan gewillig was
om te helpen. Hij werd aangemoedigd om een kampioen voor de Hervormde Kerk te worden, en een nieuw
tijdperk te beginnen voor de Reformatie in de Republiek ~ een hervorming van de maatschappij, de
zeden, en de politiek, en een eind aan de overheersing door de 'Arminiaanse' regenten van Holland.
De Kerk, buiten Holland, stelde zelfs de 'verdomde vrede' aan de kaak ~ zo misbehaagd door de
Almachtige, werd in Utrecht gezegd, dat het sindsdien onophoudelijk had geregend.
Holland en de Stadhouder twistten al sinds 1646 over de krijgsmachten. Frederik Hendrik had de
Staten Generaal aangespoord om het staande leger op 39 000-man te zetten (minder dan de helft van
1642) maar bij 1648 was de troepenmacht 35 000, en Hollandse regenten vonden dit nog te hoog.
Meningsverschil werd confrontatie toen Holland in 1649 een vermindering eisde tot 26 000. Het
antwoord van de Prins was dat het gebied van de Republiek veel groter was dan in 1609 en de
verdedigings lijn met 15 vestingsteden en 33 versterkte forten garizoenen nodig hadden, maar bij
de zomer van dat jaar de troepenmacht was toch gezonken tot 29 250 ~ het laagste sinds 1590.
Het werd duidelijk dat het ging eigenlijk niet om het leger maar om wie de macht in de Republiek
had. De grondwettelijke vraag of Holland in het recht stond (onder de Unie van Utrecht) om de
troepen die zij betaalde te ontbinden, was de belangrijkste kwestie. Maar als dat zo was, dan was
de Republiek niet meer een staat, maar een verzameling van staten ~ zoals het werd uitgelegd in
vlugschriften van de Oranje partij. En het orthodoxe Calvinist bloc benadrukte dat als elke
provincie volledig soeverein was (als de Groot had geschreven) dan was dat niet alleen over haar
leger en uitgaven, maar ook over haar kerk. Heel het Nederlandse volk zag het aan met grote
belangstelling.
In 1650, de Gecommiteerde Raden van Holland verzond brieven voor ontbinding naar de kapiteinen van
12 cavalerie en 31 infanterie eenheden. De volgende dag de Prins en de Raad van State vertelden de
Staten Generaal dat aan al officieren een bevel was verstrekt om de brieven te negeren en alleen
gehoorzaamheid te geven aan een bevel van de Staten Generaal of de Stadhouder als kapitein-generaal
van de Unie. De Staten ~ in een stemming van vijf provincies tegen twee (Holland en Gelderland)
bemachtigde de Prins om van elke stad in Holland af te dwingen dat hun besluit tegen de Unie van
Utrecht stond, en toe te stemmen en trouw te blijven aan de 'aangenomen' rechtsplegingen van de
staat.
Oranje wilde de rechtspleging gebruiken voor een groots bezoek aan elke stad als een vertoon van
zijn gezag, macht, en populariteit ~ en om te laten zien dat het volk achter hem stond. Maar in
Holland mensen stonden niet zo sterk achter hem zoals elders. Het ging niet slecht in Dordrecht,
maar te Delft moest de Prins zijn militaire begeleiding buiten de poorten laten staan terwijl
geluisterd werd naar zijn toespraak. Amsterdam liet weten dat Oranje verwelkomt zou worden als
Stadhouder maar niet als het hoofd van een Generaliteit visite welke Holland had tegengestemd.
Toen hij kwam was heel de schutterij op parade en de burgermeester weigerde zijn rede te horen.
Willem ging woedend weg zonder een banket ter zijn eer bij te wonen.
De Prins voerde een coup uit op 30 Julie 1650. Het plan was het jaar tevoren al gemaakt door de
twee Stadhouders: Willem II van Holland en Willem Frederik van Friesland. Officieren arresteerden
zes Hollandse regenten op het Binnenhof. Een troepenmacht werd uitgerukt in Den Haag om alles
kalm te houden. Ondertussen gingen 12 000 manschappen van garizoenen uit Gelderland onder het
bevel van Willem Frederik in de nacht op naar Amsterdam waar net op tijd de poorten werden
gesloten.
Maar de Prins kon nu onderhandelen vanuit een positie van macht en Amsterdam capituleerde.
Tegenstand aan zijn wensen verdween, en werd gevolgd door het vermeerderen van troepen en kosten,
en er was geen twist meer over zijn beslissingen in buitenlandse zaken. Voor een enkele paar maanden
de 'goede patriotten' ~ zoals de Oranje partij en de vrome Calvinisten zichzelf benoemden, waren in
een gelukzalige stemming, maar in November 1650 Willem II stierf van de pokken. Voor veel van de
Hervormden die geloofden in goddelijke interventie in de staat en de kerk, zijn dood was ontzettend
en onverklaarbaar. De Staten partij was plotseling weer aan het roer.
De Maatschappij
De economie ~ na het eind van de Twaalf Jaar Vrede (1621) ~ ervaarde een aarzelende groei:
verminderde Europeaanse handel vergoed door de vraag voor Nederlandse proviand van alle soorten in
Duitsland en zuid-Nederland, en het toenemen van de koloniale vaart. Na het Munster vrede verdrag
(1648), eindigden vijandige schermutselingen met Spanje in de Nieuwe Wereld, blokkades werden
afgeschaft en een eind aan de Vlaamse kapers gemaakt, en legers werden ontbonden in Duitsland en
noord-Nederland. De Levant en Spaans Amerika lagen weer open voor handel in goederen voor markten
in Frankrijk en Rusland.
Holland bloeide ~ voor een beperkte tijd welvaarden Twenthe, het Arnhem Kwartier, en de Meierij
van 's-Hertogenbosch, maar in het binnenland was het anders. In verschillende omstreken buiten
Holland stond de maatschappij aanzienlijk slechter, door het verderf van de Zeelandse vaart en het
verminderen van de vaste garizoenen in de vestingsteden. (Het Maastricht garizoen bv. ging van
5 300 tot 2 500 en de bevolking van 23 000 tot 18 000 tussen 1645-55; de hoeveelheid inwoners van
Nijmegen viel tot 8 000 in 1660 van 14 000 in 1645.) De 17e eeuwse bevolking van de Republiek is
geschat op net onder twee-millioen, met bijna veertig procent in de dertig grootste steden
(inwoners te Amsterdam vermeerderden van 120 000 in 1635 tot 200 000 bij 1688). De zeewaartse
landen verstedelijkten gestadig, maar de landwaartse provincies ervaarden een groei in de
plattelandse bevolking. De verschillen in economisch structuur en welvaart maakten een kloof dat
later grote gevolgen zou hebben in het sociale leven en ook in de politiek en kultuur.
Werkgelegenheid verbeterde in alle sectoren. Op zee was veel veranderd maar het vereiste meer
scheepsbemanningen voor de rijke-handelvaart op de Levant en Oost Indie, en export naar Spaans
Amerika, terwijl de walvisjacht ook belangrijk werd. Veel van de zeelieden kwamen vanuit
Denemarken, Noorwegen, en noord Duitsland ~ speciaal in de lager beloonde VOC, WIC, en de Marine.
Op de Wadden Eilanden de helft van de arbeidskrachten werkten op zee; in West Friesland misschien
een kwart. De uitbreiding van arbeid in industrie was nog groter, want het maken van verfijnde
goederen was meer werk-intensief. Groeiende arbeidsmarkten bestond in Amsterdam, Leiden,
Haarlem, Delft, Gouda, Den Haag, Rotterdam, en in de Zaan. Werklieden werden geronseld van het
omliggende platteland, uit de binnen-provincies, en het buitenland.

|
Wevers door Cornelis Decker (1625-1678) ~ Rijksmuseum, Amsterdam.
|
De groei van de steden was nog meer opmerkelijk omdat (vanaf de 1620ers) de pest hen herhaardelijk
bezocht (tot 1670). Te Leiden in 1655, kwamen 11 000 mensen om (bijna twintig procent van de
inwoners) in zes maanden. De laatste grote pest (1663-69) begon in Amsterdam en langzaam
verergerde (338 doden in een week van Mei), en 'there dyed this last weeke 739' ~ schreef de
Engelse ambassadeur in Juli 1664, 'and the plague is scattered generally over the whole country
even in the little dorps and villages, and it is gott to Antwerp and Brussels.' Het ergste was
over bij 1665, maar elders te Enkhuizen, Vlissingen, en Zutphen de epidemie sloeg aan in 1666 ~ ook
het jaar van de Grote Pest te London. Een laatste golf van pest ging door Leiden in 1669.
Lonen bleven ongewoonlijk hoog in vergelijking met buurlanden ~ in de grote Hollandse steden werd
vaak meer dan twee maal zoveel betaald. Te Liege bv. (in 1679) glaswerkers verdienden acht tot
tien stuivers; in Holland 18 tot 24 stuivers per dag. Hetzelfde gelde in alle sectoren, maar
voedsel, huren, en belastingen waren ook uitzonderlijk hoog, en fabrikanten zochten altijd loon
verlagingen omdat er sterke concurentie vanuit Engeland en Frankrijk was. In een oproer van
weeskinderen te Leiden in 1671 (een van de weinige arbeiders opstanden in deze tijd) werd
geschreeuwd dat 'Walen' hen harteloos gebruikten met te veel werk en niet genoeg te eten.)
In het oosten de stedelijke economie verschrompelde na 1648, en op het platteland de groeiende
bevolking ervaarde ontbering en armoede. Vanaf 1660 de krimp in de landbouw kwam ook naar het
zeewaartse westen en Friesland. Terwijl de groei van de westerlijke steden door ging, in het
oosten ging dit terug en het was de landelijke bevolking welke vermeerderde in verhouding tot het
geheel. De bevolking in Overijssel en Drenthe groeide meer dan in enkele andere tijd tussen 1500
en de negentiende eeuw. In Drenthe, tussen 1650 en 1750, ruim acht procent meer (maar veel minder
vruchtbaar) land werd omgeploegd. Overijssel zag in deze tijd een opvallende vermeerdering van
armen zonder land. Zelfs in Brabant en de Meierij waar de bevolkingsgroei was veel minder, armoede
steeg door de val in prijzen voor zuivel welke verlaagde de waarde van de boerderij en de vraag
voor landarbeiders.
Na een oorlog met Engeland (1664-67) heel het land viel in een agrarische inzinking met flinke
afdalingen in prijzen voor zuivel en graan, en de waarde van vruchtbaar land verminderde bij
30-40 procent in twee jaar ~ het pachten van land bracht nu ook nog maar de helft van eerder. De
binnenland provincies en Friesland wilden hogere invoerbelasting zien op Engelse, Schotse, en
andere buitenlandse boter, kaas, en vleeswaren, maar de Hollandse regenten zagen voordeel in de
lagere prijzen voor hun stedelijke bevolking. Landbouw arbeiders verloren hun werk, en in het
westen boeren verkochten huis en boedel om het platteland te verlaten. De vruchtbare klei akkers
in West Friesland en de kust gebieden van Friesland ontvolkten omdat de export heftig terug liep;
terwijl op de slechte grond van Wouden bij Overijssel en Drenthe, waar de landbouw was voor
plaatselijke markten, de agrarische bevolking vermenigvuldigde.
In Holland de landbouwer kon de lonen in de steden niet aan, maar in het binnenland arbeid was nog
goedkoop en handwerk-intensieve oplossingen veranderde de gewassen: tussen 1675 en 1710 de landbouw
van tabak in Utrecht en Gelderland verdrievoudigde; in Overijssel en noord Brabant ging het over
naar vlas voor linnen; in Zeeland meekrap voor kleurstoffen.
Belijdenis en Verdraagzaamheid ~ de Katholieken
De maatschappij in de Nederlandse Republiek na 1630 werd vrijer en meer buigzaam ten opzicht van
religie, geloof, en levens-aanzicht. Remonstranten, Lutheranen, Mennonieten, Joden, en Katholieken
trokken voordeel uit deze verandering. Te Rotterdam werd het eerst gewoonlijk voor Katholieken om
hun kinderen niet te laten dopen in de publieke Kerk maar door Katholieke priesters in de 1630ers,
en het werd hetzelfde in Amsterdam bij de 1640ers. In de contra-Remonstrantse steden van de
1650ers ~ Leiden, Haarlem, Gouda, en Enkhuizen, invallen op Katholieke vergaderingen en het
teisteren van priesters werd gestopt. Maar er was nog steeds overal in Nederland (ook nog in
Holland) wijd verbreide tegenstand tegen tegen de groei van verdraagzaamheid ~ te Utrecht de
Katholieke vrijheid werd stevig terug gezet in dezelfde jaren. Zelfs de meest onbevooroordeelde
van de regenten in de Staten partij, desondanks hun steun voor verdraagzaamheid, geloofden dat voor
de welvaart van een republiek een staat Kerk was nodig en niet onbelangrijke beperkingen in
tolerantie waren aanvaardbaar.
Waarnemers uit de vreemde zagen de Republiek als open tegenover verschillende geloofstromingen en
de meesten keurden het af. Katholieken vormden ongeveer twintig procent van de bevolking in de
zeven provincien. In de grote steden van Holland vonden zij de meeste vrijheid, maar buiten
Holland en Utrecht stond het Katholiekisme zwakker. Zeeland had bijna geen, in Friesland ~ waar
de adel was meestal Katholiek ~ misschien een tiende van de bevolking volgden deze belijdenis. In
het meerendeel van de oostelijke provincies stond het Katholieke geloof nog zwakker. Zwolle was de
enige stad in Overijssel met een aanzienlijke Katholieke gemeente (toch nog onder twintig procent),
maar in Deventer en Kampen onderdrukking ging voort. Katholieken in Groningen telden minder dan
tien procent. Zutphen was een Calvinistische vesting van onverdraagzaamheid tegenover een gemeente
van niet meer dan 400 Katholieken. Geloofvolgers te Arnhem telden ongeveer vijftien procent vand
de inwoners. Op het platteland van de Ommelanden, Drenthe, de Veluwe, en de Vollenhove en Salland
kwartieren van Overijssel, de oude Kerk was bijna verdreven. Maar het 'vrede van geloof' van Willem
de Zwijger was honderd jaar na zijn dood nog toepasselijk in kerk en staat ~ en zelfs de gewone man
op straat wist dit goed.
De Katholieke Kerk veranderde in de samenhang van gestichten en instellingen van de Verenigde
Provincien tot een meer nationale kerk, ontwikkelde zich anders dan in zuid Nederland en keek meer
naar Utrecht dan Brussel en Munster ~ en werd gestadig meer gehecht aan de leer van Cornelis
Janszoon (geb. 1585 te Leerdam). Janszoon werd bischop van Ieper, en twee jaar na zijn dood in
1638 verscheen het resultaat van zijn 20-jaar lange studie van oudchristelijke geschriften ~
'Augustinus', in verwant met de strijd over genade en vrije wil dat reeds in de 5e eeuw tussen
Augustinus en Pelagius was gevoerd, en eigenlijk nimmer beslecht was. In de 13e eeuw Thomas van
Aquino en Duns Scotus hernieuwden de strijd ~ waarbij de Thomisten (Dominicanen) de gevoelens van
Augustinus aanhingen en de Scotisten (Franciscanen) Peligiaans gezind waren. 'Augustinus' werd
door de Jezuiten heftig aangevallen, ofschoon hun leraar Molina zelf de praedestinatie een wreede
zaak noemde en schreef dat de mens uit zichzelf, zonder de genade van God, reeds goede werken,
zelfs daden des geloofs, kan verrichten. Vanaf 1597 onderzocht een pauselijke commissie de kwestie
tien jaar lang (en de Jezuitische leer werd bijna als ketterij veroordeeld) tot een 1607 verbod
tegen verder over het onderwerp te spreken of te schrijven. Het book van Janszoon werd door Rome
veroordeeld en in 1641 op de lijst van verboden boeken geplaatst.
De Katholieke Kerk in de Spaanse Nederlanden was diep geschijden over het Jansenisme in haar
bischoppelijke hierarchie, en een lange kwetsende strijd ging door de Nederlanden en Frankrijk.
Maar het waren de plaatselijke priesters die eigenlijk de strijd beslisten, en onder het vicariaat
van Johannes van Neercassel (1661-86), een Hollander van Gorcum, de 'Missio Hollandica' verschuifde
naar een inschikkelijke stand tegenover het wereldlijke gezag. De regenten van Holland en Utrecht
ervaarde dit als meer eerbied voor het gezag van de Staten en minder vijandigheid tegenover de
Republiek. Na 1673 vertoefde Neercassel te Huissen in Gelderland (maar buiten de Republiek als
een dedeelte van Cleves-Mark) en schreef hier het Jansenistische 'Amor Poenitens'. Vanaf 1675
oefende de Vicar Apostolic zijn ambt in de Katholieke Kerk uit met de formeele toestemming van de
Nederlandse Staat. Dit Jansenisme werd door haar tegenstanders uitgescholden als een feitelijke
vorm van geheim-Calvinisme binnen de Kerk.
Belijdenis en Verdraagzaamheid ~ het Afnemen van de Mindere Kerken
De mindere kerken werden nog steeds onderworpen aan veelvoudige beperkingen. Gesteund door de
Staten Generaal en de overheid in de provincies en gemeenten, oefende de Hervormde Kerk een
overstelpende overmacht uit, en verscheidenheid verminderde in de belijdenis van de Nederlandse
bevolking.
De Remonstrantse Broederschap ~ zelfs nadat het hun eigen Kerk organiseerde (in de 1630ers), liep
sterk terug en het werd duidelijk dat het slechts een kleine plaats had in de Nederlandse
maatschappij ~ doch het overleefde voor een tijd te Kampen, Leeuwarden, Dokkum, en Nijmegen.
Mennonieten ~ ouder als een Kerk dan de Remonstrantse, gingen ook achteruit. Het was lang een
belangrijke geloofstroming voor de bevolkingen van Holland, Utrecht, Friesland, en Groningen,
in noord-west Overijssel, en om Blokzijl en Giethoorn. In het Haarlem van 1620, Mennonieten
maakten twintig procent uit van inwoners, maar in 1707 slechts elf procent. In Friesland de
Wederdopers vormden (in 1666) dertien procent van de bevolking ~ een grotere groepering dan de
Katholieken, maar in de volgende eeuw stond dat omgekeerd.
De Lutherse gemeenschap was een van Duitse en Scandinavische immigranten en werd eigenlijk nooit
inheems. Te Zutphen vergaderingen namen plaats vanaf de 1650ers, maar het had geen Lutherse
predikant tot 1681. Te Groningen was geen onderdrukking van het geloof na 1672, maar het werd 1687
voordat de raad het wettigde, De eerste Lutherse kerken werden gebouwd te Zutphen in 1693, en in
Groningen 1696. Alleen Zwolle in Overijssel was relatief tolerant en stemde toe aan een Lutherse
gemeenschap in 1649. Te Deventer was het verboden tot 1672 en toegestaan na 1674. In Friesland
verdraagzaamheid voor de Lutherse Kerk kwam met tegenzin en laat ~ een smeekschrift aan de
universiteit van Franeker in 1650 werd afgewezen. Niet gemachtigde vergaderingen werden gehouden
in Harlingen en Leeuwarden, maar de vraag om een kerk te laten bouwen werd door Leeuwarden in 1668
afgewezen. De eerste Lutherse Kerk in Friesland was te Harlingen in 1669. De stad van Leeuwarden
erkende de het Lutherse geloof slechts in 1681. In Holland de Staten legde een ban op de Lutherse
godsdienst op het platteland in 1624. In meest van de steden was verdraagzaamheid voor het geloof,
maar niet in allen ~ Dordrecht weigerde verlof voor een kerk in 1689.
Het getal van Joden vermeerderde door immigratie uit Duitsland, en (te Amsterdam) Portugal ~ de
Sefarden uit zuid Europa vermeerderden snel tussen 1647 en 1672 maar dan bijna niet meer.
Bovendien, doch het was belangrijker in financien en het merkantiele stelsel dan het Duitse
Jodengemeenschap, werd het nooit groter dan 3 000 mensen. In vergelijking, het armere Duitse
Jodengemeenschap groeide snel in de laatste kwart-eeuw. Bij 1672 waren zij vast-gevestigd te
Rotterdam, Amersfoort, en Leeuwarden, als ook in Amsterdam, en kleine Sefardische gemeenschappen
bestonden ook in Middelburg, Rotterdam, Amersfoort, Maarssen, Nijkerk, en Den Haag, als ook in
Amsterdam. Maar veel steden en landelijke gebieden in de Republiek hielden de Joden terug. Het
verbod tegen de vestiging van Joden in Groningen was nog niet afgezegd tot 1711, te Utrecht niet
tot 1789, en Deventer niet tot 1790. In Gelderland het was alleen Nijmegen laat in de 17e eeuw
welke permitteerde Joden als inwoners. In Leiden, Haarlem, en Delft niet tot 1720-1730ers. Te
Amsterdam bij 1700, vormden Joden ongeveer drie procent ~ of 6 000, van al de inwoners.
In de landen van de Generaliteit de ervaring van belijdenis stond helemaal anders want hier de
bevolking was sterk gehecht en trouw aan de Katholieke Kerk, en kerkbeleid was niet onder het gezag
van de provincies en van de steden maar dat van de Staten Generaal en de Raad van State. Toch was
de verhouding ten opzien van belijdenis samen beslist door de Zeven Provincien ~ en speciaal
Holland.
De enige streken waar de publieke godsdienst van het Katholieke geloof was toegestaan ~ onder de
1632 verordening, was in de Overmaas en Maastricht. De stad was de enige in de Republiek waar veel
kerken en goederen in Katholieke handen bleven, en waar Katholiek onderwijs en klooster-leven
bloeide. Als resultaat was er ook een onvergelijkbaar aantal priesters: in 1662, 515 ~ meer dan in
al de rest van de Republiek. De Katholieke inwoners te Maastricht zagen Protestanten als
vreemdelingen en bezetters. Desondanks, omdat het grootste garizoen hier was gelegerd, en omdat
Duitse Calvinisten hier vluchtten na 1633, was de Hervormde gemeenschap aanzienlijk ~ rond twintig
procent van inwoners bij het eind van de 17e eeuw. De Sijnode van Gelderland met gezag over de
Hervormde Kerk te Maastricht wilde niet de Lutherse godsdienst toelaten ~ iets dat gebeurde slechts
na de Franse inval en bezetting in 1672, en hun eerste kerk werd hier gebouwd in 1684. Joden
konden zich niet in Maastricht vestigen tot de 1790ers.
In de rest van de Generaliteit landen was het Katholieke geloof verboden. Op het platteland van de
Meierij werd het achteloos verborgen want de Hervormde Kerk had geen aanhang buiten soldaten en
ambtenaars. De hoofdsteden hadden een grotere Hervormde minderheid. De Staten Generaal
ondersteunde de Nederlandse Hervormde Kerk en de Waalse Kerk, maar had een beleid van
onverdraagzaamheid tegenover Protestantse andersgezinde kerken en Joden. De laatsten mochten zich
niet vestigen in Brabant tot laat in 18e eeuw.
Te 's-Hertogenbosch, Katholieke vergaderingen namen plaats zonder onderdrukking zolang zij klein
en onaanzienlijk bleven, maar ambtenaren die zo'n bijeenkomst in een particulier huis wilde stoppen
werden verdreven door een boze menigte. Maar toch stond het hier en te Breda anders dan in
Maastricht. Een welbekende Katholieke school voor Latijn te s-Hertogenbosch werd onderdrukt en
verplaatst door een vurig Hervormde school, en uitgebreid onderwijs door andere belijdenissen
kwamen tot een eind. Lutheranen kregen eindelijk in 1686 vrijheid van godsdienst. Alleen Breda ~
de thuis-stad van Nassau, volgde de overlevering van verdraagzaamheid van Willem de Zwijger.
Overal elders lag de Generaliteit onder een onverdraagzaam beleid door de Staten Generaal ~ bang
dat het Lutherse geloof een rivaal voor de Hervormde Kerk zou maken. In Bergen-op-Zoom Lutheranen
konden niet organiseren tot 1687; Grave had geen Lutherse gemeenschap tot diep in de 18e eeuw; in
Westerwolde waren zij onder een ban tot 1687 toen hen werd toegestaan een Kerk te stichten bij
Winschoten ~ zolang er geen luiden van klokken was of enig uiterlijk teken van een publiek geloof,
en geen aanstoot gaf aan de Hervormde Kerk.
Belijdenis en Verdraagzaamheid ~ de Eenheid van de Publieke Kerk
De regeringen in de provincies en steden in de Nederlandse Republiek werden aanhoudend
vooringenomen met het beschermen van de inwendige samenhang en bestendigheid van de publieke Kerk.
Want als eens de Hervormde Kerk naar verwarring af zou vallen (zoals vroeger gebeurde), dan heel
het gestalte van de politiek zou gescheiden worden en de maatschappij in oorlog met zichzelf zijn.
De partij van Oranje en die van de Staten beiden beschermde de Kerk voor deze reden ~ alleen oneens
met betrekking op hoeveel invloed over het publieke, maatschappelijke, en het leven van onderwijs,
aan de Kerk te verlenen. En het gevaar van volksgewone opstanden tegen verschillende meningen
moest altijd in aanmerking genomen worden.
Gedurende de 1650ers, spanning versterkte gestadig in de politiek over een nieuwe theologische
scheur in de Kerk, met aan een kant de ouderwetse Calvinisten en aan de andere een meer vrijzinnige
stroming in de Hervormde Kerk. Gijsbert Voet (geb. 1588 te Heusden) ~ een predikant, lid van de
Dordtse Sijnode, en krachtig bestrijder van de Remonstranten, was hoogleraar te Utrecht waar hij
een kring vormde van strenge levensopvatting. Hij trachtte de Hervormde kerkleer wetenschappelijk
te verwerken en een soort scholastiek te vormen ~ werd 'vader der Gereformeerde Kerk op dogmatisch
en kerkrechtelijk practisch gebieden', en wel de Utrechtse paus genoemd. Johannes Koch (geb. 1603
te Bremen) studeerde te Hamburg onder Joodse geleerden, en aan de Franeker universiteit waar hij
hoogleraar werd tot 1650 en naar Leiden ging. Zijn orthodoxie was onverdacht tot hij in 1658 niet
de geldigheid van het sabbatsgebod aanvaarde, en Voet een strijd met hem begon.
Het greep diep in het kerkelijk leven waarin ook de oude politieke tegenstelling gemengd werd.
Twee partijen ontstonden ~ de 'Voetianen' en de 'Kochejanen'. Al in 1659 verboden de Staten van
Holland het verder twisten, maar bij 1665 bestreed Voet zijn ambtgenoot Koch ten aanzien van zijn
gevoelen over een volkomen en onvolkomen vergeving der zonden. Voet zou hem opnieuw hebben
bestreden, indien de dood van Koch in 1669 het niet had verhinderd. Koch stelde de Heilige Schrift
steeds op de voorgrond tegenover belijdenisschriften en legde op de verklaring van de Bijbel meer
nadruk dan op de verdediging van de leer. Zijn 'Opera omnia' (in acht delen) werd door zijn zoon
uitgegeven in 1675 te Amsterdam, 1686 te Frankfurt, 1703 (in tien delen) weer te A'dam.
De scheur in de Nederlandse Kerk bracht weinig teweeg in Frankrijk en Engeland waar het als bizar
en verbijsterend werd geacht, maar in de Hervormde gebieden van Duitsland en Hongarije had het
gevolgtrekkingen tot diep in de 18e eeuw. In Nederland de strijd ging door ~ in kerkeraden en
sijnoden, voor veertig jaar en langer. In de politiek speelde het zich uit met de Staten partij
aan de kant van de volgers van Koch ~ want beiden wilden de kracht van belijdenis verzachten en het
ouderwetse Calvinisme niet de maatschappij, de politiek, en de publieke Kerk te laten overheersen.
Net zo zou de Oranje partij met de Voetianen staan omdat beiden de politieke overheersing (met de
belangrijke gevolgtrekking op belijdenis) door de Staten van Holland wilden verzwakken.
De strijd was eigenlijk het resultaat van een grote ongeduldigheid met de trage vooruitgang naar
een meer brede en zuivere reformatie van Kerk en maatschappij, en dit stond tegen de inspanningen
door het seculiere gezag van de provincies en steden om de geschillen niet de maatschappij te laten
verstoren. Voor waarnemers uit de vreemde de mate van geloofsvrijheid in de Republiek werd vaak
afschuwelijk en absurd gevonden. Gedurende de eerste decennia van de 18e eeuw, het debat berijkte
het toppunt in een verdediging op niet-kerkelijk, natuur-rechtelijk ~ in plaats van op theologische
~ principes gebaseerde redenering waarin werd verklaard dat 'de Almachtige is de enige meester van
ons geloof', zonder gezag van kerk over de individu. Onbeperkte verdraagzaamheid voor geloof werd
verontschuldigd op filosofische grond, en omvatte zelfs het recht om verkeerd te denken en slecht
gegronde meningen te houden, maar velen, of de meesten, van Nederlanders waren van mening om toch
niet de republieke, noch de theologische tolerantie te aanvaarden.

|
Vismarkt naast de St Jacobskerk te Den Haag door Jan Steen (1626-1679) ~ Gemeentemuseum, Den Haag.
|
Vrijheid en Orde
De meer waarnemenden onder bezoekers uit het buitenland zagen de merkwaardige vrijheid in de
Nederlanden, maar ook dat het een ingewikkeld verschijnsel was met wortels diep in een
vooringenomenheid voor orde en tucht. Niets van deze vrijheid was meer opgemerkt door
buitenlanders dan dat voor vrouwen van alle standen en soorten ~ zelfs jonge, ongetrouwde vrouwen
konden vrij gaan waar zij wilden, alleen en ongechaperonneerd, om te werken, zaken te doen, en zich
in besprekkingen te begeven bijna net als mannen. In de Nederlandse maatschappij, vrouwen waren
minder ondergeschikt tot hun echtgenoten dan overal elders (in Duitsland werd gezegd dat in Holland
'de hen kraait en de haan tokt maar'). De reden voor de vrijheid van vrouwen was het zelfde als
voor dat een man alleen, of de reiziger uit de vreemde, bij dag of bij nacht door stad en land kon
dwalen met weinig angst om beroofd of aangerand te worden: de individu was, en voelde zich, veilig
en zeker. Misdaden kwamen niet vaak voor; een huisdeur hoefde niet op slot zelfs met de inwoners
dagenlang afwezig; bedienden werden niet geslagen (zoals elders in Europa vaak gebeurde) ~ noch
met, noch zonder andere mensen aanwezig; en een man die zijn vrouw slaag gaf in eigen huis zou niet
door zijn buren worden verdragen, maar aan de authoriteiten opgebracht worden.
De bescherming van vrouwen en bedienden lag dan ook in de strenge aanpak van de maatschappij.
Tucht kon overal gezien worden; bij de burger thuis, op school, in de kerk, op de schepen, en in
het leger en de marine. De grootste druk voor tucht onder zeelieden, studenten, soldaten, en ook
wezen, vakleerlingen, en elk ander, kwam vanaf de hoofd steden en hun gemeenteraden. Er waren dan
ook verschillende ranken van politie, en vertegenwoordigers voor straffen, maar misschien het meest
belangrijke toezicht werd uitgeoefend door de buurtwachten ~ plaatselijke burger organisaties in
verschillende kwartieren van de steden onder verkozen burger leiders. De buurtwachten zagen als
hun taak niet alleen het bewaken van hun wijk tegen inbraak en diefstal en misdaad, maar ook om het
fatsoen te controleren, en de schout, schepen, of kerkeraad, kennis te geven over onaanvaardbaar
gedrag. Het moest zo want de schutterij ~ verantwoordelijk voor orde en voor de wacht te houden
bij het stadhuis, de poorten en de muren, gedurende de nacht ~ zou alleen uitrukken voor ernstige
verstoringen. De schout en zijn waarnemers waren aan het hoofd van de politie en maakten de
arrestaties in ernstige zaken, maar waren veel te weinig om alles zelf te doen (te Amsterdam, tegen
het eind van de 17e eeuw, de schout en zijn personeel telde slechts achtien personen. Te
Amsterdam, gedurende de 1660ers, ongeveer 300 licht bewapende burgers van de buurtwachten deden
regelmatige ronden door hun straten, voor welke zij vijf stuivers per nacht betaald kregen.
In 1669 werd te Amsterdam besloten om straatlichten te installeren. De beweegredenen waren
verschillend maar een hoofd reden was om orde en misdaad vermindering verder te versterken. Een
jaar later de hele stad was verlicht door 1 800 olielampen voor welke 100 lantaarn opstekers werden
aangezet; bij 1681 nog 600 lampen waren toegevoegd. Het had zulk goed gevolg dat het ook snel
aangenomen werd door Den Haag, Dordrecht en 's-Hertogenbosch, en andere steden in Duitsland
(Berlijn en Keulen) en Engeland.
De Nederlandse vrijheid was echt maar had strenge beperkingen ~ vaak zelfs minder verdraagzaam voor
verkeerd, andersgezinde, of uitbundig gedrag dan voor ongewone idee-en. In bijzonder, de
Nederlandse maatschappij was niet minder, maar meer, vatbaar dan elders in Europa om ontucht,
erotiek, onverborgen homoseksualiteit, en straat prostitutie te onderdrukken. Buitenlandse
waarnemers allen hadden opmerkingen dat betrof de 'koudheid' ~ koket-schuwend, en algemeen 'very
general good fame' van de Nederlandse vrouw. Wat zij zagen was in feite de sterke onderdrukking
van het erotiek, en misschien noodzakelijk als vrouwen zich vrij in hun dagelijks leven door de
maatschappij wilden bewegen. Dames in de hogere stand volgden begerig de laatste Franse mode, maar
draagden niet de jurken met lage nekken voor het pronken van de borsten zoals in Frankrijk,
Engeland, en Italie werd gedaan ~ een hoge neklijn was 'de rigeur' voor verfijnde dames en
dienstmeiden gelijk.

|
Arnold Houbraken (1660-1719) ~ Rijksmuseum, Amsterdam.
|
Prostitutie was algemeen in de Nederlandse maatschappij maar, in afsteking met in andere
Europeaanse landen, gekenmerkt door een afwezigheid van uitlokkingen op straat en een neiging om
bordelen onherkenbaar te maken ~ als een muziekhal of iets anders met een discrete bedekking over
wat boven werd gedaan. In taveernen en gasthuizen verspreid door de armere buurten en buitenwijken
laveerden hoeren in onopvallende wijze. Het bordeel was een beetje zoals de 'verborgen' kerken ~
idereen wist waar zij waren maar zij werden verdragen zolang geen overlast was veroorzaakt en zij
onschuldig bleken. (De aanpak was van 'als het niet gezien is wordt het gedeerd'.)
De onderdrukking van het erotiek strekte tot zelfs matig pornografische boeken en kunst ~ met
afbeeldingen meer dan tekst beperkt. In een land met zo veel vakkundige kunstenaren is het altijd
vermoedelijk dat sommige van hen de smaak voor het seksueel prikkelen zouden uitbuiten. Maar wij
weten maar van weinige instanties, en in beiden van de meest welbekende zaken werd een hoge prijs
betaald voor het afleveren van zulk werk. Stilleven schilder Jan Torrentius kreeg twintig jaar
gevangenis straf eigenlijk voor godslastering maar ook voor het maken van een serie pornografische
schilderijen; Romeijn de Hooghe werd rechtelijk vervolgd (op politieke animus) te Amsterdam omdat
hij erotieke etsen had gemaakt en verkocht.
De Hervormde kerkeraden waren ook een beslissend deel van maatschappelijke tucht. Gesteund door de
buurtwacht, en met de help van huis visites door predikanten en hun assistenten ~ de
ziekentroosters, de kerkeraad hield een voortdurende vinger op tegen onbescheidenheid, vrije
liefde, ruwheid, te veel drinken, oneerlijke faillissementen, enz. De kerkeraad wist wel dat
veel ~ misschien meest, van overspel en ontucht door hen niet uitgevonden werd, maar als het er
bewust van was moest het onderzocht en bestoken worden. De kerkeraad kon geen open uitdaging van
de maatschappelijke normen verdragen, speciaal ~ zoals in de zaak van Rembrandt en Hendrickje
Stoffels ~ als er ook een element van verzet in zat. Het dagvaarden van de huishoudster in 1654
voor 'als een hoer te leven met Rembrandt de schilder' was een vaste regel van dit soort. Een
jonge Haarlemse weduwe met een onechtelijk kind was verbannen van het Avondmaal voor drie jaar in
1700; een andere vrouw ~ ook te Haarlem in 1705, voor vier jaar.
School, Geletterdheid, en de Hervorming van Volksgewoon Kultuur
Veel vroeger dan 1572 werd in de Nederlanden ~ noord en zuid, al meer geletterdheid gevonden dan in
enige van haar buurlanden ~ te danken aan de grote verhouding van de bevolking welke in steden
woonden. Maar ongetwijfeld de Revolutie en de overwinning van de Hervormde Kerk in het noorden, en
de Katholieke Kerk in het zuiden, gaf veel meer bewegingsstuwkracht aan onderwijs en bracht het
peil van geletterdheid nog hoger. Maar er was een groot verschil tussen noord en zuid ~ welke
beiden waren toegeweid aan de belijdenis van hun bevolkingen. In het zuiden de katechismus werd
meer versprijd bij mond terwijl in het noorden was meer nadruk op de Bijbel en het lezen van het
katechismus. Het verschil in geletterdheid tussen noord en zuid werd nog lang gevonden: in 1843,
51 procent van leger rekruten in Belgie was analfabeet maar ongeletterden waren enkel 26 procent in
Nederland. Het is duidelijk dat in de Nederlandse Republiek mannen en vrouwen een peil van
geletterdheid berijkte ~ en een letterkundige kultuur, dat was uitzonderlijk in Europa en werd
elders niet normaal tot eeuwen later. In 1593, buitenlandse waarnemers waren verbaasd dat zelfs
dienstmeisjes konden lezen.
Een gevolg van de grote verbreiding van geletterdheid was het verspreiden van technische
wetenschappen dat gaf meer gunstige gelegenheden aan jongens van bescheiden achtergrond (zoals bv.
de grote admiraal de Ruijter). Het gewone volk ~ zeelieden, schippers, handwerkers, en
huisvrouwen, was nu ook in staat de ontwikkelingen in de politiek en kerk te volgen door de
pamfletten te lezen die in grote hoeveelheden van de drukpersen afrolden vanaf de 1570ers.
Het onderwijs in het noorden werd vastgelegd door de Staten Generaal, welke zette de leraren aan in
de 'publieke scholen' en gaf vergunningen voor prive leraren aan de stedelijke raad en op het
platteland aan de adel of degenen die de adelijke rechten hadden gekocht (in Holland en Zeeland
meestal de steden). De provinciele Staten gaven aan de publieke Kerk een belangrijke adviserende
rol in benoemingen en met het helpen van arme ouders om hun kinderen naar school te kunnen sturen,
en een overheersende stem in het rooster van de 'publieke scholen'. Een wezenlijk doel van het
lagere onderwijs was tucht. Kinderen moesten stil zitten luisteren gedurende de lange Hervormde
kerkdiensten onder toezicht van hun schoolmeesters. En het was niet alleen hier dat zij zich
eerbiedig moesten bedragen: het werd vereist dat ook op straat een kind het hoofddeksel af zou
nemen en opzij zou stappen voor volwassenen.
Elke zuil van belijdenis in de Nederlandse maatschappij strijdde naar het doordringen op
gemeenschappelijke en zedelijke tucht. In de gemeenschappen van Joden, de raad van ouders dwong
het streng. Voor strenge Protestanten (de Mennonieten) was er ook een noodzakelijke nederigheid
van de individu aan de ouders en de raad. De Doopsgezinden kleefden aan strenge zedelijke regels
voor gedrag ~ zelfs ontmoedigden lachen.
De Hervormde Kerk was (zoals altijd) diep gescheiden door theologische twisten, welke (altijd) in
de maatschappij afspeelden ~ speciaal over levensbeschouwing op onderhoud, en de sabbat. Sinds
midden-1600 werd een verdere reformatie door het volk van de Republiek gezocht ~ een meer
goddelijke maatschappij met hervorming van gedrag en zeden. De strijd werd zelfs uitgevochten in
de politiek van stadsraden en door de regenten van de Staten. Bezwaarschriften eisden het
aanzetten van meer predikers, strenge regels tegen roken, drinken, schelden, godslaster, en het
breken van de sabbat ~ ook het zondag sluiten van taveernen, het onderdrukken van Katholieke
gemeenschappen, en dat 'overspel moet strikt bestreden worden net als bordelen en hoeren met
dezelfde strenge straffen voor gewoon hoereren'.
Te Amsterdam de kerkeraad had een verbod op dansen tot 1650 en dan alleen 'met toezicht op tijd,
omstanden en mensen', maar predikanten riepen er tegen van de kansel, en in 1681 de raad regelde
dat als het dansen begon op een bruiloft een prediker van de publieke Kerk moest verlaten om zijn
afkeuring te laten zien. Voor sommigen het toneel, waar nu ook vrouwen optraden, moest zonde zijn.
'Lucifer' van Vondel werd verbannen na twee voorstellingen in 1654 te Amsterdam; in Den Haag en
Rotterdam het toneel ging achteruit, en werd in Utrecht verboden 1662. Zelfs het kerkorgel werd
betwist, en soms verwijderd.
De Verdere Reformatie berijkte de hele maatschappij van de Republiek in de laatste decennia van de
17e eeuw. Ondanks het versprijde gezag in de Verenigde Provincien, was het land in feite verenigd
~ niet alleen door haar vervoermiddelen, financien, en handel. Het was op hoge mate kultureel
verenigd. De meest welbesproken predikanten die de mensen kon overtuigen van de kansel en op
straat, dienden in verschillende provincies en hun benoeming was eigenlijk van 'nationaal' belang.
Te Arnhem na 1675 een sterke daal in geboorten van onwettelijke kinderen wijst op een vermindering
van buitenechtelijke seks ~ dat hield vol tot de 1720ers.
De Verdere Reformatie eisde dat kerkeraad en kansel verlost werden van de stadsraad, en niet
overheersd door de regenten in de Staten van Holland, maar het vroeg ook bij welk recht de publieke
Kerk zocht om macht uit te oefenen over het leven van de gemeenschap en de individu. Het zag de
vrije liefde van Maurits en Willem II, en vroeg hoe het publiek vertrouw kon geven aan de vurige
Calvinistische predikanten die de prinsen zulk hoog aanzien gaven.
Het Maken van de Echte Vrijheid
Geen prins berijkte soevereine macht in het noorden van Nederland na 1572. Oranje had beloofd
altijd de staten te raadplegen, maar het was niet tot 1587 dat een totaal republiek sijsteem
ontwikkelde waarin Holland, misschien niet in theorie maar zeker in praktijk, hoog in alle
beslissingen doemde, in militair commando, en aanstellingen. Het kwam tot een eind met de 'coup
d'etat' van Maurits in 1618, en daarna hield de Stadhouder de grootste macht.
Met het sterven van Willem II in 1650 greep Holland weer naar de teugels en de Gecommitteerde Raden
beweerde het gezag over het leger en riep de volle Staten naar een spoedvergadering. De regenten
die gevangen zaten te Loevenstein werden vrij gezet en namen hun ambten weer aan. Slechts dagen na
de dood van de prins stelde Holland aan de Staten Generaal voor het verzamelen van de provincies in
een speciale 'Grote Vergadering' om te besluiten hoe de Unie zich moest handhaven in de ongehoorde
omstandigheid waarin de Verenigde Provincien verkeerde.
De meeste van de grondleggende hervormingen van de overheid, en macht, werden beslist voor de
bijeenroeping vergaderde te Den Haag in 1651. De Staten van Holland vertoonde geen verlangen om
iemand als Stadhouder te benoemen welke zetel de prins door zijn dood had verlaten en het bleef
onbepaald leeg. Holland stuurde een delegatie naar Zeeland om ook daar de benoeming van een
Stadhouder te voorkomen na de geboorte van Willem III. In Friesland Willem Frederik was
Stadhouder, maar van al de andere provincies alleen Groningen en Drenthe kozen voor het Huis van
Nassau en benoemden hem ook hun Stadhouder. De steden konden vanaf deze tijd schepenen,
burgermeesters, en vroedschap leden verkiezen, onder toezicht van de Staten maar zonder andere
buitensteedse interventie.
Niemand in Holland had vergeten dat het was Willem Frederik die troepen tegen Amsterdam op had
laten rukken, en de Staten zochten om de strijdkrachten onder de Raad van State en de Staten
Generaal te zetten. Leger officieren stonden hier tegen omdat de regenten niet de gewenste
ervaring in militaire belangen hadden, en promotie en benoemingen meer op de politiek dan
verdiensten neer zouden komen. Maar de Grote Vergadering plaatste Jan Wolfert van Brederode aan
het hoofd der krijgsmachten als veldmaarschalk en verzekerde Holland dat geen politieke macht aan
de positie werd verleend. De sleutels voor de stadspoorten, vroeger in de handen van de militaire
goeverneur, werden aan de burgermeesters overgedragen, en het rechtsgebied over soldaten verplaatst
van het leger naar gemeentelijke schepenen.
Sinds het begin van de Unie waren de stemmende provincies tot zeven gebleven, maar zouden andere
gebieden ~ speciaal de Staten Brabant en Drenthe, blijvend uitgesloten worden ~ en als dat zo
moest, met welke rechtvaardiging? Al vanaf 1648 hadden de steden van Brabant ~ met aan het hoofd
's-Hertogenbosch en Breda, steun gezocht bij de provinciele staten voor toegang als een stemmend
lid van de Staten Generaal. Drenthe zond ook delegaties naar verschillende provinciele staten
zoekend voor toegang als een volstemmend lid. Alleen Holland stond hen tegen, bang dat het de
stem van haar provincie in de Generaliteit zou verminderen.
In de maanden van de Grote Vergadering, verschillende provincies vervielen naar inwendige
onstandvastigheid: scheidingen verhevigden tussen de kwartieren van Gelderland; een kloof
verscheen tussen de stad Groningen en de Ommelanden; en Zeeland werd ook aangetast door inwendige
spleten dsat veroorzaakten demonstraties in Zierikzee en Tholen, en ernstig oproer te Middelburg.
Het maakte duidelijk hoe belangrijk de Grote Vergadering was als een sijmbool voor de eenheid van
de Verenigde Provincien. Het werd nu vanzelfsprekend dat de mindere provincies waren zodanig zwak
en instabiel, dat de bestendigheid ven Holland de rots was waarop alles steunde ~ de zuil van de
Republiek, haar handel, scheepvaart, internationaal aanzien, en de militaire en marine krachten.
Doch Amsterdam genoegdoening zocht over het gebruik van het leger tegen de stad, de Grote
Vergadering besliste op een generaal pardon voor Willem Frederik, en het kwam tot een einde onder
vertoon van eensgezindheid en met een gevoel dat was haast euforie.
De Eerste Engelse Oorlog en de Seclusie Crisis
Een geriefelijke inschikkeling over handel en scheepvaart bestond tussen Engeland en Nederland tot
het Munster vrede verdrag in 1648 een eind maakte aan de Spaanse blokkaden in de Levant en Spaans
Amerika, en de zeerovers uit Vlaanderen. Nederland nam het maritieme primaatschap van Engeland en
dit veroorzaakte een sterke economische achteruitgang in dat land. Het parlementair regime van
Cromwell te London zocht eerst voor diplomatieke oplossingen, en in 1651 (terwijl de Grote
Vergadering bijeen kwam) een Engelse delegatie stelde een politieke unie voor ~ zoals eerder met
geweld was opgedrongen aan Schotland. De Nederlandse vertegenwoordigers gaven hier geen antwoord
op maar zochten voor andere middelen om de spanningen te verminderen. De Engelsen maakten het
duidelijk dat als Nederland niet een onderschikking zou aanvaarden, spanning van een andere soort
het gevolg zou worden.
Dit duurde niet lang. In Augustus 1651 de 'Navigation Act' verbood het importeren van goederen in
Engeland op Nederlandse schepen. Nederlandse handelaren en schippers waren verontwaardigd, maar
dit alleen was niet genoeg om oorlog te veroorzaken. Wat maakte her zeker was het stijgen van
belemmeringen aan de Nederlandse scheepvaart, op de open zee, door de Engelse marine en
vrijbuiters in een grootschalig geteister dat in het eerste jaar bijna 200 koopvaardijschepen in
beslag zag genomen.
Vanaf 1649 had het Engelse parlement haar marine groot verbreid, terwijl de Nederlandse was
verloederd (zelfs het vlaggeschip van Tromp ~ 600-ton, 57 kanonnen, was verkocht door de
admiraliteit) en het had maar 79 oorlogsbodemen ~ oude schepen, slecht onderhouden en uitgerust.
Tromp en De Ruijter vertoonden vastbesloten flair maar konden niet op tegen de Engelse vloot dat
had veertien 'first-rate' schepen met meer en groter geschut dan het meest zwaarbewapende onder het
bevel van de Nederlandse admiralen. Het hoge aantal gesneuvelde en gewonde marinieren putte het
moreel in de thuishavens van Zeeland en Holland gestadig uit. In twee grote verslagen in 1653
verloor de marine 23 oorlogsschepen, duizenden zeelieden en haar admiraal Tromp. De marine kon de
kolonien niet verdedigen en Portugal hernam welvarend Nederlands Brazil ~ een grote vernedering
voor de Staten Generaal en de WIC. Gedurende de loop van de oorlog werden ook 1 200
koopvaardijschepen verloren, en de koloniale scheepvaart moest tijdig worden onderbroken.
In Engeland 'press gangs' bezorgde de bemanningen voor de marine, maar dit was niet gepermitteerd
aan de Nederlandse admiraliteit als onverenigbaar met de vrijheid dat was de verkondigde grondslag
van de Republiek. De Staten kon niet anders dan ongehoord hoge maritieme lonen en toenemende
compensaties aan gewonden te betalen. Vanaf September 1653, mannen verminkt met verlies van een
linker arm kregen 266 gulden (ongeveer een jaars loon voor een handwerker), en voor een rechter
arm 333 gulden, 1 066 gulden voor het verlies van beide armen ~ of ogen, en half dat voor beide
benen. In 1664 (net voor de tweede Engelse oorlog) werd deze compensering nog hoger: 1 500 gulden
voor het verlies van beide armen of ogen.
Het verlies en de groeiende betrokkenheid verwekte een opwelling van verontwaardiging in de
bevolking, en anti-regent, Oranjegezinde gevoelens. Friesland, Groningen, en Zeeland, spoorden de
Staten Generaal aan tot de benoemingen van Willem III (doch nog een kind) als kapitein-generaal en
Willem Frederik als luitenant kapitein-generaal, maar Utrecht, Overijssel, en Gelderland, waren te
veel gescheiden om tot een besluit te komen. Oproer stoorde Dordrecht, Den Haag, Rotterdam,
Alkmaar, Hoorn, Medemblik, Enkhuizen, Middelburg, Zierikzee, en Bergen-op-Zoom.
Engeland won de zeeslagen op de Noordzee maar kon de oorlog niet winnen. Terwijl de Nederlandse
vloot thuis verder werd uitgerust, kon Engeland de Nederlandse macht over de grote zeekoersen niet
breken, en haar koopvaardij leed grotere schade dan de Nederlandse. Uiteindelijk werd het
onmogelijk om de oorlog verder te voeren. De Oostzee was gesloten aan de Engelsen, en in de
Levant hetzelfde nadat koopvaart en marine vloten werden vernietigd voor Livorno in 1653; in de
Oost Indien de VOC stond hoogst van de Golf van Perzie tot de Zee van China. Zelfs in de Noordzee,
Nederlandse zeerovers veroverden zoveel Engelse koopvaartschepen als Engelse deed Nederlandse.
Maandenlange onderhandelingen liepen uit op een vrede verdrag dat werd bekrachtigd door de Staten
Generaal in April 1654. Het had een geheim aanhangsel waar niemand behalve Holland van wist dat
bepaalde dat het Engelse Parlement de vrede niet zou bekrachtigen zonder het aannemen door Holland
van een Acte van Seclusie (het gevolg van de noodlottige verbintenis tussen Oranje en Stuart).
Het eisde dat de Republiek nooit meer een Prins of enig lid van het Huis van Oranje-Nassau zou
benoemen tot 'high charges' van de staat ~ als stadhouder of kapitein-generaal. Oproer volgde
nadat dit bekend werd, en velen van de Hollandse steden in de Staten, en van de adel in het
ridderschap, stonden het tegen, maar ~ liever dan de provincie te scheiden ~ voerde de volle
Staten van Holland het uit.
Het geschreeuw in het land en in de publieke Kerk was woest. Johan de Witt (geb. 1625 te
Dordrecht) was raadpensionaris van Holland ~ een Calvinist met het gewone regenteninzicht in de
verhouding van Kerk en staat. Hij werkte bedaardig om de andere provincies te overtuigen de
toestand aan te nemen. Een week nadat de de Seclusie was aangenomen sprak hij voor twee uren met
Willem Frederik te Den Haag, maar faalde om de laatste zijn overtuiging te verminderen dat het
eigenlijk de Witt zelf was die achter de zaak stond. In Mei de Staten van Friesland riep de Staten
Generaal op de Acte te herroepen. Het publiek stond sterk tegen de uitsluiting van Oranje, maar
de provincies waren relatief gedempt; Friesland stond alleen.
De Witt schreef een 'Deductie', dat werd uitgegeven door de Staten van Holland in 1654, waarin hij
verschillende belangrijke principes beweerde. Volgens hem was de Unie van Utrecht niets meer dan
een verbond van zeven 'soevereine staten', en elk van hen bleef vrij om hun eigen regeling te maken
met betrekking tot Stadhouders, en erken of niet een kandidaat voor kapitein-generaal, zonder
verwijs naar andere provincies. De Witt beweerde dat als het beproefd werd tegen de 'toetssteen
van de echte en onvervalsde vrijheid', het eigenlijke doel van de beoordelaar van Holland
zichtbaar schadelijk was aan 'onze duur gekochte vrijheid'. 'Iedereen moet beseffen,' schreef
hij, 'dat hoge plaatsen niet kunnen overgedragen worden ~ in een republiek, aan hen wiens
voorouders deze ambten bekleedden, zonder aanzienlijk gevaar aan de vrijheid.'
Het Sijsteem van de Witt
De regenten stelden zich tegen de exclusie omdat het Hollandse volk de uitsluiting van Oranje
sterk afkeurde, maar zij stonden het niet werkend tegen. De Witt en zijn collegas hadden het volk
tegen hen en ook de adel en regenten van de mindere provincies, maar Holland stond sterker dan
ooit. Het kon nu de andere provincies naar haar wil buigen ~ in plaats van interventie te moeten
toelaten (zoals in 1618), en nu stond het leger onder het bevel van de Staten van Holland. Als
Engeland de oorlog had gewonnen, won Nederland de vrede met de overheersing van de rijke handel
op de Levant, Italie, Spanje, en Amerika.
Toen veldmaarschalk Baron van Brederode stierf in 1655, stelde de Witt voor aan Willem Frederik
(Stadhouder van Friesland, Groningen, en Drenthe ~ en nu ook waarnemend stadhouder van Overijssel),
dat hij misschien bevelhebber over het leger kon worden als hij zijn eigen benoeming en dat van
Willem III tot stadhouder van Overijssel onwettig zou verklaren. Het opstel scheen zelfs
twijfelachtig aan zijn eigen partij. Amsterdam was ontzet over de mogelijkheid dat de man die het
leger tegen haar had opgetrokken nu het weer zou commanderen. Het vroedschap erkende de
noodzakelijkheid om een ervaren en gezaghebbende bevelhebber snel te benoemen om tucht en orde te
handhaven in het leger, maar hij moest ook politiek betrouwbaar zijn. Daarvoor steunde het de
kandidaatschap van Graaf Johan Maurits van Nassau-Siegen, Stadhouder van Cleves.
Het doel van de Witt was om de 'echte vrijheid' te versterken door het leger absoluut te
onderschikken aan burger beheer. In December 1655 een pakket was voor de Staten Generaal gezet
dat bedong nieuwe 'instructies' voor de veldmaarschalk van het leger welke in de toekomst nooit
ook de ambt van stadhouder kon bekleden. Ook bedong het pakket dat geen verdere redetwist over
de Acte van Seclusie aanvaardbaar was. De 'Harmonie' als het werd genoemd, vond geen makkelijke
doorgang in de Staten Generaal, waar niet alleen Oranje schilddragers het tegen stonden maar ook
sommigen van de Staten partij die dachten dat 'staal is altijd sterker dan papier'. In 1656
Willem Frederik werd ontgoocheld over zijn overeenstemming met de Hollandse pensionaris en ging
terug naar de Oranje partij.
Op een vergadering in Januari 1657 toen de 'president-van-de-week' in de Staten Generaal een
Oranjeman was, en met maar vijf van de zeven provincies vertegenwoordigd, Willem Frederik werd
benoemd to veldmaarschalk (zonder de nieuwe grondwettige beveiligingen) bij vier stemmen tegen
Holland. De Gecommitteerde Raden van Holland (en de Witt) waarschuwden de Staten Generaal dat de
regimenten welke betaald werden door Holland niet onder het bevel zou worden geplaatst van een
'onwettig' benoemde commandant. Holland kon niet aanvaarden dat het overstemd kon worden in de
Staten Generaal, want als dat zo was dan de 'coupe d'etat' van Maurits in 1614 en de handelingen
van Willem II in 1650 zouden ook wettig geweest zijn. Een maand later werd het besluit voor de
benoeming overworpen bij vier stemmen tegen drie (Friesland, Groningen, en Zeeland).
Overijssel had, na een lange onoplosbare politieke worsteling, twee Staten ~ te Zwolle (erkend door
de Staten Generaal) en te Deventer (gesteund door Holland), met de steden gescheden ertussen. In
1657 Hasselt en Steenwijk stuurden hun belastingen naar Deventer in plaats van naar Zwolle, en dit
begon een korte burgeroorlog waarin Hasselt werd gebombardeerd en belegerd welke werd afgebroken
na een veldslag nabij. De Witt en de Gecommitteerde Raden hadden genoeg en met de Staten Generaal
zette de zaken terug naar de 'status quo' ~ en verklaarden de benoemingen van Willem III en Willem
Frederik ongeldig. Het was een klap aan de Overijssel Oranje partij, maar Zwolle en Kampen stemden
in, en de toestand kalmeerde, maar de provincie bleef gescheiden.
Holland trad ook op in de opwinding tussen Groningen en de Ommelanden; er was oproer in de stad
maar troepen, gestuurd door Stadhouder Willem Frederik, werden terug getrokken nadat de bevolking
hen bekogelden met stenen. In 1659 een 'reglement' bepaalde dat de kwartieren van de Ommelanden
verder verdeeld werden in subkwartieren om de macht van de jonkers te verminderen. Gedurende
dezelfde tijd greep Holland ook in als tegenstand aan prinselijk absoluutisme in de Duitse landen
van Munster, want de binnenlandse gebieden (Twenthe en Gelderland) van de Republiek werden
bedreigd door een strijd tussen Katholiek, Calvinist, en Lutherse, politieke stroomingen buiten
haar grenzen (van oost Friesland tot Aachen).
De Witt was bekend als een politicus van de 'raison d'etat' stijl, maar vurig republikaans en
grondig anders dan dat van de prinsen en monarchen. Het was een 'raison d'etat' dat verachtte
territoriale uitbreiding, militaire kracht als een doel op zichzelf, en de concentratie van macht
in de staat. Hij spande zich in voor de bescherming van de staat, haar onafhankelijkheid zonder
buitenlandse interventie, en voor de bevordering van haar handel en scheepvaart. De Witt zag
overal in Europa, behalve in de republiek van de Verenigde Provincien, koningen en prinsen die
niets zochten maar dijnastisch voordeel en territoriale verheerlijking ~ doelen die vaak tegen hun
eigen bevolkingen stonden.
Zuid en Noord na de Vrede tussen Frankrijk en Spanje
Een nieuw tijdperk begon in beide gedeelten van Nederland in 1659 met het eind van de oorlog tussen
Frankrijk en Spanje ~ een oorlog dat had de actualiteit van Europa overheerst sinds 1635. Voor de
vrede had de Republiek geen rol in het zuiden, want het was de teugel van Frankrijk voor Spanje en
haar grootste legermacht was onderhouden in de Lage Landen. Met de vrede de vloed van geld van
Madrid naar Antwerpen voor het leger van Vlaanderen droogde op ~ het leger krimpte van 70 000 in
1658, tot 33 000 bij 1661, en niet lang daarna tot 20 000; in 1690 was het nog maar 15 000-man
sterk, en bij 1695 slechts 6 500. Van 1667 tot 1712 ervaarde zuid Nederland herhaaldelijke Franse
invallen, maar het vertoonde opzienbare veerkracht als een politiek en kultureel wezen en in haar
economie. Stedelijke industrien in Brabant en Vlaanderen gingen achteruit, maar de Vlaamse
landbouw had nog een hoge produktiteit en de linnen industrie bracht ook veel werk op het
platteland.
De vurige contra-reformatie dat door het zuiden had gewoest had het een onneembare Katholieke
vesting van de oude stempel gemaakt. Bijna all kinderen gingen naar Katholieke zondagscholen en
de helft van hen woonden lessen bij in Katholieke scholen. Nederlandse Protestantse garizoenen, in
veel van de steden vanaf 1689, wekte geen angst op en hadden weinig invloed op de maatschappij.
Gebrek aan eerbied voor de Katholieke Kerk werd niet verdraagd, maar Spaans Nederland was niet
Spanje; er was gelegenheid voor geloofsverschillen zolang deze zich niet in het openbaar uitte
(de Paus klaagde in Madrid dat het regime te Brussel blind was tegenover Joodse godsdiensten in
Antwerpen). Maar het bleef een feit dat noch het gezag, noch de leer, van de Katholieke Kerk
betwist mocht worden.
De herstelling van het Huis van Stuart in Brittanie was voor de Republiek reden voor zorg en
tegelijkertijd voor optimisme. De Oranje partij kon hopen voor een herstelling van voorspoed met
de Engelse koning een oom van de tien-jarige Prins van Oranje, maar regenten en groothandelaren
konden ook hopen voor een betere verhouding met Engeland en voor ongestoorde handel en zeevaart.
Te Amsterdam, sommige optimisten in het vroedschap hoopten zelfs dat de gehate Navigation Act van
1651 nietig verklaard zou worden.
De Witt was bezorgd over de genegenheid dat provincies en steden vertoonden aan Karel II
gedurende een verblijf te Breda en Den Haag in 1660, en het meest over de gewilligheid van regenten
om meer eerbied te geven aan het Huis van Oranje nu dat het beter stond met het herstel van de
Stuarts (Mary, moeder van Willem III, was tenslotte de zuster van de Engelse koning die haar de
titulatuur 'Princess Royal' gaf). De Hollandse pensionaris had een grote wantrouw voor de
politieke en dijnastische ambities van Oranje, dat nog verhoogd werd toen Amsterdam, Haarlem, en
Leiden, moeder en zoon uitnodigden voor officieel bezoek met kwistig gegeven spektakels dat
loofden Oranje en het verleden van zijn Huis.
Tezelfdertijd, als een essentieel deel van de Amsterdamse 'Engelse' strategie, een speciale
embassie van de Staten Generaal bracht een weelderig geschenk naar London ~ zo groots en prachtig
om al de vroegere geschenken te overschaduwen. Het was het meest schitterend geschenk de
Generaliteit ooit aan een vreemde vorst had gegeven, en bestond uit werk door de hoogst vermaarde
Nederlandse schilders, het puikje van Italiaanse schilderijen in de Republiek, en een mooi jacht,
de 'Mary'. Karel II was ook een 'begrip' gegeven voor een vriendschap verdrag dat vroeg voor
vrije handel (dat betekende de afschaffing van de Navigation Act), en het principe van 'Vrij schip,
vrij goedt' ~ om hinderingen van de koopvaaart op de open zee de voorkomen.
Op haar buurt stuurde Prinses Mary verzoeken naar de staten van alle provincies om haar zoon aan te
duiden voor hoge ambten en waardigheden, welke de Prinsen van Oranje vroeger hadden gehouden.
Zeeland stemde meteen in en vroeg de Staten Generaal om Willem als toekomstige Stadhouder en
kapitein-generaal van de Unie te benoemen (doeltreffend op 18-jarige leeftijd). Friesland voegde
toe dat een zetel in de Raad van State hem moest worden toegewezen op zijn zestiende jaar. De
Staten van Gelderland en Overijssel gaven goedkeuring by stem te kennen. Karel II zag het
allemaal nauw aan.
De Acte van Seclusie werd zeker een dode letter toen Leiden en Haarlem voorstelden om de Prins tot
Stadhouder van Holland te benoemen. De Witt zocht het te voorkomen door een pensioen aan te bieden
voor de Prins, en hij haalde Prinses Mary in met een afspraak waarbij de Prins een 'Kind van de
Staat' zou heten dat onderwijs en opleiding voor hoge ambten zou krijgen van de Staten van
Holland. In September 1660 herriep Holland de Acte. Net leek het dat de Witt de zaak tijdelijk
had gered voor de Staten partij, toen Mary stierf van de pokken. Zij had haar broer, de koning,
benoemd als voogd over de jonge Prins. De zaak zou niet makkelijk worden.
De onderhandelingen te London over het 'begrip' voor vriendschap gingen niet goed. De Navigation
Act werd niet afgeschaft maar hernieuwd en weer uitgegeven door Karel II over zijn eigen naam.
Het oude gekift tussen de twee Oost Indische Compagnieen vertoonde geen teken van verzachten ~ maar
werd eigenlijk erger. Nieuwe spanningen verrezen in de Caribische gebieden en west Afrika, en een
nieuwe acte van het parlement zou buitenlanders het vissen verbieden voor tien mijlen van de
Engelse kust. In Holland zelf had de Oranje partij veel grond verworven sinds 1650, en het
voorstel van de Witt voor het onderhoud van de Prins van Oranje werd tegen gestaan door Leiden,
Haarlem, Enkhuizen, Rotterdam, Gorcum, Schoonhoven, en Purmerend.
De conflicten speelden zich uit in de politiek over meer dan twee jaar totdat in 1662 een verdrag
van verbond met Engeland eindelijk was getekend, maar het had zo lang geduurd en zo betwist dat het
geen hechte vriendschap tussen de twee landen betekende en de Oranje partij kreeg er geen voordeel
uit. In Holland en Zeeland de Staten partij had zelfs eenstemming gevonden over het
stadhouderschap en een vrede met Portugal. De Engelse ambassadeur schreef dan ook naar Karel
II dat De Witt "made report in the Assembly of the Estates of Holland . . . that neither Province
will speake of bestowing any charge upon the Prince of Orange until he come to eighteen years of
age."
Bij 1663 had De Witt een merkwaardige serie goede gevolgen in de diplomatiek en politiek behaald.
Verdragen met Engeland, Frankrijk, en Portugal werden besloten, en het dispuut (vanaf 1648) met
Spanje over de Overmaas was uitgemaakt met de Nederlandse-Spaanse afscheiding waarbij Valkenburg,
Heerlen, en Dalhem, aan de Republiek gingen.

|
Nicolaes Maes (1634-1657) ~ Dordrechtsmuseum, Dordrecht.
|
Ideologische Twisten
In de 1660er jaren woestte er weer een ideologische strijd door de politiek, de maatschappij, en
de kultuur, dat bracht voort het meest veelomvattende en belangrijke debat van de Gouden Eeuw ~ en
het ging over de aarde van de Nederlandse staat, over erfelijke macht, en republieken. Het was nu
al langer dan een decennium sinds de ondergang van Willem II, en de geldigheid van de 'echte
vrijheid' was vastgesteld als een begrip in de publieke geest en verstand. Maar toch leefde in
het volk een verlangen naar een 'verhevend hoofd' ~ afgestamd van de Vader des Vaderlands, die over
Staat en Kerk zou staan, dat was nog zo diep geworteld als ooit.
Boeken stookten de vuren. De 'Stadhouderlijke regeeringe in Hollandt' (1662) door Johan Uijtenhage
de Mist, beweerde dat Willem de Zwijger was noch de oprichter, noch de beschermer, van de
'Nederlandse vrijheid'. Maar het boek 'Interest van Hollandt' (ook in 1662) door de internationaal
bekende en veelbetekenende schrijver Pieter de la Court (geb. 1618 te Leiden) verlokte een grote
opwinding door heel de Verenigde Provincien ~ het argumenteerde dat Holland was, en zou altijd,
beter zijn zonder een Stadhouder. De la Court oogste nog meer invloed met 'Politieke discoursen',
een uitwerking van een tekst door zijn broer Jan, geschreven in rechtstreeks, ongekunsteld
Nederlands, gericht op een breed publiek. Het stelde dat al monarchie het belang van de burger
benadeelt, want enig deel van erfelijke macht maakt vrijheid en algemeen welzijn ondergeschikt aan
dijnastische betrekkingen ~ daarom heeft een republiek burgers; en een monarchie, onderdanen. De
vrijheid en algemeen welzijn zou ook niet gedijen, stelde De la Court, zonder beperkingen op de
invloed van de Kerk in het publieke domein buiten haar gepaste terrein.
De publieke Kerk was sterk beledigd en de Leidse kerkeraad berispte De la Court over de aanval op
haar predikers als machtlustig, en als vijanden der vrijheid ~ en verbande hem van het Avondmaal.
Maar een nog groter dispuut over de vorm van de Staat en de plaats van de Kerk zou nog komen. In
vroegere maatschappijen was het bidden voor de regering een belangrijk gedeelte van de politiek en
de gewone kultuur ~ en zo was het ook al lang geweest in de Verenigde Provincien. Het probleem was
dat (desalnietemin het gebrek aan een Stadhouder) sommigen van de predikanten nog steeds hielden
aan gebeden voor de Prins van Oranje ~ aangepast voor de Staten van Holland in een manier dat niet
innemend was aan de Staten partij. Om uniformiteit te bereiken bracht een committee van de Staten
van Holland een goedgekeurde formulering uit voor gebruik door de Kerk. Het werd in 1663 naar al
de stadsraden gestuurd met de aanwijzing dat kerkeraden gehoorzaamheid moesten dwingen aan de
nieuwe formulering ~ welke bevool dat het bidden voor wereldlijk gezag altijd begin met een gebed
voor de Staten van Holland, 'onze wettige en hoogste regering'. Hierna kon gebidden worden voor
de Staten van andere provincies, dan voor de Staten Generaal, ten laatste voor de stadsraad, en
nooit voor de Prins of het Huis van Oranje.
Friesland ontzegde de Hollandse kerkelijke formulering als tegenspraak aan de praktijk gevolgd
voor langer dan tachtig jaar, beweerde met klem dat de Staten Generaal de hoogste en soevereine
autoriteit was over al de Verenigde Provincien, en eisde dat Holland de formulering nietig
verklaar. Zeeland aarzelde, ongewillig om Holland tegen zich in het harnas te jagen, maar
Gelderland veroordeelde haar. De hele zaak werd vurig gevolgd door het publiek als het zich
langzaam door de Staten sleepte, en ook in de stads- en kerkeraden een langdurende kwestie
bleef. Gevaar vanuit het buitenland verenigde de provincies weer. De prins-bischop van
Munster had een van de grootste legers in Duitsland verzameld, en werd gesteund door de
koningen van Engeland en Frankrijk. Gelderland en Overijssel wisten hulpeloos te zijn zonder
Hollandse bescherming, en bij 1664 het geschil over publiek gebed stilde.
De Tweede Engelse Oorlog
De oorlog begon officieel in Maart 1665, maar eigenlijk al vroeg in '64. Sinds de vrede in 1660
tussen Engeland en Spanje werd de spanning met de Engelse handelsvloot dringend wereld-wijd maar
speciaal in West Afrika, de Caribische gebieden, en Oost-Indie. Het groeide tot een snauwende en
bitse confrontatie in 1661, en na het koude ontvangst van het Amsterdamse geschenk door Karel II
was het een oorlog welke iedereen verwachtte en bereidde (Nieuw Nederland was al verloren ~ Nieuw
Amsterdam nu New York).
De Hollandse regenten hadden de marine aanzienlijk verbeterd en vergroot, maar conflicten tussen
de Staten en Oranje partijen uitten zich herhaardelijk (de bemanning van het oorlogschip Gouda
vochten niet totdat haar kapitein de Staten vlag met die van Oranje had verplaatst), en de
admiralen Cornelis Tromp en Michiel de Ruijter hadden zulk een moeilijke verhouding dat Tromp in
1666 ontslagen werd voor insubordinatie.
De eerste zeeslag ~ voor Lowestoff in Juni 1665, bleek de wijd verspreide voorspelling te
bevestigen dat de overmacht met de Engelse vloot lag. De Nederlanden had de grootste vloot ooit
gestuurd: 103 schepen met 21 313 man en 4 869 kanonnen, maar zij konden de Engelse drie-dekkers
niet aan ~ zeventien oorlogsbodems gingen verloren, en de oorlog begon met doem.
De oosterse provincies werden overvallen door de prins-bischop van Munster welke (met steun van
Engelse subsidien) stuurde een wapenkracht van 20 000-man door Gelderland, Overijssel en Drenthe.
Hollandse, Friese and Groningse krijgsmachten, met hulp van Franse troepen, wisten hen tot een
onwaardige terugtocht te dwingen. Maar het volk hield de Republiek en hare Staten standvastig;
zoals de Franse ambassadeur al schreef in Januari 1665: "les peuples sont fort animez, et accordent
pour cette guerre tout ce qu'on leur demande". Langzaam maar zeker, gedurende 1666, de toestanden
in het binnenland en op zee begonnen te verbeteren.
Al de neutrale handelsteden ~ Hamburg, Lubeck, Livorno, Genoa en Cadiz, plus Noorwegen en
Denemarken, stonden sterk voor Nederland. De Oostzee werd gesloten tegen de Engelsen, in de Oost
Indien de VOC veegde hen van de zee, en in noordelijke waters grepen Nederlandse kapers meer dan
500 schepen; de Engelse koopvaardij was verlamd. De zeeslagen hielden aan met grote verliezen in
het 'St James Day' gevecht, en het verbranden van 150 koopvaardijschepen achter Terschelling in
1666. Terwijl Nederland geld, ammunitie en voorraden had om de vloot uit te rusten, Karel II
en Parliament konden het niet aan. De pest en de brand van London waren de laatste slagen om de
Engelsen in 1667 tot de knieen te brengen. De Ruijter nam het Engelse vlaggeschip, de Royal
Charles, uit de Medway voor Upnor Castle in Juni. Vrede werd getekend te Breda in Juli.
De Republiek tegen Lodewijk XIV
De eerste jaren dat Lodewijk XIV de scepter zwaaide (1661-1715) leek het dat de koude verhouding
met Frankrijk sinds 1647 voorbij was, want hij tekende een verbond met de Verenigde Provincien in
1662. Maar de toekomst van de Spaanse Nederlanden en de koloniale koopvaardij werden grote bronnen
voor twist.
Gedurende de oorlog met Spanje had Frankrijk conflicten met Nederland vermeden om haar samenwerking
tegen Spanje te behouden, maar in 1664 begon het invoerrechten tegen de Nederlandse handel in te
voeren en, tegelijkertijd, richtte Oost- en West-Indische handel maatschappijen op waarbij een
nieuwe phase van Frans koloniaal politiek begon. In 1667 Lodewijk zag een groot verminderd gevaar
dat Engeland Nederland zou overstelpen in de koloniale koopvaardij, en begon op land en zee Franse
belangen sterker vooruit te duwen.
De Lage Landen in het zuiden was het meest strategisch gelegen gebied in Europa. Met het
terugtrekken van de meeste Spaanse soldaten onstond een gevaarlijke ledigheid van macht net als
Lodewijk het grootste leger in de (toen) wereld op been bracht, en een Spaanse Habsburger bruid
nam. Spanje probeerde de Witt te overtuigen tot een Nederlands-Spaans verdedigings verdrag, maar
de Witt dacht het was niet "een goed plan om tegen een muur te leunen welke op het punt stond om
te vallen". De Spaanse ambassade antwoordde dat precies daarom moest Nederland helpen het op te
proppen want als het viel zouden zij zelf er onder komen liggen.
Franse troepen drongen de Spaanse Nederlanden in. De Witt en de Staten van Holland onderhandelden
met Spanje om Nederlandse troepen naar Ostend, Brugge, Blankenburg en Geldern te sturen voor
garizoenen aldaar, maar in 1668 een bewapende verwantschap tussen de Republiek, Engeland en Zweden
was geformeerd om tussen Spanje and Frankrijk te bemiddelen. Vanaf dit moment stond Lodewijk de
Republiek sterk tegen, en bij 1669 had hij Karel II in geheim overtuigd om samen de Verenigde
Provincien aan te vallen op land en zee. Bij 1672 Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen stonden
klaar om Nederland te overrompelen en haar macht en onafhankelheid te vernietegen.
De Verschemering van de 'Echte Vrijheid'
In de laatste jaren van de 'Echte Vrijheid' behaalde Willem III meerderjarigheid en hoe precies
hij in de Republiek zou staan kon niet langer uitgesteld blijven. Deze hernieuwde strijd rond het
Huis van Oranje, in combinatie met verheftig gekift over vrijheid van geloof, gezag van de Kerk,
en persoonlijke vrijheid, maakten koortsige intellectuele omstandigheden.
Baruch Spinoza (geb. 1632 te Amsterdam) schreef in Latijn (en op verzoek van de Witt) het
'Tractatus Theologo-politicus' ~ anoniem uitgegeven in 1670, waarin hij de scheiding van wetenschap
en godsdienst bepleitte en historische kritiek op de Bijbel uitoefende. Dit boek verwekte een
geweldige opschudding en bezorgde Spinoza de naam van atheist en godsdienst bestrijder, maar hij
was overtuigd dat een begrip van de Staat niet gebaseerd op het bevorderen van de welstand van de
burgerij en het behouden van vrijheid voor de individu, alleen kon rusten op kerkelijke
bekrachtiging. Zijn vermaarde inleiding was misschien ironisch of zelfs sarcastisch: "het
ongewone geluk om te leven in [de Verenigde Provincien] waar een ieder's oordeel is vrij en
onbelemmerd, waar allen God mogen vereren volgens hun eigen geweten en waar vrijheid is geacht
boven alles dierbaar en mooi."
In de laatste jaren van het regime van De Witt zag de Hollandse raadpensionaris dat open
uitdrukkingen van buitengemeene denkbeelden slechts het evenwicht kon ondermijnen en zelfs de
'vrijheid' vernietigen. Hij moest het beteugelen in de Staten Partij en tezelfdertijd de
opwelling van de Oranje Partij stuiten ~ in de politiek, in kerkelijke zaken, in de universiteiten,
en in het geestelijke leven, Onder de beleiding van de Hollandse regenten, De Witt's 'grote
begrip van harmonie' zocht een formule waarbij de jonge prins zou worden aangewezen voor een zetel
in de Raad van State, een speciale standing in de staat, en de waarschijnlijke eventuele benoeming
tot kapitein-generaal maar alleen met uitsluiting van het stadhouderschap in enige provincie.
In 1667 nam de Staten van Holland een 'Eeuwig Edict' aan 'voor de bescherming der vrijheid' waarin
het stadhouderschap in Holland afgeschaft bleef en het kapitein-generaal- en admiraal-generaalschap
onverenigbaar werd verklaard. Het gaf de politieke macht van de stadhouder aan de Staten, maar
verschillende steden (speciaal die voor Oranje zoals Leiden) beweerden dat de Staten geen soverein
gezag had maar enkel een verzameling van woordvoerders voor het vroedschap of de stadsraad. Toch
werd de edict in 1670 door de andere provincies aanvaard bij de Acte van Harmonie.
Een dreigende oorlog met Frankrijk dwong de provincies in 1671 tot een sterke opwelling om de Prins
van Oranje te benoemen als kapitein- en admiraal-generaal. In December stelde Enkhuizen dit voor
in de Staten van Holland. Over de volgende dagen stemden de meesten van de provincies hier mee in.
De Witt hield eerst vast dat dit was in tegenstand tot het Eeuwig Edict want de prins was nu lid
van de Raad van State, maar toen het niet te verhinderen bleek probeerde hij de benoeming tijdelijk
te maken terwijl de Oranje Partij het voor levenslang wilde zien. Of het 'ad tempus' of 'ad vitum'
zou worden werd heet gedebatteerd in al de provincische staten. De Staten Generaal vroeg om de
Hollandse goedkeur in overeenkomst met de andere provincies, en in February 1672 de prins werd
benoemd ad vitum ~ maar wel onder streng overzicht door de Generaliteit waarnemers 'in het veld'.
De stand van de Republiek was nu angstwekkend: het leger was groots onder kracht en de meeste
vestingen vervallen; bij de garizoenen op de IJssel en Rijn was een tekort van troepen en
voorraden, en het moreel stond op zeer laag peil.
1672: het Jaar van Ramp
Het jaar 1672 werd het meest traumatisch van de Gouden Eeuw. Het was een jaar van militair
ineenstorting en van een bijna totaale demoralisering, en het moment dat de nederlaag van de
Republiek ~ als niet in haar geheel dan toch als een grote macht, ophanden scheen. Het was ook
het jaar dat het volk en de schutterij intervenierden in het verloop van de binnenlandse politiek
en de ideologische strijd ~ meer dan ooit sinds de 1580ers, met blijvende gevolgen.
In Maart werd het helder dat Lodewijk een verbond had opgezet welke de Republiek omringde en op
punt van aanval stond met een overweldigende overmacht. De Engelse marine viel op het terugkomende
Levant konvooi voor de Isle of Wight, en twee dagen lang kanonnen donderden onheilspellend in de
Noordzee. Lodewijk verklaarde oorlog op 6 April en Engeland volgde. In Mei Lodewijk nam zijn
leger ~ het grootste en beste in Europa, door de Spaanse Nederlanden naar Maastricht. Op 22 Mei
stak hij de Maas over ten noorden van de stad. Nu verklaarden Munster en Keulen ook oorlog.
Het leger van Lodewijk (zonder die van Munster en Keulen te tellen) stond op 118 000 infanterie en
12 500 cavelarie ~ meer dan vier maal zo veel als het Nederlandse. De Nederlandse troepen waren
slechter in kwaliteit en gevaarlijk verspreid langs de verdedigings linie. Een noodleger van een
paar duizend burgerwacht and landweer uit Holland en Utrecht haastten zich om de garizoenen in het
zuiden en oosten te versterken, en Gelderland stond met 3 000 gewapende burgers binnen de provincie
om de grens vestigingen te verdedigen. Maar het was allemaal te weinig en te laat.
Het werd beslist om de oorlogsvloot uit te brengen tegen de Engelsen voordat de Fransen met hun
konden aansluiten, maar de Ruijter was te laat. De gecombineerde Engels-Franse vloot zwaar
overtrefde de Nederlandse in schepen en vuurkracht. Desalnietemin, de Ruijter en de Staten
Generaal gevolmachtigde Cornelis de Witt concludeerden dat er was niets te doen maar aan te
vallen. Het was een moedig besluit met als gevolg een van de meest beslissende zeeslag in al de
Engelse-Nederlandse oorlogen, in Solebay op 6 Juni. De overwinning van de Ruijter was niet
beslissend maar het vlaggeschip van Karel ~ de Royal James met 100 kanonnen, werd een brandend
wrak en beschadigde genoeg van de Engelse 'first rates' om een grootschaalse aanval op de Republiek
vanuit de zee in de komende maanden te verhinderen. De zeelieden ~ nadat de Ruijter de haven
haalde, haastten zich aan de verdediging op het land.
Op de lage Rijn, tezelfertijd, de Nederlandse garizoenen te Cleves-Rheinberg, Orsoy, Emmerich,
Rees, en Wesel (welke tientallen jaren de Spanjaard hadden uitgedaagd) vielen aan Lodewijk in
enkele weken. Deze steden werden voor goed verloren aan de Republiek. Munster overstroomde
Lingen, en viel op Overijssel. Het Nederlandse leger trok terug om alles op de verdediging van
Holland, Zeeland, en Utrecht te zetten. Aanzienlijke garizoenen stonden nog op de vestingen
langs de ooserlijke grenzen maar het moreel was ingestort.
Arnhem viel zonder schot 15 Juni. Amersvoort 19 Juni. Het Franse leger marcheerde Utrecht in,
Munster Zwolle en Kampen, op 23 Juni. Op 9 Juli de eerste Katholieke dienst sinds de 1570ers werd
gehouden in de Utrechtse kathedraal. Holland was gered, eerst bij stom geluk en later door het
overstromen van de waterlinie van Muiden, door Bodegraven (waar de Prins zijn hoofdkwartier
opzette), en Schoonhoven, naar Gorcum aan de Waal (het Muiderslot stond leeg toen de Fransen eraan
kwamen ~ een moedige Maurits van Oranje bracht een strijdskracht op ~ en het water stijgde
langzaam na een droge zomer en voor dagen de Fransen hadden er makkelijk door kunnen lopen).
De steden van Holland en Zeeland lagen in de grip van angst, verwarring, en de woede van de
burgerij tegen regenten en het leger ~ welke werden beschuldigd met plicht-verzuim en zelfs
verraad. Defaitisme was uitgesproken in de steden (hetzij gehecht aan Oranje of de Staten) dichtst
bij de vijand: Gouda, Leiden, Schoonhoven, en Gorcum. De Staten van Holland ~ tegen het advies van
de Witt ~ onderhandelde al met Lodewijk voor de val van Utrecht. Het scheen dat opgeven en
onderdanigheid het enige alternatief was, en het Hollandse ridderschap stelde zelfs voor om alleen
de zeven provincien te behouden en 'laat de rest gaan' ~ dat wilde zeggen, al de Generaliteit
landen.
Maar nu werd de rol van het volk beslissend. Oproer begon in Dordrecht en versprijdde zich naar
Rotterdam en Amsterdam. De schutterij en landweer stonden met de burgerij welke met geweren in
aanslag stadsraden drongen voor een meer vastberaden verdediging van de steden. Toch gingen
capitulatie onderhandelingen voort door de Staten Generaal. In de Hollandse steden (nu ook in
Schiedam, Gouda, Delft, en Haarlem) gedurende de maand van Juni de burgerij kwam in opstand tegen
burgermeester, regent, en vroedschap met ernstig oproer en protesten, en de schutterij sloeg de
poorten dicht. Het volk eisde dat de Prins van Oranje aan het hoofd van de krijgsmachten moest
staan om het vaderland te verdedigen. Handwerkers en vakmensen, werkende vrouwen en mannen, met
landbouwers en vissermannen, beheersden de straten. In sommige van de steden de schutterij of de
landweer alleen of tezamen forceerde hun wil ~ te Hoorn, Gorcum, Purmerend, Den Briel.
Ook in Zeeland was oproer ~ te Middelburg, Vlissingen, en Veere.
Het volk had wel eerder ingegrepen (in't bijzonder in 1566, 1572, 1576-77, 1580ers, en 1617-18)
maar 1672 was anders. Beide partijen in het Nederlandse leven waren ondemocratisch en konden geen
plaats zien in de politiek voor het volk, de schutterij, of de landweer. De Staten Partij legde
nadruk op het absoluut gezag van de Staten met uitsluiting van de Generaliteit en de burgerij,
maar de Oranje Partij benoemde het volk de 'echte patriotten' en een onschatbare beteugeling (van
tijd tot tijd) op de regenten ~ en beweerde dat in noodtoestanden burgerlijke interventie niet
zonder wettigheid of geldigheid was. In Juli de Prins werd Stadhouder van Zeeland en dan van
Holland, en het volk had de structuur van macht veranderd.
Het oproer ging echter door gedurende de maanden van Juli en Augustus, en door tot in
September ~ te Dordrecht en Rotterdam, en wat later ook in Zierikzee, Tholen, en Goes (weer
met medewerking van landbouwers en vissermannen). Menigten confronteerden de regente elite
van wie enkelen naar het buitenland vluchtten en anderen zich alleen met bewapende bescherming
door de stad konden bewegen. Huizen van impopulaire regenten werden gestroopt in Rotterdam en
Amsterdam, en in Den Haag de broeren de Witt werden op straat gegrepen, geslagen, gestoken, en
dood geschoten. Toch was orde gehandhaafd temid al deze wanorde en geweld, Het werd helder
dat de gilden en landweer veranderingen in het karakter van gemeentelijk gezag wilden zien.
Grote demonstraties te Delft, Leiden, Haarlem, en Amsterdam, en burger en schutterij
verzoekschriften en vergaderingen werden ondersteund door de hogere middenstand (advokaten,
drukkers, schrijvers, doktors) welke eisden een herstel van oude bevoorrechten en onafhankelijkheid
voor de landweer en schutterij ~ want deze werden gezien als de voornaamste beteugeling over de
macht van de regenten, en de woorvoerders voor een burgerij welke (in het verleden) had terecht
een grote invloed uitgeoefend over stedelijk gezag. Hierin was gezien de democratische tendenties
dat was een essentieel kenmerk van de Nederlandse Oranjegezinden.
Willem III werd bekrachtigd om de stadsraden te veranderen waar het hem nodig bleek voor de goede
orde van de gemeenschap. Veertien van 40 leden van het vroedschap werden verplaatst te Dordrecht
9 September, de helft van 40 te Delft en tien van 36 in Amsterdam de volgende dag. In Leiden en
Haarlem was niet veel te doen, maar vijf regenten in de eerste en slechts een in de volgende
verplaatst. Hetzelfde gebeurde in de kleine Hollandse steden: acht van 18 te Den Briel verplaatst,
te Schoonhoven negen, in Hoorn ook, maar niemand in Purmerend, Monnikendam 12, Schiedam alleen de
burgermeester. In Zeeland, te Zierikzee acht regenten werden verplaatst, Middelburg zeven. De
meesten waren doelpunten voor de aanklachten door de burgers geweest en hielden aan de Staten
Partij ~ maar niet allen. Te Rotterdam, Utrecht, en Leiden de zuivering leidde tot ideologische
verandering en voor een sterke toeneming van het gezag van de Prins.
Het Stadhouderschap van Willem III
Na de ramp in Juni 1672 volgden meer nederlagen. In Juli Nijmegen viel aan de Fransen, en een
gedeelte van noord Brabant, terwijl Munster Coevorden, Drenthe, en veel van Groningen
overstroomde. Bij het eind van de zomer, het meeste van de Republiek was in vijandelijke handen
en de rest gegrepen in oproer en politieke verwarring. De enige provincie niet bezet en zonder
oproer was Friesland. Groningen was door oorlog overspoeld met haar stad onder beleg, Het land
in Gelderland, Overijssel, Utrecht en Drenthe werd geplunderd en verkracht.
De onderliggende spanningen in de politiek, de ideologie, en het sociale leven van de Nederlandse
Republiek bleven, Willem III had meer macht in Holland, en een meer domineerende stand in de
politiek dan enig andere Stadhouder in de geschiedenis van de Republiek behalve misschien Maurits,
maar veel van de nieuwe regenten welke Willem had benoemd waren minder ervaren en meer omkoopbaar.
De steden van Holland en Zeeland zagen het bezorgd aan en de invloed van de Oranje Partij
verminderde.
Zo lang het land onder Franse en Munster bezetting lag, bleef tegenstand tot de Stadhouder stil ~
met alle aandacht op de oorlog. Het was bijna wonderbaarlijk dat de waterlijn hield en de
Republiek gered werd. Verdragen getekend met de Keizer en Brandenburg (1672) bracht hun troepen
tegen Keulen dat veroorzaakte Lodewijk zijn leger gedeeltelijk naar het zuiden te brengen, en
gedurende de winter van 1672-73 groeide de Nederlandse verdediging koppiger.
In 1673 Frankrijk en Engeland tezamen probeerden de Republiek te verpletteren op zee, maar de
verdediging van de Ruijter was toen waarschijnlijk zijn grootste prestatie en de Nederlandse marine
berijkte de top van doeltreffendheid als een krijgsmacht. Aangevallen in Juni in het Zeelandse
ondiep door een overweldigende vloot van 76 schepen met 4 812 kanonnen, de Ruijter gebruikte snelle
manouvres om de vijand te dwarsbomen en te beuken. In een tweede zeeslag de volgende week
hetzelfde. In de derde en laatste beproefing van kracht gooiden de Engelsen en Fransen alles in
om een koers te ruimen voor een aanval op Holland vanaf de zee (een invatie macht stond al klaar
in Engeland). De vijandelijke vloot kwamen tot 86 schepen en 5 386 kanonnen. De Ruijter bracht
zijn veel kleinere vloot met slechts 3 667 kanonnen naar een slag voor Texel. Voor elf uren klonk
een aanhoudend gedonder dat werd gehoord door het meeste van het Noord-Hollandse landschap waar een
sombere bevolking in gebed in haar kerken zaten. Weer kwam de Ruijter er doorheen, verbrijzelde
genoeg van de Engelse drie-dekkers om hen te dwingen het offensief te verlaten. Deze drie
verliezen (gecombineerd met een Nederlandse zeerovers campagne rond Engeland, maar ook voor Noord
Amerika, Spanje, en de Caribische gebieden), maakten het onmogelijk voor Karel II om met de oorlog
door te gaan; in Februari 1674 werd vrede getekend, zonder dat Engeland enig voordeel had behaald.
Inmiddels stonden sinds Augustus 1673 Spanje en de Keizer met de Republiek; Frankrijk werd
gedwongen om het leger in de Verenigde Provincien te verminderen en dit gaf Willem III een
kans om het offensief te nemen. Zijn eerste overwinning was de capitulatie van een 3 000-man
Frans garizoen te Naarden. In de volgende herfst drongen troepen van de Keizer en de
Nederlanden Franse krijgsmachten terug van de waterlinie naar de IJssel. Twee maanden na Engeland
(April 1674) moest Munster alles achterlaten en zich ook vernederd uit de oorlog trekken. In Mei
de Fransen trokken terug van de IJssel en uit heel Gelderland en Overijssel.
Tot nu had Willem III zijn aanzien en populairiteit bevestigd door zijn vastbesloten gedrag in de
verdediging van het land, en zijn gezag in de Republiek stond op het hoogste peil. Bij Juni 1674
hield Lodewijk alleen nog de twee vestingen van Grave en Maastricht. Het Nederlandse leger was
aangrijpend verbeterd in de laatste twee jaar en was nu weer een grote en geoefende krijgsmacht.
De Republiek had verbonden getekend dat vormden een schild tegen de mogelijkheid van vernieuwde
Franse aanvallen. De jonge Prins verdiende lof, en in 1974 stemde de Staten van Holland de
benoeming voor stadhouderschap eeuwig en erfelijk aan het Huis van Oranje-Nassau. Willem kreeg
voldoende macht aangewezen voor een grote zuivering in de provinciele sijsteemen van Utrecht,
Gelderland, en Overijssel. Gelderland bood een hertogschap aan met formeel sovereiniteit over de
provincie.
Dit werd een sensatie door heel de Republiek. Oranje en zijn ondersteuners stonden ontsteld door
de kracht van de ontkennende reactie ~ speciaal in Holland en Zeeland. Het werd ge-uit door
sommigen van de regenten, maar het kwam vanuit een diepere gemeenschappelijke laag. Handelaren in
Amsterdam, bijvoorbeeld, waren ontzet dat macht welke behoorde aan de Staten zou worden weggegeven.
Het gerucht was dat dit was slechts de eerste stap naar soevereiniteit over al de Verenigde
Provincien. Ook Delft, Leiden, en Haarlem stonden tegen het aannemen door de Prins van de
hertog's-titel. Amsterdam zag het zelfs als een bres van de Unie en nam een goedkeurend besluit
van de Staten van Holland niet aan. In 1675 de Prins weigerde de Gelderse titel maar toch bracht
een nieuw 'reglement' in dat versterkte zijn macht zonder precedent in deze provincie. De laatste
pluim op het imposante nieuwe bouwwerk van Stadhouderlijke macht en invloed was een verklaring door
de Staten Generaal (20 April 1675) dat de ambten van kapitein-generaal en admiraal-generaal voor de
Unie voortaan erfelijk aan de Prins van Oranje gaf.
De Prins werkte ook hard om zijn invloed in Friesland, Groningen, en Drenthe te vermeerderen en de
jonge Stadhouder (1664-96) aldaar, Hendrik Casimir II, tegen te staan. (Na de dood van Frederik
Hendrik in 1664 was een zijner dochters benoemd tot voogd van de toen zeven-jaar-oude Hendrik
Casimir.) In 1675 werd het stadhouderschap van Friesland erfelijk in zijn lijn. Te Groningen en
Drenthe was dit echter niet zo, en in 1676 kreeg Willem dit van Drenthe.
Vanaf 1677 een politiek tegenwicht aan de Oranje Partij en het beleid van Willem III ontwikkelde
zich echter te Amsterdam. Het verschil tussen de Republiek onder staatkundig beleid van een
domineerende Stadhouder, en een republiekaans regime zonder stadhouder was nu klaar als kant. Met
de doorgaande oorlog waarvoor de reden was verloren aan de man op straat en onmogelijk hoge
belastingen, en de slechte toestand in de handel, de Amsterdamse regenten hadden speciaal een
hekel aan de eigenmachtige manieren van de Prins. Voor 1672 hadden vertegenwoordigers van de
Staten Generaal 'in het veld' altijd een grote invloed op belangrijke militaire beslissingen, maar
niet meer. De Prins gaf ook commissies in het leger, en had de buitenlandse diplomatiek
overgenomen van de Staten Generaal. Het was te veel om aan te nemen.
Frankrijk was de Spaanse Nederlanden aangevallen in 1677, veroverde Valenciennes en belegerde St.
Omer. Willem trok op met 30 000 Nederlandse, Spaanse, en Oostenrijkse troepen maar werd terug
gedwongen met zwaar verlies. Zijn gezag werd meer dan een beetje geraveld. Onstuiming ging door
Groningen en de Ommelanden. Nadat de Prins optreedde voor de Ommelanden stond Groningen met
Friesland tegen hem. De steden van Holland weifelden. In November Willem trouwde met de Prinses
Mary te London en Januari 1678 een verdrag werd getekend met Engeland.
Lodewijk probeerde de verschillen tussen de Prins en Amsterdam uit te buiten door een vrede aan te
bieden met het opheffen van invoer belastingen tot groot voordeel van Holland ~ speciaal Leiden en
Amsterdam wiens burgermeester overtuigde meest van de Hollandse steden. De Prins waarschuwde dat
dit de reputatie van de Republiek zwaar zou beschadigen want het ging tegen al haar bongenoten,
maar de Staten van Holland won een meerderheid in de Staten Generaal om het offer aan te nemen
in Juni 1678. Toch gooide Lodewijk alles in de war door niet de bezette steden te verlaten en het
Hollandse 'staak het vuren' werd gebroken. Op 2 Augustus, de Prins trok op aan het hoofd van
35 000 Nederlandse, Spaanse. en Brandenburger troepen. Verschrikt ging Lodewijk terug en Holland
had haar politieke overwinning, maar Oranje was hoog ge-ergered ~ en de Keizer, Spanje, en
Brandenburg ook. Voor jaren de Republiek was belast met de reputatie van een onbetrouwbaare
vriend.
Van Nijmegen tot de Engelse Revolutie
De vrede werd beslist te Nijmegen en Willem III ging terug naar den Haag. Heel Europa was nog in
spanning en zo was het ook in Nederlandse binnenlandse zaken. De Staten Partij zag de vrede als
goed voor de handel en een groot en duur leger zou niet nodig zijn, maar de Prins dacht over de
vrede meer als een tijdelijke wapenstilstand. Dit verschil werd al zichtbaar tijdens het tekenen
van het verdrag te Nijmegen. Van degenen die door de Prins voor ambten benoemd waren gedurende
de vroegere zuivering in de Verenigde Provincien en na Nijmegen in de Spaanse Nederlanden, is het
moeilijk te zeggen of zij meer omkoopbaar waren dan het standaard elders in Europa in deze tijd,
maar het was al een kwestie voor Nijmegen dat barste soms uit tot een publiek schandaal.
Inmiddels staakte de internationale spanning niet. Lodewijk was al in 1679 begonnen met het in
beslag nemen van wettelijk onafhankelijke steden langs de grenzen van Spaans Nederland, Lorraine,
en Alsac. Frankrijk hechtte Strasburg aan in 1681 en de positie van Lodewijk was sterker dan
ooit. De Stadhouder zijn geschil dat Nijmegen maakte Frankrijk sterker en de Republiek en haar
bondgenoten zwakker werd nu gezien als terecht. Lodewijk bedreigde Luxemburg in 1682, en het
volgende jaar verzamelde troepen langs de grens met de Spaanse Nederlanden. Hij had in geheim de
Turken aangemoedigd om weer Wenen aan te vallen zodat de Keizer hem niet kon belemmeren.
Oranje wilde met 16 000 troepen naar het zuiden als een reserve voor de Spaanse Nederlanden onder
de termen van het genootschap met Spanje, maar Amsterdam stond hier sterk tegen. Doch de Prins
trachtte in persoon de provinciele staten te overtuigen, de volksmening was nu tegen hem en het
werd vaak gezegd dat Oranje had nu te veel gezag en zocht soevereiniteit over heel de Republiek.
'Een tiran,' zegden sommigen, of 'de moordenaar van de Witt', een 'bedrieger van zijn ambt en
land' . . . 'met geen vriend maar de ellendige Spanjaard'. De Europeaanse crisis concludeerde
Augustus 1684 , en de Prins had weer een ernstige slag op zijn aanzien ondergaan.
Oranje begon nu een beleid met minder tegenstelling en meer onderleg en overeenkomst. Er was een
intens debat In de winter van 1684-85 over militaire uitgaven, welke in 1682 vergroot werden tot
bijna een millioen gulden per maand. De marine, daarentegen, was bekort en Amsterdam betoogde dat
de Republiek haar marine had laten gaan en de Engelsen de heersers van de zee laten worden. De
stad werd gesteund in de Staten van Holland door Delft, Leiden, en Dordrecht, en in de Staten
Generaal door Friesland en Groningen. Willem III onderhandelde de zaak, en nam sinds deze tijd
nooit meer een belangrijk initiatief zonder de medewerking van Amsterdam vast te leggen. Vanaf
deze periode had de Prins goed werkende verhoudingen met al de Hollandse steden welke hem sterk
tegen hadden gestaan (Amsterdam, Leiden, Dordrecht, en Delft).
De Republiek en de "Glorious Revolution"
De koers van Nederlandse en Britse geschiedenis veranderde aangrijpend tussen 1688 en 1691 door
een van de meest gewichtige gebeurtenissen in de wereld: de Engelse Revolutie ~ de onttroning van
de Stuart monarchie in Britannie, en dan de kroning van Willem en Maria in een nieuw grondwettige
monarchie met het Engelse Parlement in het overwicht. Hierin was Willem III de hoofdpersoon. Hij
was een neef van Karel en Jacob en getrouwd met de laatste zijn dochter en had een natuurlijke
interesse in de toekomst van de Britse troon.
Terwijl Karel II op de Engelse troon zat (1660-85) scheen het onmogelijk dat zoiets zou kunnen
gebeuren, en in het eerste jaar van Jacob II een opstand werd neergeslagen. Koning Jacob zag zelfs
de kans om een 40 000-man leger direct onder zijn gezag te zetten in een groot uitbreiden van zijn
macht. Oranje zag het aan maar kon niets doen om zijn dijnastisch voordeel in Engeland te
promoveren ten tegendeel van Holland ~ voor wien Frankrijk (en niet Engeland) de focus van attentie
was.
In Augustus 1687 Lodewijk XIV keerde weer naar een strijdlustige anti-Nederlandse handelsgeest.
Het begon met een verbod op invoer van Nederlandse haring zonder Frans zout, dan in September met
het terugzetten naar tariefen van 1667 dat verdubbelde accijnzen op verfijnde stoffen en
fabrieksproducten. Er ging meteen een storm van woede door de Verenigde Provincien want hiermee
scheurde Lodewijk het verdrag van Nijmegen in stukken. De 'guerre de commerce' van Lodewijk werd
een regeling voor aanhoudende en sijstematische woeste aanvallen op mercantiel Nederland.
Dit zou tot oorlog komen, en nu was een kans voor Oranje om de zorgen over een mogelijk nieuw
verbond tussen Engeland en Frankrijk uit te buiten. Voordat dit kon gebeuren openbaarde de Prins
~ in een geheime sessie van de Staten van Holland September 1688, een strategisch plan om Engeland
binnen te vallen. Hij had er al jaren aan gewerkt. Het was een onmetelijk risico voor Stadhouder,
Staten van Holland, en Staten Generaal, om de beste regimenten van het Nederlandse leger met de
grootste kanonnen, 5 000 paarden, en de oorlogsvloot naar Engelse stranden te sturen door de
herfststormen op de Noordzee. Ondertussen moesten zij de krijgstmachten in de Lage Landen
mobiliseren voor oorlog want Lodewijk zou dit zeker verklaren.
De Nederlandse vloot dat op Engeland viel November 1688 was viermaal zo groot als de Spaanse
Armada in 1588. Voor een krachtige oosterlijke 'Protestantse' wind, dat hield de Engelse vloot in
de Thames, Oranje zeilde door het Nauw van Calais terwijl kanonnen donderden in saluut met soldaten
op parade met trompetten en trommels op dek. Het landde op Devon en in korte tijd het leger greep
Exeter. Engelse steun voor de invatie was schaars, maar in een toespraak door Oranje te Exeter
vertelde hij de lagere adel dat hun 'military assistance' niet nodig was maar alleen hun
'countenance and presence'. Oranje en zijn leger trokken London binnen op 18 December. Engelse
regimenten (inclusief de Paleiswacht) stonden ~ onder bevel van de Prins, twintig mijlen buiten
London; alleen Nederlandse troepen in de stad.
Willem III en Maria werden officieel mede-soverein van Engeland in Februari 1689. In Mei bracht
de Stadhouder-koning ~ zoals hij nu was, Engeland en Schotland in de oorlog tegen Frankrijk maar
moest toch de Nederlandse troepen in Britannie en Ierland houden tot 1691 en de Engelse marine een
hoofdrol laten spelen op zee. Dit laatste feit bezorgde de Republiek grote ongerustheid, en het
werd zelfs gezegd dat Willem had nu niet alleen drie Koninkrijken (Engeland, Schotland, en Ierland)
maar ook een vierde ~ met name de Verenigde Provincien.
De Laatste Jaren in het Stadhouderschap van Willem III
Niemand in de Nederlandse politiek geloofde in de mogelijkheid voor een eerlijke behandeling met
Lodewijk XIV of zelfs dat hij enigzins betrouwbaar was tot Frankrijk ernstig verzwakt was en zijn
ambities aan een eind. Dit kon niet zonder het verbond met Engeland en hand-in-hand met Oranje, en
voor deze redenen was het gezag van de Stadhouder-koning niet aan te vallen. De standing van
Willem was dus bekrachtigd door internationale economische en strategische zaken, maar ook
versterkt door zijn beleid voor verdraagzaamheid in de Republiek en in Britannie. De Stahouder
bewees dat hij aan het hoofd stond van de verdedigers van Katholieken, Mennonieten, en Joden. Dit
nam de wind uit de zeilen van zijn tegenstanders. De 'echte vrijheid' werd dus achteruit gezet.
Tezelfdertijd daalden lonen en het standaard in levensonderhoud, terwijl huren voor arme mensen
hoger werden maar de prijzen voor weelderige huizen zakten. Werkgelegenheden verminderden sterk.
Er was niet veel oproer in de Hollandse steden maar genoeg om te zien dat het de gewone man niet
makkelijk was. De ergste verstoring nam plaats in 1696 te Amsterdam over verhoogde belastingen
voor de doorgaande oorlog dat eigenlijk op schaakmat stond.
Willem III, met de raadpensionaris van Holland, begon in 1693 een lange serie van geheime
onderhandelingen met het Franse hof, dat over de volgende drie jaar de beginsels voor een vrede
verdrag opzette. Het merkwaardige kenmerk van deze onderhandelingen was dat noch het Engelse
Parlement, noch de Nederlandse provinciele staten of de Staten Generaal, enig deel noch zelfs enig
idee hiervan hadden. Een vrede was geconcludeerd te Rijswijk maar het werd 1699 voordat Lodewijk
eindelijk de tariefen op de Nederlandse koopvaardij ophefte. Het versterkte de mening in de
Republiek dat het onmogelijk was om Lodewijk te vertrouwen.
De internationale status van Willem, en zijn aanzien, scheen hoog te staan, naar eigenlijk was
niets bevestigd, en vanaf deze tijd tot zijn dood in 1702 het gezag en aanzien van Oranje (in
Nederland en Britannie) verminderde gestadig.
Kunst en Bouwkunde
Een nieuwe richting in Nederlandse kunst en bouwkunde kwam met de nieuwe economie vanaf de late
1640ers, toen de soberheid van het begin der eeuw werd achtergelaten. Veel tijdgenoten namen in
acht dat de fijnste, grootste, en meest schitterende gebouwen en beeldhouwwerken te Amsterdam, Den
Haag, Leiden, Haarlem, en Dordrecht, werden verwezenlijkt in de 1650 en 1660er jaren. Dit was ook
de meest uitgebreide periode in de Gouden Eeuw voor stedelijke ontwikkeling en ontwerpen.
Hetzelfde vond plaats in de schilder- en decoratiefe- kunsten. Het was het toppunt van omvang,
raffinament, en internationale invloed, van Nederlandse prestaties in vakkundigheid en kunst.
In de jaren van de 1620- en 1630-ers, de landbouw ontplooide als nooit eerder, en werk aan
landontginning en het afvoeren van water nam sterk aan. De steden, echter, ondanks een ongewoon
hoge vermeerdering van inwoners, besteedde weinig en herhaardelijk stelde plannen uit voor huizen,
stadsmuren en poorten, kerken, havens, en scholen. Maar bij 1640 besefden de steden dat om te
bloeien moesten zij arbeid, vaardigheid en vakkundigheid, en kapitaal aantrekken. De
bewegingsstuwkracht was sociaal en economisch welke stond achter het snelle verstedelijken en
ontwikkelen in Holland en Zeeland. Vanaf 1647, grote ontwerpen werden uitgevoerd te Rotterdam,
Den Haag. en Dordrecht had haar haven uitgebreid. In 1648 Amsterdam bouwde een nieuw Stadhuis
(het meest indrukwekkende werk van bouwkunde ooit uitgetrokken in de Republiek), Leiden herbouwde
de stadspoorten en de Marekerk, Vlissingen haar derde kerk in 1650, Leiden had plannen voor een
nieuw stadsdeel, Haarlem herbouwde de binnenstad en bij 1671 zou grootschalig uitbreiden.
Amsterdam vanaf 1663 had nieuwe wijken gebouwd en grachten gegraven in de binnenstad waar nu
weelderige herenhuizen langs stonden. Middelburg, Groningen, Utrecht, waren ook bezig met
verbeteringen om aanzien te houden en om stadsliefde in de burgerij te verhogen.
Er was een wedijver tussen steden dat was economisch maar ook politiek en artistiek. Praktische
beweegredenen hadden een overwicht maar schoonheid was ook een groot oordeel ~ en dit stuwde een
hechte wisselwerking tussen architectuur, beeldhouwkunde, schilderen, en de decoratiefe kunsten.
Meest van de grote kerken in de Republiek werden gebouwd in de jaren 1645-75: de achtkantige
Marekerk te Leiden, de Nieuwe Kerk van Haarlem, de Oostkerk (misschien de mooiste) in Middelburg,
de prachtige Nieuwe Kerk te Den Haag ~ haar derde, maar de eerste nieuw-gebouwd in eeuwen.
Amsterdam had al vroeger verschillende kerken gebouwd en nu voegde de Oosterkerk daaraan toe.
Te Amsterdam, het meest opzienbaar was de niet-Hervormde gemeenschappen met monumentale gebouwen
voor godsdient: een grootse ronde Lutheraanse kerk met plaats voor 5 450 gelovigen, het hoofd
Asjkenazische sijnagoge, en de Joods-Portugese sijnagoge dat was een van de grootste gebouwen in
Holland ~ deze waren de eerste indrukwekkende sijnagogen in West-Europa.
De stedelijke uitbreidingen en nieuwe gebouwen sterk beinvloedde de schilderkunst in veel
opzichten. Nieuwe genres van stadsgezichten en stedelijke panoramas kwamen op, en een groeiende
interesse in het schilderen van bouwwerken ~ realistisch en minutieus gemeten. Veel schilderijen
waren ook nodig voor de interieuren van weelderige publieke gebouwen (zoals het Amsterdamse
Stadhuis), in de herenhuizen langs de grachten, en voor de landelijke villas dat nu in grote
getallen in de buitenwijken stonden ~ de enen moesten imposante publieke met een republikaans
thema, de anderen grote weelderige en geraffineerde. Land- en zeegezichten werden ook groots ~
zeeslagen werden zelfs door schilders geschetst vanaf een dichtbij gelegen jacht. De groeiende
koopvaardij naar de Levant leverde dure schilderijen met ruinen van de oudheid, geketende slaven,
zuidse havens, en lichtgeklede vrouwen, in een uitheemse, kalme wereld in schitterend licht.
Talrijke Nederlandse artiesten vonden welzijn en roem. Te Haarlem en Amsterdam schilders werkten
voor de export, maar een hoge evenredigheid van schilderijen bleven in de stad waar zij gemaakt
werden. Van het werk van Jan Vermeer het meeste bleef in Delft tot lang na zijn dood. Aelbert
Cuijp, Samuel van Hoogstraeten, en Nicolaes Maes, woonden bijna levenslang in Dordrecht waar zij
ook hun meeste werk verkochten. De gilden moedigden in veel van de steden aan om het werk van
plaatselijke leden te kopen. Kunst was een pad naar vermaardheid, uitnodiging naar de tafels van
hoogstaand en machtige mensen, en aandacht van buitenlandse hoven.
Van 1650 tot 1672 de ambt voor Stadhouder stond leeg voor Holland en Utrecht, waar de grootste
omvang in kunst plaats nam en de Staten Partij wilde het bewustzijn van de burgerij verbeteren met
haar politieke en sociale idealen en waarden ~ het ophemelen van burger bezieling, oprechtheid, en
gemeentelijke deugd. Hiervan kwam een specifiek republikaans Nederlandse kunst ~ speciaal te
Amsterdam. Het onderwerp van schilderijen werd vaak de oude Romeijnen, maar natuurlijk ook de
Opstand tegen Spanje. In deze republikaanse kunst werden ook heldendaden van tijdgenoten geprezen
maar zelden de regenten. Noch wilde het militaire veldslagen verheerlijken want dat zou het
aanzien van de Prinsen van Oranje verhogen, maar de grote admiralen van de tijd waren Hollanders
en Zeelanders welke zich niet met de politieke wereld bemoeiden en konden dus veilig geloofd
worden. Belangrijk waren dan ook de monumentale graftomben (geplaatst door de Staten Generaal en
de Staten van Holland en Zeeland ~ te Delft, Amsterdam, Utrecht, en Zeeland) in herdenking van de
voornaamste admiralen gesneuveld in zeeslagen.
De Franse aanval in 1672 stoorde de Nederlandse kunstwereld hetzelfde als de rest van de economie
want heel de gemeenschap viel in een grote verwarring; niemand wilde aankopen, iedereen wilde
verkopen. Veel van de villas langs de Vecht werden gestroopt door Franse soldaten en de kunst
waarmee de villas vol stonden werd gegapt en verkocht voor lage prijzen. De markt viel, handelaren
gingen failliet, en het ruineerde en verplaatste veel kunstenaars. Het was ook niet tijdelijk maar
een crisis dat doorging tot de vroege achtiende eeuw. Minder geld betekende slechtere kleurstoffen
en minder zorg en gedurende deze tijd ging de kwaliteit van schilderen achteruit.
Doch de kunstwereld werd ernstig gestoord, het was niet gedecimeerd. Dezelfde vakkundigheid en
bekwaamheid was moeilijk te vinden in het buitenland en het aanzien dat Nederlandse kunstenaars
genoten bleef zeer hoog. In de Republiek van de mid-zeventiende eeuw, zoveel werkten hier dat
zelfs na deze grote vermindering toch nog veel meer kunst hier werd gemaakt dan ergens anders in
Noord-Europa, en het had nog steeds de meest vermaarde schilders.
Stoornis in het Intellectuele Leven
De zeventiende eeuw was een tijd voor een 'Nieuwe Filosofie', een 'Wiskundige Revolutie', en een
'Crisis in het Europeaans Verstand'. Het was een van de meest beslissende veranderingen in de
intellectuele, kulturele, en geloofs geschiedenis van de westerse wereld ~ maar het nam niet
overal plaats gedurende dezelfde tijd. Drie landen ~ Engeland, Frankrijk, en de Nederlandse
Republiek, stonden vooraan, en de laatste nog voor de andere twee. Daarom is deze geschiedenis in
de Verenigde Provincien van het grootste belang om de intellectuele gebeurtenissen in heel Europa
te begrijpen.
Rene Descartes (wijsgeer, wiskundige, en natuurkundige ~ geb. 1596 te La Haye in Frankrijk) leefde
tussen 1628-49 zeer teruggetrokken op verschillende plaatsen in Nederland ~ Franeker, Amsterdam,
Utrecht, Leeuwarden, Egmond, Harderwijk, Endegeest . . . . Hier werden zijn grootste werken
uitgegeven en begon de strijd over zijn mechanistisch wereld opzicht. .Bij 1640 zijn denkbeelden
drongen de universiteiten in en verspreidde in meer en meer terreinen van denken en onderzoek.
Orthodoxe theologen (zoals Gijsbert Voet) vonden zijn leer onaangenaam en in Utrecht werd het in
1642 als atheistisch verboden, maar dit veroorzaakte alleen een fel verschil met wat eigenlijk
werd geleerd. In 1651 alle vijf universiteiten hadden een ban op de Descartische leer maar dit
werd verijdelt door de voornaamste lectoren welke het in steeds toenemende mate verspreidde.
De tegenstand tot het denken van Descartes was dat het op twijfel en onzekerheid rustte en dit
betekende dat het de principes van Aristoteles afwierp waarbij al de vastgestelde religie,
filosofie, en wetenschap om werden geworpen. De Nederlandse academici welke dit ontkende waren
oprechte aanhangers van de publieke Kerk en goede Calvinisten, en zij dachten dat Descartes de
filosofie had losgemaakt van theologie en dat de opzet van geloof en dogma onaangetast bleef.
Maar met vertalingen in het Nederlands van de Latijn waarin Descartes geschreven had, het
verspreiden naar de gewone man maakte de tegenstanders woedend. Eenvoudige mensen, zegden zij,
zaten thuis en in de tavernen in opwinding te bespreken of de aarde om de zon draait, en of God
echt de zon stil in de hemel liet staan voor Josia.
De Hervormde Kerk bracht de strijd naar de Staten van Holland bij 1656 met verzoeken om het
ondermijnen van de autoriteit van het Heilige Schrift stop te zetten. De Universiteit van Leiden
vroeg voor een edict dat scheidde filosofie van theologie en in antwoord trefde de Staten een
maatregel hiervoor. Het edict kreeg goedkeuring van al de Hollandse stadsraden behalve Leiden
(welke stond sterk voor Oranje). De Zuid Hollandse Hervormde Sijnode nam het aan als een manier
om uniformiteit te behouden in universiteit en Kerk en om schadige scheuren te voorkomen. Dit
verwijderde de hindernis voor onderwijs en het bespreken van de leer van Descartes in filosofie en
wetenschap.
Hierna stilde het geschil in Leiden en Utrecht maar nu werd het hevig in Gelderland, Groningen, en
speciaal in Friesland. In 1660 de Sijnode van Gelderland regelde voor de benoeming van een
Descartes aanhanger als professor van theologie aan de Nijmeegse Hogeschool; een andere benoeming
voor professor van filosofie te Franeker werd sterk tegengestaan door predikers aldaar, maar in
1668 de Sijnode van Friesland wees een verzoek voor een reglement banning de leer van Descartes
af.
Alles veranderde met het overwerpen van het regime van de Witt en met het stadhouderschap van
Willem III in 1672. Nu stonden de aanhangers van Descartes niet meer zo hoog en werden zelfs
aangevallen. Descartes was zelf al in 1650 te Stockholm overleden en Spinoza werd nu een doel.
In een brief van 1675 klaagde Spinoza dat Hervormde predikanten hem aan de Prins beschuldigden.
Te Utrecht een nieuwe professor roeide Descartes uit de filosofie. Te Leiden in 1676
directeuren maakten een lijst met twintig strikte Decartes stellingen welke zij voorstelden
als verderfelijk en niet te onderwijzen in theologie of filosofie, noch in de wetenschappen.
De Prins van Oranje keurde het goed en nieuwe lectors moesten de leer afwijzen. Het was een
academische ontwikkeling maar met een grote invloed op geschoolde mensen en het geletterde
publiek. De Leidse lijst verkocht 2 000 exemplaren in enkele dagen uit boekenwinkels te
Amsterdam ~ welke stonden vol met boeken en pamfletten over de geschillen.
In Friesland echter (gedeeltelijk omdat Willem III er tegen stond), Stadhouder Hendrik Casimir en
het hof steunde de leer van Descartes, en in 1677 benoemde een voorstander aan als lector voor
theologie te Franeker. De Sijnode van Friesland stond in wezen sterk hiervan gescheiden. Maar
een nog sterkere aanhanger van de leer van Descartes werd aangezet in filosofie. Over de volgende
tien jaar of zo moest de Staten van Friesland herhaardelijk ingrijpen om Franeker redetwisten te
kalmeren.
De Universiteiten
Gedurende de zeventiende eeuw de universiteiten en academische kultuur in de Nederlandse
Republiek werden vermaard in Europa. Met Engeland en Frankrijk was het een van de middelpunten
voor intellectuele krachtsinspanningen voor meer dan honderd jaar, maar haar universiteiten
overtrefden die in alle andere landen in de omvang en betekenis van academische prestaties. Na
de Reformatie de scheur van religie dat ging door heel Europa betekende dat er was niet meer
alleen een academische wereld gesteund en gecontroleerd door de Katholieke Kerk. De hogescholen
en universiteiten in de Verenigde Provincien waren Protestantse inrichtingen ~ en tezelfder tijd,
de meest belangrijkste Nederlandse universiteiten (te Leiden, Utrecht, en Franeker) samen maakten
een academisch tribunaal dat was internationaal.
De vijf universiteiten (met de grote drie ook Groningen en Harderwijk) hadden zo veel studenten
als Oxford en Cambridge (Engeland) en een-derde tot de helft van hen kwamen uit het buitenland.
Velen kwamen vanuit de protestantse landen in het oosten (Duitsland, Hongarije, Pruisen, Polen) om
theologie te studeren; ook uit Frankrijk, Engeland, en Schotland; de meesten uit Scandinavie zaten
in de faculteiten voor medicijnen en rechtskunde en ook die voor kunsten. De voorrang van het
onderwijs in medicijnen te Leiden was algemeen herkend voor het hoge peil van de werkelijke
opleiding en klinisch onderzoek ~ speciaal na de instelling van een universiteit ziekenhuis in
1637.
Denen, Zweden, en Finnen zaten in al de faculteiten en speciaal volgden klassieke en taalkundige
studies. Tussen 1640 en 1660 bijna de helft van de professoren te Uppsala (Zweden) en te Abo
(Finland) hadden in Leiden afgestudeerd, en in Denemarken de meeste wiskundigen, geneesheren, en
wetenskundigen van enig aanzien hadden ook hun opleiding gevonden in de Verenigde Provincien.
Toen de leer van Descartes zich verspreidde, nam het Nederlandse universiteitsleven een gevoel aan
van geestelijk stimulerende opwinding. Veel van de voornaamste regenten in de laatste helft van
de eeuw hadden een hoge interesse in de nieuwe onderwerpen welke zij meestal als studenten te
Leiden hadden aangenomen.
De Wetenschappen
De filosofie en wetenschap van Descartes oefende een grote invloed uit op de Nederlandse kultuur
vanaf de 1640ers, maar er waren nog twee andere drijfveren met een grote invloed op Nederlandse
wetenschappen tot ver in de achtiende eeuw: het vooruit brengen van een ontwikkelende technologie,
en de goede gevolgen van de 'rijke handel' welke bracht voort onder rijke groothandelaren en
regenten een passie voor het verzamelen en rangschikken van 'rariteiten' ~ uit het plantenrijk en
de dierenwereld, fossielen, schelpen, en mineralen. Dit laatste werd in feite een van de meest
belangrijke bijdragen aan de Europeaanse Verlichting.
Christiaan Huijgens (geb. 1629 te 's-Gravenhage) was het meest universele genie dat Nederland
voortbracht, alleen te vergelijken met de allergrootsten als Galilei en Newton. Het merkwaardige
is dat zijn figuur groeide tot ver in de twintigste eeuw met nieuwe vondsten van onbekende
schatten in zijn nagelaten papieren. Hij was een grote wiskundige, een volleerd sterrenkundige,
met een veelomvattende aanpak voor wetenschappen en technologie. Hij maakte en verbeterde
telescopen en microscopen; in 1656 vond hij de slingerklok uit welke hij begon (met een
deskundige) te fabriceren ~ voor het eerst met een secondewijzer. De admiraliteit werd door hem
gewezen aan gebruik op zee om de geographische lengtegraad te vinden. Zijn meest voortdurende
bijdragen kwamen in de leer van het zien bevattende de beroemde golftheorie van het licht.
Spinoza had zo veel interesse in en deed zo veel proeven met microscopen dat zelfs Huijgens toegaf
dat de instrumenten van de filosoof meer geavanceerd waren dan de zijne, maar het was de zoon van
een Amsterdamse apotheker welke het gebruik van de nieuwe instrumenten buitengewoon uitbuitte.
Jan Swammerdam (geb, 1637 te Amsterdam) studeerde medicijnen te Leiden en Saumur (Frankrijk) en
kwam daarna terug naar Amsterdam waar hij zich bijna uitsluitend aan anatomische en entomologische
studies wijdde. Zijn werk muntte uit door scherpzinnigheid en wetenschappelijke zin. Zijn
'Algemeene verhandeling der bloedeloose dierkens' (1669) legde de grondslag voor de natuurlijke
indeling der insecten, maar zijn onderzoeken in de mechaniek van het lichaam waarbij hij
bloedlichaampjes ontdekte en de structuur van menselijke hersens, longen, en ruggegraat merg,
waren onbekend tot de 'Bijbel der Natuure' werd uitgegeven in 1737.
Zijn opvolger was Antonie van Leeuwenhoek (geb. 1632 te Delft). Hoewel volkomen dilettant,
besteedde hij al zijn vrije tijd aan de studie van de natuur en werd wereld beroemd. Hij had ook
een wetenschappelijke aanpak doorgedrongen met de mechaniek van Descartes ~ in onvermoeibaar
onderzoek van anatomie, entomologie, en plantkunde. Hij had in hoge mate een vaardigheid in het
maken van lenzen en maakte microscopen tot 500-maal vergroting. Van Leeuwenhoek ontdekte de
bacterium, en onthulde het structuur van sperma. Zijn mededelingen, welke muntten uit door
nauwkeurigheid en strenge waarheidsliefde, kwamen meestal in brieven (geschreven in het Nederlands)
aan verschillende geleerden en werden door de ontvangers in Latijn vertaald en gepubliceerd.
De Anti-Socinianisme Beweging
Lelio Sozzini (geb, 1525 te Siena, Italie) een jurist, had een persoonlijke betrekking met Calvijn
in 1547, in 1588 was te Krakau. In geschriften sprak hij twijfel uit aan de voornaamste dogmas
der Kerk: de godheid van Christus, de drie-eenheid, de erfzonde. Zijn neef Fausto Sozzini
(geb.1539 te Siena) ging van rechtswetenschap tot de theologie over. Hij ook was te Krakau en
later Rakow. Het Socianisme is het stelsel ontwikkeld door hem als de Rakowse Cathechismus in
1605. Hij is de stichter der Socinianen.
Gedurende de jaren onder het verdraagzame beleid van Frederik Hendrik in de 1640ers, moesten
strenge Calvinisten terug stappen van het vervolgen van Katholieke godsdienstige bijeenkomsten,
en de ongecompromitteerde onverdraagzaamheid voor Remonstranten, zoals in 1619. Zij moesten
aanvaarden dat ~ in de Republiek ~ Katholieke godsdient in een woonhuis (zo lang het niet te veel
bijwoners had) buiten hun terrein lag.
Maar de strenge levensopvatting van Gijsbert Voet en zijn volgers (de zgn. Voetianen) konden de
ontkenning en het verwerpen van dogmas niet aannemen. De beweging tegen Socianisme vanaf ongeveer
1650 bleef een groot gedeelte van het Nederlandse denken en kultuur in de volgende half eeuw, en
werd de stuwkracht (en een rechtvaardiging) voor een beleid van onverdraagzaamheid tegen vrijheid
van geweten en geloof. De Kochejanen (aanhangers van de 'onorthodoxies' van Johannes Koch) doch
minder strikt, konden het Socianisme evenmin aanvaarden.
In 1653 de Staten van Holland verbood Sociniaanse conventikels, winkels met boeken welke de
drie-eenheid (vader, zoon, en de heilige geest) ontkenden werden beboet 1 000 gulden en drukkers
3 000. Stappen werden genomen eerst in Zeeland, dan door heel Holland en in Utrecht, en dan ook
door de Staten van Friesland en Groningen. Dit werd gedeeltelijk gedaan om politiek aanzien te
behouden maar ook gedeeltelijk omdat een echt anti-socinianisme bestond in al met uitzondering
van de meest onbevooroordeelde regenten.
In Holland, na een paar jaar, de anti-Sociniaanse beweging verminderde tussen 1660 en 1672, maar
niet zo in de andere provincies. In de 1680ers de Sijnode van Overijssel werd geschrokken door
een groeiende invloed van het Socinianisme onder Mennonieten rond Blokzijl, en te Groningen de
raad aldaar moest het herhaardelijk onderdrukken tot 1712. In Friesland werd het een belangrijke
kwestie: een felle aankondiging uitgegeven in 1662 waarschuwde met boetes en gevangenisstraffen,
en bemachtigde Hervormde predikanten met het 'ondervragen . . . van personen welke verdacht worden'
voor een politierechter ~ een soort informeel inquisitie nooit gezien in Holland. De uitkondiging
werd hergeven in 1687 toen dringende geschillen opkwamen te Leeuwarden, Harlingen, en in kleinere
plaatsjes.
De Nederlandse Republiek had zonder twijfel meer vrijheid dan andere Europeaanse maatschappijen
gedurende deze tijd, en verdraagde meer kerken en geloven dan enig ander. Velen werden toegestaan
hun boeken uit te geven en zelfs hun eigen verklaringen op het Schrift. Toch hield de Republiek
aan met een veelomvattende censuur dat bracht teweeg een echte en geduchte hinder tegen het uiten
van zekere meningen van geloof en filosofie.
Radikaal Gevolg van Descartes en Spinoza
De stellingen van Descartes en de Kochejanen tezamen maakten een brede stroom van onbevooroordeeld
denken in filosofie, theologie, en wetenschappen in de Nederlandse Republiek gedurende de laatste
helft van de zeventiende eeuw ~ welke was buigzaam in theologie, vedragelijk tegenover
vernieuwingen in filosofie, en vurig om de mechaniek van Descartes uit te breiden. Doch deze
stroming buiten universiteit, gemeentelijk beleid, en de publieke Kerk liep, het ondertekende de
strenge grenzen waarover geen filosoof, theoloog, wetenschappelijke, en dichter mocht stappen.
Denkers welke zich over de beperking waagden gingen een gevaarlijk gebied in.
Spinoza werd uit de sijnagoge gestoten in 1656 over het 'filosofisch' onderhandelen van God en
het Schrift te betwijfelen en dat van rabbinaal gezag. Bij 1662 schreef hij tegen goddelijk
tussenkomen in het leven van de mensheid en het bestaan van de duivel. "Ik kan God van de Natuur
niet scheiden," schreef hij aan een correspondent te London, "zoals ieder andere kennis heeft
gedaan." Zijn geschrift van 1662 werd niet uitgegeven tot de mid-achtiende eeuw.
Spinoza was een onmetelijk machtige denker die een grote indruk leende aan degenen om hem heen, en
een kring had gevormd te Rijnsburg (waar hij voor een tijd woonde) en Amsterdam dat was toegeweid
aan het lezen en bepraten van zijn handschriften en klaarstond om 'de waarheid te verdedigen tegen
wie bijgelovig kerkelijk is . . . en tegen de aanvallen van de hele wereld'. Spinoza was geen
kluizenaar, maar een strevende filosoof en een politieke realist ~ hij wist wat hij kon en niet
kon schrijven en uitgeven. Zijn doel was een radikaal veranderen van de filosofie net zo
ingrijpend als Descartes maar daar kon hij niet mee uitkomen. "Ik zal zwijgen liever dan dwing
mensen naar mijn overtuiging tegen de wil van mijn land en zet hen tegen mij," schreef hij naar
London. Tezelfdertijd werkte hij aan zijn hoofdwerk 'Ethica', dat slechts na zijn dood in 1677
anoniem werd uitgegeven (en waarin hij de eeuwiglevende ziel ontkent).
Verschillende leden van de Spinoza kring schreven wel ~ anoniem, of betaalde er duur voor als een
echte naam werd gedrukt. Een van hen kreeg tien jaar gevangenisstraf, een 4 000 gulden boete, en
overleed achter de tralies in 1669. Zijn broer was ook aangeschuldigd maar werd vrijgelaten door
de magistraat te Amsterdam op het principe dat in de Verenigde Provincien een burger, die niet
boeken heeft geschreven of mensen heeft vergaderd, niet gestraft kan worden voor ongoddelijke
meningen,
In het anoniem (en in Latijn) 'Tractatus Theologo-politicus' in 1670 uitgegeven te Amsterdam ~
vervalst als 'Hamburg ', Spinoza schrijft dat hij mens en maatschappij los wil zetten van
bijgeloof gekoesterd in angst en dus van intellectueel slavernij. "Geloof," schreef hij, "is
slechts een leerstelling geworden van lichtgelovigheid en vooroordeel." Het gaf onmiddelijk
aanleiding tot een woeste storm door heel Holland. Het boek werd door de overheid gegrepen uit
de winkels te Leiden en de Zuid Holland Sijnode volgde dit met instructies om hetzelfde te vragen
van al de politierechters in de andere steden. Maar het boek had niet alleen een slechte invloed.
Zeker had het een brede invloed en veranderde het denken van velen met het hoogste verstand.
In 1693 werd de 'Tractatus' vertaald in Nederlands, en het verspreiden naar de burgerij
veroorzaakte een felle reagering van stedelijke en kerkelijke gezaghebbers dat had lange en grote
gevolgen in de geschiedenis der geest en kultuur van de Verenigde Provincien tot het eind van de
achtiende eeuw en zelfs later.
De Dood van de Duivel
Een van de voornaamste bijdragen van Spinoza aan Europeaans denken was zijn ontkenning van Satan
en duivels in het algemeen. Als het gebeurde was dit ook het grootste twistpunt van de vroege
Nederlandse Verlichting dat barstte uit in de 1690ers. Aanhangers van Descartes hadden een breed
intellectueel milieu in de Verenigde Provincien gemaakt waarin Satan, demonen, hekserij, en ook
engelen, gereserveerd en skeptisch werden aangeschouwd.
Balthasar Bekker (geb. 1634 te Metslawier) werd predikant te Oosterlittens, Franeker, Loenen aan
de Vecht, en Amsterdam. Reeds in 1657 trok hij te velde tegen spokerij en schreef 'Gerijmde
kinderleer'. Hij publiceerde zijn gehele leven, over de leer van Descartes, cathechetische werken,
en in het noodjaar 1672 door kloeke taal en wijze voorstellen had krachtig meegeholpen aan het
behoud van de noordelijke gewesten. Dit alleen zou een ereplaats in de geschiedenis der
beschaving verzekeren, maar zijn levenswerk 'De betooverde wereld' in vier delen uitgegeven
1691-93 kroonde hem met onsterfelijke roem ~ doch het boek kostte hem zijn ambt na een langdurig
kerkelijk proces.
Het meeste dat Bekker beweerde was uit de Bijbel getrokken. Niemand (noch Job, Paul, of Christus),
schreef hij, had ooit de Duivel gezien, en hij schilderde het Heilige Schrift als vol met
dichterlijke vrijheid en figuurlijke spraak op maat gemaakt voor de lichtgelovige begrippen van
de Hebreeuwen in de oudheid. Omdat het boek in het Nederlands en Fries was uitgegeven werd hij
beschuldigd met het verspreiden van de bedervingen van Spinoza naar de armen, de ongeschoolden en
de half-geletterden, en met het bemoedigen van elke middelmatige theologie student om te beweren
dat deze of andere passage in de Staten Bijbel verkeerd was vertaald uit het Hebreeuws of Griek.
Dat het publiek inderdaad een hoge belangstelling voor het boek had is zeker ~ 5 000 exemplaren te
Amsterdam, en 750 van de Friese editie, werden uitverkocht in een paar dagen.
De tegenstanders van Bekker (en de leer van Descartes) ~ de Voetianen probeerden in al de
provincien van de Republiek om Willem III en de Oranje Partij over te winnen en besliste stappen
te nemen om de redetwisten in de publieke Kerk stop te zetten. Het was de laatste keer in de
geschiedenis van de Republiek dat Calvinistische orthodoxen het regime trachtten over te halen
naar een verbanning van hun theologische vijanden, hen tot zwijgen dwingen en uit de publieke Kerk
te verjagen.
Te Amsterdam, velen in de stad hadden gelijkstemmige gevoelens met Bekker en zelfs de kerkeraad
stond slechts gematigd tegenover zijn boek. Doch de Zuid Hollandse Sijnode legde pressie op de
Noord Hollandse, de kerkeraden aldaar konden geen overeenkomst vinden tot in 1692 een meerderheid
de Amsterdamse houding overwierp, maar het vroedschap schorste Bekker slechts met doorgang van zijn
salaris en zonder zijn ambt aan te tasten. Utrecht en sommige andere steden hadden een
plaatselijke ban op 'De betooverde wereld' maar Amsterdam en de Staten van Holland deden did
nooit.
Ongeveer 170 boeken voor en tegen Bekker kwamen uit in de volgende
drie jaar, maar omdat meest van de geschillen in de Nederlandse taal werd uitgegeven kreeg een van
de grootste opwindingen in Nederlands denken en opzichten weinig aandacht in Engeland en
Frankrijk. Het had wel een merkbaar gevolg in midden-Europa. Het boek was in het Duits vertaald
en werd in dat land een grote gebeurtenis geacht. Bekker werd gezien als de kampioen voor een
nieuw atheisme. Het werk werd nog in 1781 uitgegeven te Leipzig in een nieuwe Duitse vertaling.
Het Koloniale Rijk
In de jaren rond 1640 lijkte het dat de Nederlanden een reusachtig en winstgevend koloniaal rijk
hadden bevestigd in het westerse en nog een ander in het oosterse werelddeel. Brazilie, of Nieuw
Holland in Zuid Amerika ~ van de Amazon monding tot de Sao Francisco rivier en noord tot de
Caribische eilanden, scheen veilig en welvarend. En dan was er het Noord Amerikaanse Nieuw
Nederland met Fort Oranje en Nieuw Amsterdam. Het was ook de grootste Europeaanse macht in
Afrika. Maar dit imposante rijk stortte plotseling ineen.
Bij het eind van 1645 Brazilie was verloren. De Staten Generaal, ondersteund door Zeeland,
Utrecht, en Groningen, stuurde een leger van meer dan 6 000-man maar het ervaarde grote verliezen
in 1648 en 1649. Het werd een sensatie in de Republiek waar Willem II gaf meest van de schuld
voor de vernedering aan de Staten van Holland. Bij 1654 hadden West Indische Compagnie aandelen
bijna geen waarde meer op de beurs. Maar de WIC veranderde van een streven voor een grandioos
handelsrijk met een leger en oorlogsbodemen tot een winstgevende overzee koopvaardij met in plaats
van militaire forten handelsnederzettingen.
In Oost Indie, ondertussen, de Verenigde Oostindische Compagnie had vanaf 1630 indrukwekkend
voordeel behaald met militaire overwinningen om de zeestraten te beheersen van India naar China,
en tussen 1660 tot de 1720ers was de grootste Europeaanse macht in India en Indonesie. De VOC
had ook succes aan de Kaap van Goede Hoop in zuid Afrika met een groeiende kolonie waar nieuwe
Nederlandse immigranten gestadig aankwamen en langzaam maar zeker Afrikaner Boeren werden.
Bij 1690 genoeg tarwe werd geteeld voor uitvoer naar Nederlands Indie. Meer dan dertig schepen
per jaar dokten in de haven van Kaapstad voor proviand tussen 1652 en 1700, en zeventig per jaar
tussen 1715 en 1740.
In 1657 de VOC had tenminste 160 schepen in Aziatische waters. Meest van hen zeilden tussen
verschijdene Aziatische havens, maar na 1700 dit aantal verminderde en tweederde van de VOC bodemen
zeilden op de Republiek ~ deze waren grote, zwaarbewapende, hoogbemande schepen, en daarom werd de
vraag voor zeelieden steeds groter. In 1688 de VOC had 12 000 werknemers in forten en
handelsnederzettingen in Azie, 6 000 op de thuisvloot, en nog 4 000 als bemanning voor tachtig
schepen op de Aziatische binnenvaart; in totaal 22 000, van welke 8 500 zeelieden waren. Toch was
dit slechts minder dan van tien tot twintig procent (25% bij 1770) van al de zeelieden in de
koopvaardij.
In het gehele Nederlandse handelsrijk van Azie en Zuid Afrika was de VOC het enige en hoogste
gezag onder het soevereine overzicht van de Staten Generaal. Het was onder beleid van de Heren
XVII ~ directeuren met hun kamers in Holland of Zeeland, en de gedragslijn was altijd dat de
Compagnie vormde en verbond de handel en diplomatiek van de gehele Verenigde Provincien in Azie;
en als een militaire macht bekrachtigd met het handhaven van legers, vloten, en garizoenen, was
het een uitschuiving van de Generaliteit. Het werd gewoonlijk voor een VOC directeur om ook de
ambt van regent te houden.
Het Nieuwe Regime
Willem III stierf te Hampton Court, Engeland, in 1702. Zes dagen later de pensionaris van Holland
was in de Staten Generaal met de mededeling dat de Staten van Holland beslist had het
stadhouderschap onbezet te laten. Dit was tegen de wens van de Prins waarvan hij in 1701 Holland
probeerde te overtuigen: het benoemen van de jonge Stadhouder van Friesland (zoon van Hendrik
Casimir) Johan Willem Friso (geb. 1687) aan hetzelfde ambt voor Holland. De Stadhouder-koning had
sinds 1696 Friso vooruitgezet als een opvolger in al de provincien.
Het overlijden van Willem III bracht dan ook een diepgaande verandering in het karakter van de
Verenigde Provincien. Oldenbarnevelt en de regenten van Holland hadden een vol republikaans
regime gesmeden, waarin Holland aan het hoofd stond van de Unie en bepaalde buitenlandse zaken en
middelen. De coup van Maurits in 1618 verminderde Holland tot een lijdende vorm; de Stadhouder en
zijn groep vervangden de Staten van Holland dat was het hart van de regering ~ en zo ging het tot
1650. Toen begon de aangenomen tijd van de 'echte vrijheid' met Johan de Witt. Het jaar van nood
1672 veranderde alles weer ~ de macht en invloed ging onverdund in de hand der Stadhouder en zijn
kring en verslapte de republikaanse traditie en formele behandelingen.
Dus 1702 was voornaam als een scheiding in de geschiedenis van de Republiek. Niet alleen voor het
sterven van de Prins en het begin van een oorlog met Spanje en Frankrijk, maar ook voor het
loslaten van een lang-gehouden spanning dat had sinds 1672 gedrukt. In Holland de verandering in
beleid en gezag ging bedaard en onmiddelijk zag een herdistributie en meer versprijding van macht
en invloed. De Stadhouder had in stedelijke politiek vaak tussen beide gekomen om macht te
grijpen voor kleine regente-klieken onderdanig aan hem. Nu, het doel was verspreiding van macht,
een sijsteem voor het wisselen van ambthouders, en een bestendige verhouding tussen regenten
facties.
De gunstelingen van Willem III gaven hun goudmijntjes niet op zonder tegenstand. De Verenigde
Provincien stond op het punt van oorlog en een hoogstaand kapitein-generaal was nodig beweerden
zij aan de Staten Generaal en voorstelden Prins George van Denemarken ~ consort van Anna Stuart,
nu Koningin van Engeland. Zij dachten zo een soort surrogaat stadhouder te bekrijgen, maar de
Amsterdamse regenten stonden het tegen. De Staten van Friesland en Groningen (in afsteking van
1651) probeerden niet om anderen van de provincien te overtuigen dat zij verplicht een stadhouder
moesten benoemen onder de beperkingen van de Unie, maar wel wilden zij hun jonge Stadhouder erkend
als 'Prins van Oranje' en in 1673 vroegen voor zijn benoeming als een generaal van infanterie. Dit
werd sterk tegen gestaan door republikaanse regenten in Holland, Zeeland, en de oosterse
provincien.
Bedaard als het ging, toch werden de veranderingen in het bouwwerk van de politiek grondleggend.
Een heropkomst van de Staten Partij bracht idealen van de republiek als een staatsvorm terug,
ideologische tradities, en raadplegende instellingen. Maar terwijl dit kalm ging in Holland, ging
het anders in de vier provincien welke ook beslisten in 1702 zonder stadhouder voort te gaan.
Gelderland en Zeeland vielen in oproer gestookt door slimme opruiers. Het begon te Tholen, en
verspreidde naar Goes, en dan Middelburg waar de schutterij gescheiden stond en burgerij zuiverde
Oranje aanhangers uit het vroedschap.
Nog meer onstuimig was het in Gelderland. Net als Utrecht en Overijssel, de Staten van Gelderland
onmiddelijk wees de regelingen van Willem III af, maar het deed niets om zijn aanhangers van hun
ambten te zetten. Onder eeuwen-oude verplichting moesten Gelderse stadsraden over belangrijke
zaken een college van gemeenslieden raadplegen. Doch de traditie was over de jaren verslapt, het
had nog veel betekenis in de gemeentelijke zaken van stadjes in Gelderland en Overijssel, en de
stad Groningen, als een tribunaal voor de burgerij en de gilden.
Het was in deze stadjes waar de vroege stimulans begon voor democratische neigingen dat zouden door
heel het land verspreiden gedurende de 1680 en 90ers. Er waren hier in de burgerlijke stand
welgestelden, geletterden ~ vaak welgesproken advokaten, welke voelden gestroopt van invloed in de
gemeenten door Willem III. Gemeenslieden verkondigden met hoge aandrang hun plicht om te
verzekeren dat bevoegde mensen, trouw aan de Hervormde Kerk, in de raad werden gezeteld om een
wettig en goed gemeentelijk beleid te waarborgen. De steden van Gelderland probeerden de
gemeenslieden te schorsen, maar dit veroorzaakte alleen opstand tegen hun gezag, Oproer begon
in Nijmegen, dan Tiel en Zaltbommel, en verspreidde naar Zutphen en Arnhem. De opstand ging naar
Utrecht en Amersfoort waar bewapende burgers de stad grepen in 1703, en door Overijssel ~ speciaal
te Deventer. De organisatoren (de 'Nieuwe Ploeg', werden zij genoemd) wilden terug naar de 'echte
vrijheid' van de Witt maar beweerden ook dat 'soevereiniteit was overgedragen aan het volk' welke
had het recht om gemeentelijk gezag te ondoen voor de welzijn van de burgerij.
Voor Holland dit alles was een storing want met een oorlog moest de Generaliteit standvastige
binnenlandse omstandigheden verzorgen. De Staten Generaal konden niet een overeenkomst bereiken
in antwoord aan het oproer dat nu ook uitbarste naar Harderwijk, Wageningen, Putten, en andere
stadjes. Van 1704 protesten met en zonder geweld in veel van de Gelderse steden gingen door tot
1707. Dit was het jaar dat Johan Willem Friso zijn meerderjarigheid berijkte en werd benoemd tot
Stadhouder te Groningen; zijn aanhangers betitelde hem nu als 'Prins van Oranje'. De hoop hij
gaf aan zijn Partij verdween toen hij verdronk bij Moerdijk in 1711.
De Oorlog van de Spaanse Erfgenamen
In 1702 de Verenigde Provincien verklaarde oorlog aan Frankrijk en Spanje met haar bondgenoten
Britannie, Oostenrijk, en Pruisen. De Nederlandse rol in de strijd zou bepaald worden bij
voordeel voor Holland. In 1701 Franse troepen drongen zuid-Nederland in en garizoenen in de
steden langs een verdedigingslinie aldaar werden terug getrokken. Er was nu geen buffer tussen
Frankrijk en de Republiek en het kon handel beperkingen op de Schelde niet meer handhaven.
Tezeldertijd was Pruisen opgekomen als de grootste macht over de oost grenzen waar de Nederlandse
politiek, economie, en geloof overheersend was geweest.
Met opzicht van manschappen en middelen ontketende de Republiek de grootste en meest langdurende
militaire inspanning in haar geschiedenis. Het leger groeide van 40 000 tot meer dan 100 000-man
en in 1708 zelfs tot 119 000 en 130 000 in 1712 maar, groot als het was, de legers uitgerust door
Frankrijk, Britannie, Pruisen, en Oostenrijk waren groter en machtiger. Op zee stond Britannie nu
ook hoger dan Nederland (als gezien in een marine overeenkomst van 1689 waarin vijf schepen werden
voorzien door Britannie voor elke drie door de Republiek). Doch het veroorzaakte ernstige
stoornis in het Nederlandse handelsijsteem, in de steden, en in industrie, handelaren,
fabrikanten, en het publiek ondersteunden de Staten van Holland in het voeren van de oorlog.
In de eerste jaren geallieerde troepenmachten behaalden een lange serie van verbijsterende
overwinningen op land en zee. Zuid Nederland werd bevrijd en Madrid veroverd in 1706. Een 1709
verdrag met Britannie gaf de Staten Generaal het recht om garizoenen te plaatsen waar het ook
wilde voor een nieuwe verdedigingslinie door zuid-Nederland, en Holland beheersde de economie in
de zuidelijke provincies tot 1713. Maar als de oorlog had voorspoed in zuid-Nederland, Duitsland,
en Italie, het ging slecht in Spanje en de Nieuwe Wereld. Bij 1710 wat was eigenlijk de eerste
wereld oorlog werd een enorme impasse welke putte al de deelnemers volledig uit ~ en speciaal de
Fransen en Nederlanders.
Gedurende een paar jaar tot 1710 probeerde Lodewijk voor een overeenkomst met Nederland maar
onderhandelingen te Geertruidenberg kwamen tot niets, gedeeltelijk omdat de Republiek hem niet kon
vertrouwen. Tijdens een vrede congres tussen al de strijders te Utrecht in 1712 kwam het uit dat
Frankrijk en Britannie een verdrag hadden ondernomen. Bittere ontgoocheling ging door de
Republiek en Oostenrijk. Anti-Engels oproer barstte uit te Den Haag en er werd gesproken over
een vierde oorlog met Engeland, maar de Staten Generaal had geen keuze behalve het tekenen in 1713
van de Vrede van Utrecht als op maat gemaakt door Britannie en Frankrijk.
De Oostenrijkse Nederlanden en het Noorden
Vanaf 1659 tot de oorlog van 1702 kon Spanje het zuiden niet tegen Frankrijk verdedigen zonder
hulp van de Republiek, de Schelde lag gesloten, en zuid-Nederland was strategisch en economisch
geboeid en onderdanig aan de Verenigde Provincien. Als gevolg had het de kloof tussen de twee
Nederlanden wijder gemaakt, en bracht voort de wrevel van zuid-Nederlandse inwoners dat werd
versterkt door de verschillen in geloof, en ook een diepe teleurstelling onder mensen in de handel
en fabrieken te Antwerpen, Brussel, Brugge, en Ghent. De Spaanse erfgenamen kwestie werd hier dan
ook gezien als een manier om de voogdijschap van het noorden te breken, en de Franse invasie in
1702 was verwelkomd bij de plaatselijke regering en het volk ~ welke hielp de Fransen om de
vestingsteden op de verdedigingslinie te veroveren zonder een schot gevuurd door Nederlandse
garizoenen.
Als gevolg van de Vrede van Utrecht, na bijna twee eeuwen, werd zuid-Nederland los gemaakt van
Spanje en overgedragen aan de Keizer en dus aan Oostenrijk, maar een verdrag van Antwerpen in 1715
zette alles terug naar de overeenkomsten van 1648 te Munster; de Schelde opende niet voor de
koopvaart en Nederlands handelsprimaatschap was hernieuwd. Vestingsteden in een nieuwe
verdedigingslinie werden bemand door 35 000 manschappen in garizoenen (21 000 van Oostenrijk en
14 000 van de Republiek ~ vermeerderd van 8 000 voor de oorlog) van Veurne, Ft. Knokke, Ieper,
Warneton, Menin, en Tournai, tot Namur. Hier kon de Staten Generaal militaire goeverneurs zetten,
maar Protestantse godsdienst mocht alleen gehouden worden in woonhuizen. De Rubliek kreeg een
jaarlijkse subsidie van een-en-een-kwart-miljoen gulden van de Oostenrijkse Nederlanden voor het
onderhoud van de garizoenen.
Weinig veranderde met de eerste goeverneur-generaal voor de Oostenrijkse Nederlanden vanaf 1716,
maar geestdrift voor het nieuwe regime koelde snel. Wat de Republiek won werd gezien als ten
nadeel van de zuidelijke provincies: de Schelde, invoer tariefen, en de subsidie, en het volk
vermoeide van Nederlandse en Oostenrijkse troepen in hun steden. De goeverneur-generaal kon
moeilijk de Nederlandse handel aantasten want dat zou de verhouding tussen de Republiek en
Oostenrijk schaden, maar hij hielp met de opzet in 1722 van de 'Oostendsche Compagnie' voor
zeevaart op de Oost Indien (het bestond slechts tot 1731).
De Staten Generaal van Oostenrijks Nederland werd voor het eerst bijeengeroepen in 1725 (het zou
niet meer vergaderen tot 1789) en rechten en instellingen werden hernieuwd. De regering werd meer
gestroomleind en redelijk met opzicht van het provincieel en fiscaal uitvoeren, maar macht lag met
ambtenaren in een Geheime Raad met uitsluiting van de plaatselijke adel ~ en over al stond de
Keizerlijke Hof Kanselarij te Wenen.
Beide gedeelten van de Nederlanden ervaarden een lange inzinking in de landbouw vanaf de 1660ers
tot diep in de achtiende eeuw. Maar waar in Vlaanderen en Brabant huren op het platteland en de
prijs voor land zagen herstel bij 1720, in het noorden kwam dit niet tot 1750. Dus in het zuiden
de landelijke bevolking vermeerderde in deze tijd terwijl het verminderde in het noorden. Maar
het levensstandaard daalde in noord en zuid in gemeen, en armoede groeide overal.
Neutraliteit en Binnenlandse Bestendigheid
Zodra de oorlog over was begon de Staten Generaal met het ontbinden van het Nederlandse leger. De
troepen verminderden van 130 000 tot 90 000 in 1713, en 40 000 bij 1715. Wat was over van het
leger werd gegarizoend in de vestingsteden in het zuiden, de Generaliteit, en in Gelderland. Dit
was niet veel anders van wat vroeger had plaats genomen in de geschiedenis van de Republiek. Na
de Vrede van Munster in 1648 stond het leger ook slechts op 30 000-man en nu, als toen, had de
vermindering een ernstig ongunstig resultaat op de economie in de grenssteden. Maar nu gaf het
een betekenis dat maakte het grondelijk anders van vroeger want nu was de Repuliek niet meer een
grote macht in Europa. Kosten voor de strijdskrachten werden drastisch ingekrimpt, schulden
bleven weergaloos hoog maar de provincien hadden geen neiging om belastingen te verhogen om de
leningen te lossen. De oorlog van 1672-78 had Holland een schuld van 38-miljoen gulden
achtergelaten, maar bij 1713 de schuld stond op een schrikbarend 128-miljoen.
Een serie speciale vergaderingen van de Staten Generaal werden bijeengeroepen in de jaren 1716-17
om de toestand van de Unie te overwegen en een herziening voor te stellen. Doch niet een congres
van provinciele Staten zoals in 1651, de vergaderingen werden benoemd als de tweede Grote
Vergadering. Simon van Slingelandt (geb. 1664 te Dordrecht) de secretaris van de Raad van State
schreef een advies hiervoor: 'Discours over de defecten in de tegenwoordige constitutie van de
Staat der Verenigde Nederlanden' waarin hij een merkwaardig uitvoerige kennis van de geschiedenis
en instellingen van de Republiek sinds 1572 onthulde, en een echte eerbied voor het staatsbestel
en de grondwettelijke tradities en principes van de Verenigde Provincien. (Hij werd gepasseerd in
1720 voor pensionaris van Holland, maar tot zijn dood in 1736 wist van Slingelandt Nederlandse
belangen zeer te dienen. Zijn 'Discours' werd uitgegeven in 1784.) Het enige dat de tweede Grote
Vergadering besliste was een verdere vermindering van troepen tot 34 000-man.
Vanaf de dood van Johan Willem Friso in 1711, was de Oranje Partij niet zeer levendig, maar was
toch in staat om de gemeenslieden van Gelderland af te schaffen in 1717, en een jaar later de
zeven-jaar oude zoon van Friso (nu erfelijk 'Prins van Oranje') werd benoemd als toekomstige
stadhouder van Friesland en in 1719 van Groningen, en in 1722 ook voor Drenthe; de Partij spoorde
Gelderland aan om de benoeming ook te maken. Dit was een belangrijke ontwikkeling want het was
voor het eerst dat het Frieze Stadhouderschap gecombineerd werd met dat van meerdere provincies,
De Staten van Holland, Zeeland, en Overijssel waarschuwde dat dit scheidingen in heel de Verenigde
Provincien zou veroorzaken, maar de Staten van Gelderland negeerde dit en deed het toch. De
Staten van Utrecht hernieuwde bevestigingen van 1651 en 1702 waarbij het was vrijgesteld van
stadhouderschap. Holland nam een resolutie aan in 1723 ~ met steun van Zeeland, Utrecht, en
Overijssel, om door te gaan zonder stadhouder.
Bij 1725 nieuwe allianties hadden zich gevormd in Europa: Spanje-Oostenrijk en Britannie-Frankrijk
-Pruisen. Oostenrijk schond de rechten van de Republiek in zuid-Nederland. Pruisen had een
neiging voor enkelen van haar oosterse gebieden ~ Maastricht, Venlo, en Roermond waren al
gescheiden en omheind met de territories van Pruisen welke had ook opper-Gelderland verworven, en
Pruisen maakte een steeds hechtere verbinding met Emden en Oost Friesland vanwaar haar
koopvaardijvloot op West Afrika en de Caribische gebieden te water werd gelaten in concurrentie
met de Nederlandse. De Staten Generaal was erg ongerust, en bracht het leger van 34 000-man
tot 54 000-man in 1727.
In 1729 de Prins van Oranje, Willem IV, werd achtien jaar oud, nam zijn ambten aan, en van het
Prinsenhof te Leeuwarden begon een levendige rol te spelen in de politiek. Holland regenten
hielden hem uit de Raad van State, maar het Huis van Oranje Nassau berijkte te Berlijn in 1732 een
overeenkomst in een langdurend dijnastisch dispuut met de Koning van Pruisen ~ Pruisen kreeg
Lingen en Moers, Willem gaf op rechten voor standing in Duitsland en de Koning in de successie
van Oranje-Nassau, en beiden konden de titel van Prins behouden. Zeeland was ongerust dat Willem IV
nu een recht kon beweren als Markies van Vlissingen en Veere, en de Staten bood hem 250 000-gulden
aan om het af te kopen, welke werd geweigerd. De Prins had ook plannen om de dochter van de
Engelse koning te trouwen. Dit was zeer onaangenaam voor Raad van State secretaris van
Slingelandt, voor Amsterdam, en de Hollandse regenten, maar het huwelijk werd gevierd te Londen in
1733.
Een oorlog waarin al vier buurlanden van de Republiek werden betrokken begon in 1740 over de
Oostenrijkse sucessie. Bij 1744 stonden Britannie en Oostenrijk tegen Pruisen en Frankrijk. Het
Nederlandse leger werd tot 84 000-manschappen op gebracht maar eigenlijk zou de Republiek liever
neutraal blijven als het even mogenlijk was. Omdat noch de Staten Generaal, noch het leger, graag
in deze oorlog wilden vechten zag Frankrijk een kans weer zuid Nederland te overvallen.
Het garizoen te Menen viel in een week, te Ieper in negen dagen. In 1745 viel Frankrijk weer aan
met een belegering van Tournai, veroverde het na een overwinning in een veldslag tegen een
Nederlands-Engels-Oostenrijks leger, en bij 1746 de Fransen hadden Antwerpen en Brussel bezet en
het meeste van Oostenrijks-Nederland behalve Luxemburg. Het volgende jaar een betrekkelijk klein
Frans leger van 20 000-man drongen door Vlaanderen en namen Hulst, Axel, en Sas van Gent.
Niemand kon de enorme en opzienbarende gevolgen voorzien. Terwijl de Staten Generaal een goede
verdediging probeerde op te zetten met een vermeerderd leger van 95 000 troepen, werd het volk
hoog opgewonden. De heersende mening stond sterk tegen de regenten, en de Nederlandse Republiek
op het punt van een grootschalige revolutie.
De Maatschappij
De waarmerken van de Nederlandse Maatschappij in 1720 waren het ongebruikelijke, zindelijkheid,
voorspoed, de pracht der steden, en de betrekkelijke afwezigheid van armoede. Zaandam was het
eerste echt industrieel gebied in Europa met over 600 bedrijfsmolens. Het veranderde grondig met
een versnellende ineenstorting van de 'rijke handel' en de overzee koopvaardij (en als gevolg de
meesten van de uitvoergerichte bedrijven), en een rampzalig inkrimpende visserij. Dit markeerde
het eind van het economische sijsteem van het Gouden Tijdperk.
Groothandelaren te Amsterdam verloren internationale macht en invloed; tabakfabrieken aldaar
krimpten van ongeveer dertig in 1720 tot slechts acht bij 1751, en katoenpersen kelderden van
tachtig in 1700 tot een-en-twintig bij 1770 en twaalf in 1796. De levenskracht van Leiden werd
verwoest in de jaren 1720-30; het produceren van verfijnde stoffen stortte van 25 000 rollen per
jaar in 1700 tot slechts 8 000 bij het eind van de 1730ers. Het was hetzelfde in Haarlem waar
linnenbleken werkzaamheden ontbondden. Het raffineren van zout te Enkhuizen, Dordrecht, en
Zierikzee viel ineen. Op de Zaan, walvis olie, zeildoek, touwmaken, en scheepsbouw hadden sterk
afgevallen bij de 1750ers.
De ineenstorting werd niet alleen in Holland en Zeeland ervaren want de economie in de landwaartse
provincies was ook afhankelijke aan de overzee handel. De noord Brabant linnenweverij viel
uiteen na 1740 en in Twenthe gedurende de 1750 en 1760ers. Dit had een verlammend gevolg ook in
Overijssel. Harlingen, de grootste industriele stad in Friesland begon een diepe ondergang vanaf
1750.
Het is vaak verondersteld dat zelfs met het instorten van de 'rijke handel', de zeevaart naar de
Oostzee voor stortgoederen overleefde maar dat was niet zo. Er was inderdaad een groter aantal
kleine schepen vanuit Friesland en de Wadden eilanden, maar het voornaamste stortgoederen verkeer
met grotere schepen daalde enorm en verwoeste de havensteden van Holland. Te Hoorn de tonnenmaat
ging van meer dan 10 000 per jaar in de 1680ers tot 1 800 in de 1730ers, en slechts 1 200
tonnenmaten by de 1750ers. Enkhuizen werd geruineerd met het ineenvallen van de stortgoederenvaart
en ook dat van de haring-visserij. Zelfs Rotterdam, de Nederlandse stad welke biedde het hoofd
best aan de toestand, leed een dertig-procent afname in handel.
Op de Zaan, van meer dan veertig scheepswerven in 1690, slechts de helft waren nog op stand bij de
1750ers. Nog erger was het in de houthandel ~ bomen veilingen verminderden van meer dan dertig
per jaar in 1720 of zo tot minder dan tien in 1760ers. Vanaf vroeg in de vijftiende eeuw de
haringvisserij was altijd een van de belangrijkste steunpillaren in de Nederlandse economie maar
na 1713 kwijnde het en bij de 1760ers de vangst was minder dan een derde van wat was normaal
geacht in de zeventiende eeuw, en de vloot minder dan een kwart.
De landbouw was anders doch schrompelde net als de andere sectoren van de economie. De landelijke
neerslachtigheid dat was begonnen in de 1660er jaren ging niet alleen door maar werd erger in de
achtiende eeuw ~ in Holland groeide het zelfs tot een eigenlijke agrarische crisis. De
Nederlandse landbouw werd geteisterd door twee natuurlijke rampen: overstromingen en veekwalen.
In 1715 de dijken op Schouwen werden gebrest, stormen van 1717 veroorzaakte grote schade in
Friesland, en in 1731 een zeeworm begon de houten palen in waterwerken aan te vallen en verzwakte
dijken langs de kusten van heel het land. Uitbraken van kwaadaardige ziekten in vee was echter het
hardvochtigste dat beviel de landbouw in deze eeuw. Uitbraken in 1713-19, 1744-65, en weer in
1768-86, bijna decimeerden de kudden door heel de Republiek ~ boeren in Friesland alleen verloren
135 000 koeien in 1744-45, en in 1769 zoveel als 98 000 van de beesten.
Toch haalde de landbouw een verrassend beetje op in de laatste helft van de eeuw omdat elders in
Europa de bevolkingen snel groeiden en daarmee de prijs voor voedsel aanspoorde. De uitbreiding
was het hoogste in het kweken van basische voedingsmiddelen zoals rogge en de uit de Nieuwe Wereld
gebrachte aardappel. Het was het teken van een maatschappij steeds meer afgaand op het goedkoopste
voedsel.
Stedelijk Verval
De onafgebroken verstedelijking dat was voor eeuwen een voortdurend verschijnsel geweest in
Nederland kwam met de ineenstorting van de economie tot een eind, en het aantal inwoners daalde
sterk zelfs te Amsterdam. Het ergste getroffen werden de landwaartse industriele steden zoals
Leiden, Haarlem, en Delft, maar ook de zeewaartse steden zoals Middelburg, Zierikzee, Enkhuizen,
en Hoorn, en de uitliggende textiel plaatsen Almelo en Helmond leden ook zware verliezen in aantal
inwoners.

De middenstand van de stedelijke bevolking (winkeliers en bakkers, vakmensen en arbeiders) werd
bedreigd tussen 1720 en 1750 met vermoedelijke onzekerheid, ruinering, en armoede. Haarlem, in
1707, had 130 bakkers, en maar 70 bij 1759; het molenaarsgilde te Leiden verminderde het aantal
molens van tien tot acht. Brouwerijen te Delft vielen van vijftien in 1719 tot slechts twee in
1798 ~ en het totaal in Holland van meer dan honderd in 1746 tot 56 bij 1786; te Leeuwarden het
aantal brouwerijen verminderde van vijftig in 1700 tot 18 in 1760.
Meer en meer werkplaatsen werden stil gelegd en meer en meer werknemers opzij gezet. Meer dan
9 000 textiel arbeiders werden werkeloos te Haarlem tussen 1710 en 1753 ~ de meesten vielen in
uiterste armoede en moesten vaak de stad verlaten. Het personeel nodig voor de stoffen industrie
te Leiden viel van 36 000 in de 1680ers tot 17 000 bij 1752. Het afnemen van de scheepsbouw op de
Zaan betekende minder werk op de werven en in de houtzagerijen. Delft, schreef een waarnemer,
leek een dode stad. Ook in Friesland gingen de steden in verval ~ speciaal Harlingen en
Leeuwarden. In noord Brabant de textiel steden leden meedogenloos ~ Helmond verloor een derde van
haar inwoners tussen 1730 en 1780. Maastricht, Zutphen, Deventer, Zwolle ~ waar dan ook in de
Republiek, voor de ene of de andere reden (het verminderen van garizoenen of de algemene
verslapping van de economie) leden dezelfde maladie.
Het fenomeen van verschrompelende steden in Nederland terwijl de bevolking in west en centraal
Europa snel groeide was merkwaardig en eigenlijk verbazend in dit, het meest ontwikkelde gedeelte
van Europa. In de rest van het werelddeel de stedelijke bevolking vermeerderde gestadig en de
eeuw zag steden welke verdubbelden of verdrievoudigden en sommigen zelfs nog meer ~ London had
misschien 900 000 inwoners bij 1790, en Parijs meer dan 600 000, Sint Petersburg kwam van niemand
tot 220 000, Wenen had hetzelde aantal, Berlijn groeide tot 150 000 en Hamburg tot meer dan 100 000.
De hoofdsteden van de Lage Landen (eens benijden en bewonderd) begonnen klein en onopzienlijk te
lijken ~ provincieel zelfs.
Het enig andere gebied in Europa waar een vergelijkbaar verloop van stedelijk verval werd gezien
was in zuid Nederland. Maar hier de economie en de bevolking groeide veelbetekenend gedurende de
achtiende eeuw ~ eerst langzaam, dan meer gestadig na 1748. Bij 1784 de bevolking in het zuiden
berijkte 2,27-miljoen (63 procent Nederlands-sprekend, 31 procent Frans, en zeven procent Duits).
In noord Nederland het totaal van de bevolking stond toen op ongeveer 2,08-miljoen.
Niettegenstaande dat de landbouw en landelijke industries (en de plattelandse bevolking)
ontwikkelden en groeiden, Antwerpen, Ghent, en Brugge gingen achteruit, terwijl Brussel groeide
alleen maar zeer langzaam.
Meer van de bevolking woonde nog in de steden van de Lage Landen dan elders in Europa, maar de
steden zelf ervaarden decatentie. Toch was het proces van het onverstedelijken nergens zo hevig
en streng, met een maatschappelijke verwarring zo groot, als in de Nederlandse Republiek.
Rijkdom en Armoede
Tussen 1720 en 1750 was de ontwrikking van handel en industrie zeer ernstig maar er was nog geen
indrukwekkende verhoging van stedelijke armoede. Dat kwam slechts later ~ speciaal vanaf de
1770ers. Aangezien werkgelegenheden kwijnden verhuisden mannen om ergens anders werk te zoeken en
namen hun families mee. Veel van hen gingen naar Amsterdam, Den Haag, en Rotterdam. Anderen,
waaronder veel hoog bekwaamde vaklieden en handwerkers, emigreerden naar Britannie, Scandinavie,
Pruisen, of Rusland. Er was grote vraag voor Nederlandse scheepstimmermannen door geheel
noordoost Europa.
Het eerste resultaat van de vermindering in stedelijk leven en inwoners, blijkbaar tegenstrijdig,
was het verhogen van het levensstandaard voor hen die overbleven. Huishuren werden lager vanaf
ongeveer 1730 en bleven laag tot bijna het einde van de eeuw. Omdat aanbod de vraag overweegde,
kelderden de prijzen voor voedingsmiddelen vanaf de 1720ers en dat bleef ook zo voor een halve
eeuw. De ontstedeling duwde ook lonen omhoog. Maar een hoog loon was alleen een voordeel als men
zoveel kon werken als vroeger. Voor arbeiders, na 1720, de grootste uitdaging was om de lonen te
verdedigen want de bazen wilden hen niet alleen ontslaan maar ook te dwingen om voor minder geld
en onder slechtere omstandigheden te werken. Zij gebruikten dan ook meer jongeren, kinderen, en
goedkope immigrant arbeiders.
Dit veroorzaakte tegenstrijd tussen inheemse en immigrante werklieden, en tot strijd van de
arbeiders met de bazen, en maakte voor een nieuw soort sociaal conflict. De textielwerkers,
bijvoorbeeld, staakten in 1700, 1716-18, 1724, 1730, 1741, 1744, 1747-48, 1761, 1764, en 1770. Na
dat jaar was de industrie zo vervallen er was niets over om te betwisten. Om hun levensonderhoud te
beschermen, werden gilden versterkt (met hulp vam de stadsraden) en nieuwe opgezet. Ter
verduidelijking, te Amsterdam, in 1688, de stad had 37 gilden met 11 000 leden; bij 1750 dit had
vermeerderd tot 50 gilden met meer dan 14 000 leden, aldoch de stadsbevolking hetzelfde bleef.
Bijstands-instellingen van stad en kerk werden meer en meer bijgestaan door arbeiders bonden voor
verzekering tegen ziekte en ongelukken met vondsen opgebracht uit het loon van werklieden.
De Nederlandse maatschappij was overheersd door de rentenier ~ iemand die van de inkomsten van
zijn goederen leeft, regenten, de adel, afkomstelingen van handelfamilies, of erfgenamen van
fabrikanten. De rentenier had geen levendige rol in de economie. Zij leefden vaak in prachtige
stad- of land-huizen, en gaven werk aan bedienden, tuinders, koetsiers, van de rentes welke zij
ontvingen van Staten hijpotheken, VOC aandelen, en dergelijke. Levende op het nalatenschap van
het verleden, was de Republiek nog steeds een overvloedige maatschappij in vergelijking met dat in
buurlanden. Maar het werd nu een maatschappij waarin de middenstand werd beknepen en rijkdom
gepolariseerd.
Op het platteland een groeiende armoede werd gestadig en meedogenloos. In Overijssel werd het
landelijke volk armer tegenover het stedelijke. Tezelfdertijd werden aanzienlijke en zelfstandige
boeren opmerkelijk rijker terwijl het aantal kleine zelfstandige boeren verminderde. Een gevolg
hiervan was een groeiende landelijke behoeftigheid. Dezen te arm geacht door de Staten van
Overijssel om belasting te betalen vermeerderden van 25-procent in 1675 tot 38-procent van de
bevolking in 1758. Hetzelfde was te zien in Gelderland en de Veluwe, en ook in Brabant.
De Kerken
Gedurende de achtiende eeuw bleef de Nederlands Hervormde Kerk ~ de publieke Kerk, dewelke meest
van het volk belijdende overal in de Republiek behalve in de Generaliteit Landen, Twenthe, en het
zuiden van Gelderland onder de Waal. Toch, met de groeiende verdraagzaamheid (dat was een
markerend kenmerk in het Nederlandse leven), was er een merkbare neiging bijna overal in de
Republiek (behalve in Friesland) voor het verminderen van de Hervormde meerderheid. Behalve deze
verdraagzaamheid had ook immigratie vanuit Duitsland een grote invloed.
In de tweede grote Kerk, Katholieken vermeerderden in al de provincies behalve Friesland, en de
twee kleinere ~ Lutheranen en Joden, groeiden krachtig ~ het meeste van immigratie uit Duitsland.
Wederdopers en Remonstranten echter, twee grote kerken van de Gouden Eeuw welke geen voordeel uit
immigratie konden halen, kwijnden snel. In al de grote steden door heel het land waren Hervormden
van 60 tot 80 procent van de bevolking. Nijmegen werd bij 1800 de enige grote stad in de Zeven
Provincien met een meerderheid van Katholieken. In Friesland dit werd nooit veel hoger dan
tien-procent.
De spanning dat had bestaan tussen de Voetianen en de Kochejanen, en dat werkte zulk een grote
invloed uit in de Nederlandse kerk en universiteit politiek, was verlicht met een 'Reglement' van
de Staten van Holland in 1694. Toch bleef het tot de mid-achtiende eeuw een polemiek dat
beinvloedde niet alleen theologisch debat, maar kerk, acadamie, en plaatselijke politiek ~ zelfs
tot de laatste decennia.
De Nederlandse Invloed op de Verlichting
De Verlichting was een van de meest beslissende verstands en kultuur verschuivingen in de
geschiedenis van Europa, waarmee grootse veranderingen kwamen naar meer verdraagzaamheid,
wereldsgeestelijkheid, het rangschikken van kennis, en popularisatie ~ het laatste speciaal wat de
wetenschappen betrefde. De Nederlandse Verlichting was geworteld in grootschalige intellectuele
doorbraken van de latere zeventiende eeuw. Het had een grote invloed op de Europeaanse
Verlichting tot vroeg in de achtiende eeuw maar veel minder hierna.
Hugenoten ~ Franse Calvinisten, uit hun land getrokken om geloof vervolg te ontsnappen, hadden een
thuis in de Republiek gevonden. Doch de meesten nooit Nederlands leerden spreken en vrijwel
uitsluitend in de Franse taal schreven, was hun invloed groot in theologische kringen waar zij
fervent werden gelezen. Pierre Bayle (geb. 1647 te Le Carlat) woonde voor 25-jaar te Rotterdam
vanwaar hij krachtig de religieuze verdraagzaamheid verdedigde. Het beroemdst is zijn
'Dictionnaire historique et critique' van 1695. Ongeloof was volgens hem beter dan bijgeloof.
Jacques Basnage (geb. 1653 te Rouen) woonde ook in Rotterdam na 1685 en vanaf 1709 te Den Haag.
Hij schreef (in vijf delen tussen 1706-11) een geschiedenis van het Jodendom in Europa dat was
markant voor zijn objectiviteit in de nadruk welke hij legde op de onrechtvaardigheid van hun
vervolg door Christenen. De nieuwe aanpak ten opzien van geloof werd treffend in het monumentale
'Ceremonies et Coutumes religieuses de tous les peuples du monde' (1723 in dertien delen) ~ van
welke het meest werd geschreven door Jean-Frederic Bernard (1683?-1744). Het was een sijstematisch
overzicht van geloofs gebruiken en ritueel waarin de Christelijke religie werd onderhandeld als
elk ander ~ het Judaisme, Islaam, en Vrijmetselarij.
Nederlandse schrijvers van de Verlichting gingen meer uit op de wetenschappen. De heersende
stroming was het geloof dat God is alomtegenwoordig in de natuur en de maatschappij, met een ijver
voor ervaringsleer in wetenschap en de 'esprit systematique'. Bernard Nieuwentijt (1654-1718 van
Purmerend) schreef twee lange ~ en invloedrijke, boeken om de leer van Spinoza (en andere
'atheistische boeken') te weerleggen: 'Het Regt Gebruik der Werelt Beschouwingen' (1715) en de
'Gronden van Zekerheid' (1720). Hij was geen originele denker maar belangrijk omdat deze boeken
vertaald werden naar het Engels, Duits, en Frans, en een langdurige invloed op de Nederlandse
kultuur hielden.
Het Nederlandse handelsijsteem tot 1740 was sterk afgaand op industrie end technische vernieuwing,
en deze wetenschappelijke takken werden uitgebreid als nergens elders in Europa. Willem Jacob
's Gravesande ( geb. 1688 te 's-Hertogenbosch) deed meer dan enig ander, tot Voltaire, om de
principes van Newton door Europa te verspreiden. Hij studeerde rechten en legde zich tevens toe
op wis- en natuurkunde. Met anderen gaf hij uit (vanaf 1713) 'Journal de la republique des
lettres' waarin van zijn hand allerlei natuurkundige opstellen verschenen. Honderden buitenlandse
studenten kwamen naar Leiden om zijn lezingen over de nieuwe wetenschap te horen. In 1719 kwam
hij uit met een beroemd handboek voor natuurkunde welke hem de grootste voorstander aan de leer
van Newton in Europa maakte. 's Gravesande was ook een theoreticus van standing en bracht
verfijning aan verschillende van de stelsels van Newton, en was een uitvinder van pompen,
stoommachines, en hijskranen. In zijn klassen probeerde hij de wetenschap van Newton met
filosofie te verenigen. Een reis door Voltaire naar de Verenigde Provincien in 1736-37 was
speciaal om de lezingen van 's Gravesande bij te wonen aan de universiteit.
In de natuurkunde stond de Nederlandse Verlichting als bemiddelaar tussen Britannie en Europa,
maar in de microscopische wetenschappen van plantkunde, anatomie, en medicijnen, kan de
Nederlandse Verlichting werkelijk beschreven worden als de onderwijzer van Europa ~ inclusief
Britannie. Herman Boerhaave (geb. 1668 te Voorhout), geneeskundige en natuuronderzoeker, was
een van de vooraanstaande figuren van de Nederlandse Verlichting en de beroemdste geneesheer in
Europa. Zijn gewichtigheid lag in begrip van al de wetenschappen in een experimenteel en niet
deductief opzicht. Van zijn vele boeken waren de meest invloedrijke het 'Aphorismi' in 1709 over
diagnosis en behandeling, en zijn 'Elementa Chemiae' van 1732 ~ dat bleef het voornaamste leerboek
voor scheikunde in Europa van de achtiende eeuw. Zijn lijfspreuk was 'Eenvoud is het kenmerk van
het ware'.
Lambert ten Kate (geb. 1674 te Amsterdam), een man van veelzijdige belangstelling, hield zich bezig
met (onder andere) de studie van taal- en letterkunde, schilder- en beeldhouwkunst, wis- en
natuurkunde en toonkunst, Hij legde de grondslagen voor een breed opgevatte wetenschappelijke
beoefening der Nederlandse taal en een vergelijkende Germaanse taalstudie, en door zijn
beschouwingen over de wetten der klankwisseling en de etymologie werd hij de voorganger van Jacob
Grimm.
De Republiek was het Europeaanse hoofdkwartier (tot ongeveer 1740) van geleerde tijdschriften en
boek recensies, en het centrum van de internationale boekhandel als ook het boekdrukken in
verschillende talen. Boeken uitgegeven buiten de Republiek, Frankrijk, Engeland, en Duitsland,
speelden bijna geen rol in de vroege Europeaanse Verlichting.
De 'Radicale' Verlichting
De heersende stroming in de Nederlandse Verlichting was grondleggend aan de vroege Verlichting en
een van de belangrijkste bronnen hiervan. Maar er was nog een andere stroming van Nederlands
intellectueel uitwerking op Europa. Deze 'Radicale' Verlichting ~ een wezenlijke verspreiding van
de kritiek op de onthuldigde religie door Spinoza ~ was de meest ontstuimige aanval op het
Christendom in de vroege achtiende eeuw. Dit gezichtspunt was van groot belang speciaal, voor de
rest van Europa, met opzicht aan Frankrijk.
Jean Maximilien Lucas (1646-97) schreef een van Spinoza zijn eerste biografies. Het werd niet
uitgegeven tot 1719 met wat was misschien de meest sensationele tekst in deze stroming: 'Traite
des trois imposteurs (zinspelend op Mozes, Jezus, en Mohammed), ou L'Esprit de M. Spinoza'. Het
boek werd onderdrukt door de Staten van Holland met hoge ijver, en de meeste exemplaren gegrepen
en vernietigd. Het viel ook onder een streng verban in Frankrijk. Als resultaat kwam het in
omloop in gekopieerde handschriften welke vandaag de dag nog te vinden zijn in bibliotheken in
Nederland, Frankrijk, Britannie, en Duitsland. De bijeenbrenger was waarschijnlijk Jan Vroesen
(1672-1725), zoon van een gezuiverde (1672) Rotterdamse Staten Partij burgermeester. Met
verschillende andere vrijdenkende (Hugenoot) deelnemers ~ welke ook paragraven aan het manuscript
toevoegden, maakten zij dus een vervalsde en drastisch verkortte 'Spinoza' tot een overtuigende
ondergrondse kracht aan de eerste uitingen van anti-Christelijke geschriften in de Republiek en in
Frankrijk.
Doch deze 'radicale' Verlichting langzaam maar zeker bezweek onder de aanvallen door Voetiaans
orthodoxie en materieel-theologische verdraagzaamheid, bleef het toch een veelbetekenend verborgen
invloed op het Nederlandse kulturele leven tot de 1750ers.
Het Afnemen van Hoogleer en Kunsten
In 1737 Voltaire werd getroffen met de ongevenaarde bevoegdheid van de Nederlandse universiteiten
om buitenlandse studenten aan te trekken door het aanbieden van nieuwe idee-en en methoden ~
speciaal in de wetenschappen en medicijnen, maar wat Voltaire zag was de laatste glans van een
phenomeen dat was al aan het afnemen in het begin van een grootse ondergang. Gedurende het eerste
kwart van de achtiende eeuw studeerden 3 164 buitenlanders te Leiden ~ slechts weinig minder dan
Nederlandse. In de volgende kwart-eeuw verminderde dit aantal buitenlanders tot 2 715, maar vanaf
1740 werd dit nog veel minder, en in het derde kwart van de achtiende eeuw slechts 1 132
buitenlanders studeerden hier. Tegen het eind van de eeuw was het zelfs minder dan tien-procent
van wat het was geweest honderd jaar vroeger. Het was hetzelfde aan de universiteiten te Franeker
en Utrecht. Deze rampzalige ondergang weerspiegelde de bederving van de Republiek en haar
maatschappij en economie.
Nederlandse beeldende kunsten ervaarden ook dezelfde verminderingen als in de handel, industrie,
en gemeentelijk leven. Met die van Italie en Frankrijk was de Nederlandse kunst een van de
vooraanstaande scholen in Europa tot de 1740ers, maar verschrompelde dan overhaast en was gevallen
bij de 1770ers. Al de oude specialiteiten stierven uit en de grote kunstenaars kwamen niet meer
naar Nederland voor opleiding en werk.
De Tweede Oranje Revolutie
In een hoog verstedelijkt, vroeger welvarende maatschappij, onbestendig door een versnellende
economische achteruitgang en het verderven van de steden, een revolutionair verwerking hiervan
kan beginnen met een relatief onbelangrijk gebeuren. Zo was het in 1747. In April drong een
klein Frans leger de Staten Brabant binnen. Het was geen echte inval maar gemeend als een
waarschuwing aan de Staten Generaal. Het kon niet vergeleken worden met de Franse aanval van
1672, maar met de vernederende zwakte van de Nederlandse verdediging had het een invloed zo groot
als in dat Jaar van Ramp. Angst en woede snelde zich door Zeeland. Te Veere de schutterij
confronteerde het vroedschap en waarschuwde dat de burgerij in oproer zou komen als het
stadhouderschap niet meteen hersteld zou worden. Het werd onmiddelijk verschaft door de
stadsraden van Veere en Vlissingen. Middelburg en Zierikzee zagen eerst ernstige stoornissen met
zeelieden in de bres voordat regenten buigden. De Staten van Zeeland verkondigde het herstel van
haar stadhouderschap 28 April .
Er was een onmiddelijke reactie in Holland. In Rotterdam de bevolking droeg oranje linten en
rozetten, de stad franjes en banieren, van de schepen in de haven donderden kanonnen, en
kerkklokken luidden voortdurend. De volgende dag was hetzelfde te 's Gravenhage, en nog een dag
later in Dordrecht. Bij 1 Mei, menigten schreeuwden 'hoezee' en 'lang leef Oranje' ook te
Haarlem, Leiden, Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, en Gorcum. Zelfs de trotse burgermeesters van
Amsterdam werden grondig geintimideerd de volgende dag met het ontplooien van een grote oranje
banier van het stadhuis voor een menigte op de dam. Heel de Gecommiteerde Raden te Den Haag
droeg nu oranje en de Staten volgde dit op 3 Mei met de officiele proclamatie van Willem IV als
Stadhouder van Holland. De Staten van Utrecht en Overijssel zaten niet stil en bij mid-Mei was
Willem IV de eerste Stadhouder van al de provincien in de Unie.
Het volk wilde het Huis van Oranje, maar meer dan dat wilde het versterking van burgerlijk
deelnemen in gemeentelijk gezag, hervorming aan de verderving van regenten, herstel van het
aanzien en macht van de Republiek, het onderdrukken van het Katholieke geloof, en een programma
om de economie en industrie te doen herleven. De Prins deed niets. Misschien dacht hij dat de
opwinding vanzelf zou verminderen.
In September 1747 Bergen-op-Zoom viel aan de Fransen na een lang beleg en hiermee begon het oproer
opnieuw met aandrangend geroep van 'bevrij het Vaderland van dit schorum'. Katholieken werden
slachtoffers van geweld te Utrecht, Deventer, en Groningen, en ook in verschillende steden van
Zeeland en Holland. Een burger delegatie klaagde aan de Prins dat alles nog op de zelfde voeting
stond en eisde een algemene hervorming in gemeentelijk gezag. Maar Willem wijvelde en aarzelde.
De Stadhouder concentreerde met groot succes op het herbouwen van zijn gezag overal in de
Republiek. Het reglement van Willem III van 1675 werd onveranderd heraangenomen en Willem IV nam
de Staten te Den Haag in dezelfde strenge greep dat zijn voorganger had gehad. Gelderland stond
het tegen tot een oproer in Arnhem Januari 1748. In Groningen oproer in tegenstand aan de jonkers
in de stad en Ommelanden in Maart dwong de raad tot herstel van het college van taalmannen. De
gemeenslieden van Gelderland en Overijssel zagen ook hun colleges aldaar hersteld. In Drenthe
ernstige stoornissen tegen het gezag van een adelijke kliek dwong ook veranderingen aldaar.
Een nieuwe fase van de revolutie begon in Mei 1748 met rellen in Friesland waarin de huizen van
grietmannen en belasting pachters werden aangevallen. In Juni werd het ernstig in Harlingen, maar
toen de Staten voor troepen vroeg wees de Prins dit af. Een bijeenkomst van de burgerij uit
verschillende steden te Leeuwarden trok 72 punten op voor presentatie aan de Staten van Friesland
en de Stadhouder. In de zomer en herfst van dat jaar werden huizen van belasting pachters ook
aangevallen in Holland. De schutterijen grepen niet in maar organiseerden vergaderingen om eisen
te zetten aan de burgermeesters van Haarlem, Leiden, Den Haag, Amsterdam. en elders.
De hoofdpunten van de eisen waren dat regenten niet meer zichzelf konden benoemen om de burgerwacht
of schutterij te commanderen, dat vertegenwoordigers van de burgerij aangezet worden om de
belasting registers te controleren, dat gemeentelijke bevoorrechten aangekondigd worden zodat een
ieder burger hun rechten kon weten, de macht der gilden te herstellen, wetten tegen vloeken en
sabbat-breken te handhaven en predikers van het oude kleed (Voetianen) aan te zetten ~ alles met
oog om het regenten gezag te laten overzien door de schutterij en andere vertegenwoordigers van
het volk. Nadat op 25 Juni ook de huizen van andere rijke mensen werden aangevallen te Amsterdam
en de schutterij op de oproermakers vuurde waarbij enkelen werden gedood en verwond, sprak Willem
IV de Staten van Holland aan om het belasting pachten af te schaffen en het werd geschorst.
Terzelfder tijd werd het sentiment van de 'kleine mensen' gesteund door de middenstand van
winkeliers en vakmensen welke, doch minder levendig, wilden net als hen een eind aan de pachters,
hervorming van de schutterij en burgerwacht, en gemeentelijk overzicht door de burgerij. Bij Juli
1748 werd de Oranje Partij ongerust dat het volk niet veel langer op Willem IV zou wachten want
democraten kwamen meer en meer in tegenstand tot de plannen van de Prins en zijn partij. In
plaats van macht in de handen van de Stadhouder te plaatsen wilden zij gemeentelijk gezag
definitief ondergesteld brengen aan de schutters en de burgerij.
De Staten van Holland, op 31 Augustus, vroeg de Prins in persoon naar Amsterdam te gaan om orde te
herstellen bij enige manier welke hij het best achtte te gebruiken. Enorm grote demonstraties
echter, terwijl Willem in de stad was gedurende de eerste twee weken van September, maakten het
duidelijk dat de plaatselijke bevolking de doelen van de radicale democraten ondersteunde. De
Prins klaarblijkelijk vond meer vermaak in dineren met regenten dan met de burgerij te spreken,
maar eindelijk verving zeventeen van de 36 in het Amsterdamse vroedschap ~ maar meest van hen weer
van regenten families.
Er was grote teleurstelling dat de Prins zelfs onwillig was om een een zelfstandige raad van
schutters te herkennen. Er volgden reusachtige protestmarsen op 9 en 10 September voor de
'vrije' schuttersraad maar Willem gaf niet toe en ging terug naar Den Haag. Nu sprong onrust
op te Haarlem en Leiden. He was in deze steden dat het economische verderf vanaf 1720 het
ergst was geweest en de frustratie het hoogst. Hier de burgerij met de schutters streefden
voor hervorming in gemeentelijk bestuur en in de gilden, en belastingverlichting om armoede te
ontlopen, of tenminste meer bescherming tegen de hardvochtige resultaten van de economische
ondergang. In October zuiverde de Prins zeven van het Haarlemse vroedschap en vijf van het
Leidse, maar he was niet genoeg voor de mensen. Te Leiden een grote verstoring op 10 November
gaf een serie van eisen aan de burgermeesters dat werd opgemerkt door heel de Republiek. In
antwoord stuurde de Stadhouder een duizend soldaten welke marcheerde de stad in November 16. De
magistratuur legde een verbod op al verdere vergaderingen en protesten.
Oppervlakkig ging alles in de Oranje revolutie tussen 1747 en 1751 ten baat van de Stadhouder en
zijn Partij. Hij was weer 'Eerst in Adel' in Zeeland met een stem in de Staten dat het had
afgeschaft in 1702. In Utrecht, Overijssel, en Gelderland, Willem IV had meer macht dan Willem
III had. In Drenthe zijn autoriteit over het uitvoer van gezag was hoger dan eens. Verstrekkende
verandering vond plaats in Groningen ~ de provincie waar vroeger de Stadhouder altijd zwakkest
stond. Het 'reglement reformatoir' dwong Groningen in November 1749 zich te onderwerpen aan de
macht van de Stadhouder over haar Be-edigde Raad. Willem IV kreeg veel te zeggen ~ in al de
provincien behalve Holland, over het benoemen van vertegenwoordigers naar de Staten Generaal en Raad
van State voor de Generaliteit.
De Oranje Revolutie trok de Republiek ver van zeven sovereine bondgenoten, tot eigenlijk het
staatsbestel van een monarchie zonder koning. Voor de Oranje Partij de oplossing voor de sociale
en economische problemen lag in een centraal gelegen en onverdunde macht in de handen van de Prins
van Oranje, gevolgd door een snel herstel van Nederlands financieel beheer, industrie en
zeevaart. Maar op 22 October 1751 stierf de Prins onverwachts op 40-jarige leeftijd.
De Wankelende Republiek
Het karakter van de Republiek en haar instelling was grondig veranderd door de Oranje Revolutie
maar de angsten en grieven welke het veroorzaakte hadden niet afgenomen. Wat had aangenomen was
de bevoegdheid (en gewilligheid) van het regime te Den Haag om protest en oproer te onderdukken.
De Verenigde Provincien was nu een wispelturig land, mogelijk zeer wankelbaar en prooi aan een
schaar van economische en politieke spanningen. In een zekere mate werd de Republiek en het
stadhouderschap verzwakt door de dood van de Stadhouder in de bloei van zijn leven. Het kind
welke hij achterliet was maar drie jaar oud en bleef in de zorg van zijn moeder Anna van Hannover,
maar als regent kon de Prinses niet dezelfde macht uitoefenen als Willem IV had vanaf 1747.
De adel kwam op met de invloed van het hof te Den Haag welke begon een minzame bejegening voor de
aanhangers van de Stadhouder met benoemingen als hoge bevelhebbers in het leger en ambten aan
provinciele gestichten. Het resultaat was dertig jaar stabiliteit en kalm, maar onder de
oppervlakte lag nog steeds de ontevredenheid van het volk welke het Oranje regime niet kon
bevredigen. Het zal niet onmogelijk geweest zijn om geslaagde oplossingen te vinden in de tweede
helft van de achtiende eeuw voor de ontwikkeling van de Republiek naar een meer democratische
federale staat, maar het kon nu gezegd worden dat de Republiek hol was en de greep op macht van de
Oranje Partij onzeker.
Willem V behaalde in 1766 meerderjarigheid en werd stadhouder van alle Verenigde Nederlanden maar
er ging van hem geen enkel initiatief uit. Toen de Prins de regering zou aanvaarden, liet hij
zich bij de Acte van Consulentschap verplichten op de raad van Ludwig Ernst, Hertog van
Brauschweig-Wolfenbuttel (bekend als Brunswijck) ~ een belangrijke wijziging in het bestuur (maar
niet van staatsgevaarlijke aard zoals later werd beweerd). Deze Oostenrijker was al in 1750 op
aanbod van de latere Willem IV in Staatse dienst getreden en werd de voogd van Willem V na de dood
van Prinses Anna in 1759. Onder de Acte nam Brunswijk het beschermheerschap in hand en bestuurde
de Oranje klieken in de provincies, kwartieren, en steden. Hij schonk ambten en ontwikkelde trouw
om de invloed van het hof te versterken, en hij overweldigde de binnenlandse politiek.
Nederland was niet meer een belangrijke militaire of maritieme macht ~ vanaf 1741 werden weinig
oorlogschepen gebouwd en in 1772 stond het leger op slechts 41 000 manschappen. De
Republiek zat vast in een malaise dat omvatte elke laag van het nationaal leven en een sterk
gevoel van ondergang werd doordringend. Het was een gemeenschap in ernstig verval temid de
overblijfsels van voorspoed en een hoog ontwikkeld geavanceerdheid. Bovendien (in tegenstellling
met elders in Europa) was dit een land waar veel van het volk geen eerbied of liefde had voor het
bestaande regime. Het was dan ook geen verrassing dat de Amerikaanse Revolutie een grote invloed
had op het Nederlandse leven.
Britannie had nu de overwelgende macht op zee en de revolutie in de Nieuwe Wereld scheen een kans
om dit nu te bestrijden. De Oranje Partij verdedigde het Engelse beleid in Amerika, maar het
republikaanse principe van de 'echte vrijheid' werd nog steeds vereerd in de Staten Partij, en een
anti-Engels gevoel werd overheersend in Nederland. Oorlog doemde. De Vierde Engelse Oorlog
1780-84 was een doortrapte ramp. In de eerste maand, Engelse marine en vrijbuiters veroverde
200 Nederlandse schepen en verlamde wat nog over was van de koopvaardij. Het jaar dat volgde zag
verliezen te St Eustasius, west Africa, Guyana, en in de Oostindies, India, en Ceylon.
Revolutie der Patriotten
Joan Derck, Baron van der Capellen-tot den Poll (geb. 1741 te Tiel) schreef een pamflet betiteld
Aan het Volk van Nederland ~ anoniem uitgegeven in 1781, dat werd snel verspreid in een soort
massa communique door de hele Republiek. Het werd door de Staten Generaal verboden, maar heeft
nietemin op de ontwikkeling der burgerij in democratische zin belangrijke invloed gehad. Het
eisde burgerbewapening en de verkiezing van burger-gecommitteerden. Hij won in 1782 opnieuw een
zetel in de Staten van Overijssel en maakte vanaf 1783 deel uit van een soort Patriottisch
partijbestuur maar overleed in 1784.
Van der Capellen beweerde dat het Nederlandse volk (lang voor de tijd van Habsburg)altijd op een
hoog niveau had gestaan met opzicht aan maatschappelijke en politieke vrijheid door colleges van
be-edigde vertegenwoordigers van de burgerij, de burgerwacht en schutterij, en de invloed van de
gilden. De grondslag van deze vrijheid was het onbeperkte recht om samen te komen, organiseer,
vorm committees, kies vertegenwoordigers, en uit hun meningen. Het volk was dit recht afgenomen
door Karel V en Phillip II, maar de Revolutie van 1572 had het niet hersteld ~ deze principes
werden al verraden (schreef Van der Capellen) in 1582 door het besluit van de Staten van Holland
om de stadsraden te verbieden om gilden en schutters te raadplegen, en (voegde hij toe) het was
het werk van de Prinsen van Oranje door gebruik van het leger want 'wie de krijgsmacht heeft kan
doen als hij wil'. Alleen een sterk bewapende burgerwacht kan deze vrijheid van het volk
verdedigen.
Ondertussen ging de oorlog door, verontwaardiging en grove belediging groeide in het volk, en
Patrottische opwinding nam aan ~ speciaal in Holland, Utrecht, Gelderland, en Overijssel. Het
werd gezien als een terugkeer naar de grondleggende principes van de Republiek en een herstel en
vervolg aan de Nederlandse Revolutie tegen Spanje. Het doel was om de leiding van gemeentelijk en
provincieel leven weg te rukken van Stadhouder gunstelingen en regenten klieken, en de macht over
te dragen aan het volk ~ een volk dat de Patriot zag als een geheel in al haar verschillen, want
de helden van de Nederlandse geschiedenis waren niet alleen van het Hervormde geloof maar ook
Lutheraan, Mennoniet, Remonstrant, en Katholiek geweest.
Te Dordrecht werd in 1783 het eerste Patriot vrijkorps opgezet in plaats van de vroegere
schutterij; het groeide snel tot meer dan een duizend-man. Andere steden volgden en werden
verenigd tot een landelijke bond met als middelpunt Utrecht ~ welke zag vanaf 1784 een reeks
nationale vergaderingen van vrijkorps vertegenwoordigers. 13 517 vrijkorps manschappen (ongeveer
de helft van het totaal in de Republiek) kwamen samen te Utrecht in 1786, waar het eerste
democratisch verkozen burgher college vormde een nieuwe stadsraad. Ondertussen werd Willem V
ontheven van bevel over het leger, waarop hij verhuisde van Den Haag naar Nijmegen zonder zelf
iets te doen om zijn gezag te herwinnen.
In Augustus 1786 troepen van de Staten Generaal marcheerden naar Elmburg en Hattem (twee kleine
stadjes in het Arnhem Kwartier) nadat het ridderschap van Gelderland de Stadhouder vroeg orde te
herstellen. Dit dreigde een burger-oorlog want de vrijkorpsen van Arnhem en Zutphen begonnen
wapens, voorraden, en geld te verzamelen voor een verdediging. De Pensionaris van Gelderland
eisde de Staten van Holland 'de nieuwe Alva' (de Prins van Oranje) tegen te staan en stop het
betalen voor het leger van de Staten Generaal. De stad van Utrecht werd een legerkamp. In een
vuurgevecht tussen Patriot vrijkorpsen en Staten troepen Mei 1787 bij Amersfoort sneuvelden
tachtig soldaten.
De Staten van Holland verbood het dragen van oranje, bewapende Patriottische boeren, en strafde
Oranjegezinden. Het vroedschap van Amsterdam en van Rotterdam werden gezuiverd in 1787, welk
voorbeeld ook in andere steden werd gevolgd. Het scheen een Patriotten overwinning in Utrecht en
Holland, Overijssel, en gedeelten van Gelderland, noord Brabant, en Groningen, maar zaken stonden
anders in Zeeland en Friesland. Eigenlijk stond het volk overal gescheiden. Zelfs in Amsterdam
fervente Oranjegezinde dokwerkers, timmerlieden, schuitenschippers (de 'bijltjes' genoemd) van
langs het IJ, werden alleen op hun scheepswerven gehouden door de bruggen naar de stad te breken
(Mei 1787).
De Staten van Friesland te Leeuwarden werd uitgescholden als 'onwettelijk' met een Patriot Staten
van Friesland vergaderd te Franeker. In Zeeland de Oranje schutterij stond welbewapend en
vrijmoedig ~ vaak gesteund door menigten van vissers- en zeelieden. In Gelderland, Arnhem en
Zutphen werden bezet door Staten leger manschappen en de vrijkorpsen onderdrukt zodat bij Juni
1787 de provincie weer naar de Stadhouder viel.
De Patriot Partij wist dat Pruisen bedreigde en gevaarlijk was maar Engeland de grootste
vijand van de Republiek. De Oranje Partij ontving geld en aanmoediging van Britse ministers.
Toen in 1787 Willem V zijn echtgenote Wilhelmina naar Holland stuurde om een poging te doen om
macht te herwinnen, werd zij gearresteerd te Goejanverwellesluis door het Gouda vrijkorps. De
koning van Pruisen was haar broer ~ en deze verkondigde dit als een berekende belediging aan het
Huis van Hohenzollern. Met sterke aanmoediging van Britannie marcheerde een Pruis leger van
26 000-man op Amsterdam en Den Haag zonder tegenstand, Utrecht capituleerde. De Patriot Revolutie
viel uit elkaar.
De Val van de Republiek
Met Engels geld en troepen van Pruisen kwam Willem V in triomf terug naar 's Gravenhage. Een
reactie begon nu. Willem wilde weinig meer dan het herstel van de Oranje Partij met een minimum
van vergelding, maar tal van Patriotten moesten het land verlaten, in verschillende steden werd de
oude regering hersteld, en alle Patriotten werden uit overheidsambten ontzet. Veel van hen
vestigden zich te Brussel en gingen later naar Frankrijk. Vanaf 1789 werd die van de Patriotten
onontwarbaar verbonden aan de Franse Revolutie dat was gevormd door de Verlichting en het voorbeeld
van de Amerikaanse Revolutie.
In zuid Nederland een protest beweging tegen Oostenrijk ontwikkelde zich vanaf 1787 ~ speciaal in
Brabant waar de Staten de keizer liet weten dat zijn regering zich moest houden aan dezelfde
beperkingen met opzicht van historische bevoorrechten als zijn Bourgondische en Habsburger
voorgangers hadden be-edigd. Hij werd aangeklaacht voor het vertrappen van de oudste
grondwetten. Burger-onrust te Brussel veroorzaakte het terugtrekken van de stad door
Oostenrijkse troepen, en voor twee jaar het zuiden stond aan de grens van revolutie. Vanuit een
hoofdkwartier te Breda, brachten Belgische rebellen een leger naar het zuiden dat behaalde een
overwinning over het Oostenrijkse leger in Brabant.
De Staten Generaal vergaderde te Brussel in 1789 en verkondigde een Republiek van de Verenigde
Nederlandse Staten met het eene oog op de Amerikaanse Revolutie en het andere op de Revolutie tegen
Spanje. Pruisen, met de Oranje Partij in de noorderlijke republiek, ondersteunde de nieuwe
zuidelijke republiek en stuurde een troepenmacht om te helpen. De republiek was een kortstondig
fenomeen maar kwam op een beslissend moment in de geschiedenis van Europa en de Lage Landen. Het
volk (voor het eerst aangeduid als Belgen) speelde haar rol in de ontstuiming dat ging door de
westerse wereld na de Amerikaanse Revolutie waarin de Patriot- was de eerste en de Franse
Revolutie het meest dramatische.
Het zuiden kwam onder het gezag van revolutionair Frankrijk met de overwinning door het Franse
leger te Jemappes in 1792, en dan het vernietigen van het Oostenrijkse leger in de slag van
Fleurus in 1794, en in 1795 werd het formeel aan Frankrijk gehecht ~ waarna al de
staatsinstellingen veranderden. Het leger van de Franse Republiek marcheerde noordwaarts. Toen
het Utrecht berijkte in Januari 1795 werd het begroet met vlaggen en tekens van de revolutie.
Voordat het Franse leger Amsterdam aandeed viel de stad al aan inwendige revolutionaire
committees. Terugtrekkende Engelse en Oostenrijkse troepen lieten hun frustraties los op de
plaatselijke bevolkingen en plunderden dorpen en steden. Het Franse leger werd door de
bevelhebbers onder een strenge tucht geplaatst en de Franse aanval begon overal in Nederland op
een bevrijding te lijken. De Patriot Revolutie scheen hersteld. De naam van de Republiek werd
veranderd tot de Bataafse Republiek. Ze was alleen in naam zelfstandig, maar in werkelijkheid was
een Franse vazalstaat.
Het Eind van de Republiek
In de Bataafse Republiek de Patriot Partij was nu vrij om haar revolutie voort te zetten, maar
niemand wist precies wat dit zou meebrengen. Willem V was gevlucht naar Engeland, en Oranje
Partij aanhangers werden verplaatst in al de ambten, maar het ging heel anders dan in Frankrijk
waar de guillotine bloedig bezig was. Democratische methoden kwamen terug in het beleid van veel
steden maar de oude regenten families waren toch in staat veel van hun invloed te behouden. Meest
van de instellingen van de Unie van Utrecht bleven in kracht.
Gedurende het decennium vanaf 1795 werd de Nederlandse grondwet herhaardelijk bezocht ~ in een
grootschalige 1796 verkiezing waarin iedere inwoner van het land ouder dan twintig jaar (en niet
overheids bijstand ontving) een stem had, en weer in een 1797 verkiezingsvraag. In 1798 een door de
Fransen geholpen coup d'etat bracht een geheel nieuwe grondwet dat werd aangenomen in een
volksverkiezing waarin veel minder burgers een stem hadden en slechts dertig-procent een
stembiljet tekenden. Twee maanden na deze verkiezing volgde een andere coup maar deze nam de
nieuwe grondwet ook aan. De provincies werden opgebroken: Holland in drie departementen,
Friesland en Groningen werden Ems, de Staten Brabant, met stukken van Holland en Gelderland, werd
Noord Brabant, Utrecht verdween in de departementen van de Rijn en Texel, maar bij 1801 bestonden
meest van de oude provincien weer.
De Revolutionaire oorlog tegen de Europeaanse monarchie verlamde de Nederlandse visserij, handel,
en zeevaart. In 1798 de verbannen Willem V zocht een herstel van de oude Republiek onder het Huis
van Oranje en een Engels-Russisch-Oranje inval-leger van 24 000-man landde in noord Holland. Wat
was over van de Nederlandse marine ontplooide oranje vlaggen en gaf op. Hoorn, Enkhuizen, en
Alkmaar werden bezet en het geallieerde (Oranje) leger trok op tegen Haarlem en Amsterdam. De
verwachtte muiterij van Bataafse troepen gebeurde niet en de bevolking verwelkomde Oranje niet met
daden. In October 1799 won het Nederlands-Franse leger de veldslag van Castricum en de inbraak
struikelde en trok terug naar Britannie.
Armoede, nood, en ellende nam aan maar toch was de maatschappij nog standvastig en veerkrachtig,
en het traditionele weefsel van sociale voorzieningen als onderwijs, bijstand, en kerkleven
bestond nog steeds. Er was meer misdaad en dronkenschap in stad en land dan vroeger maar de
straten bleven veilig en schoon. Buitenlandse tijdgenoten oordeelde de maatschappij van de
Bataafse Republiek nog steeds een model van menselijke vooruitgang, een bastion van orde, en een
standaard voor heel het Napoleonse Europa.
Nadat Napoleon zichzelf Keizer der Fransen verkondigde in 1804, zag het regime te Parijs de
republieke staatsinstellingen niet meer in een gunstig licht en in 1805 veroorzaakte een coup
d'etat dat was het eigenlijke einde van de Bataafse Republiek. De Keizer wilde een dichtere
medewerking voor het ronselen van manschappen en geld voor de oorlog, ingrijpende veranderingen
in de fiscus, een verenigde uitvoer, en was vastberaden om het te krijgen. Een nieuwe regering
werd aangezet in Den Haag met nieuwe grondwettelijke instellingen. Een verkiezing in 1805 om het
goed te keuren verdiende slechts een verbazend weinig 14 000 stemmen ~ bijna niemand deed de
moeite het tegen te staan.
Zelfs deze grondige verandering overleefden slechts een korte tijd want Napoleon wilde een
Nederland welke antwoordde in geheel aan zijn eisen ~ strategisch, maritiem, logistisch, en
economisch, en dus schafde hij de Republiek af en imponeerde een monarchie in 1806. Al de
republikaanse stellingen werden onderdrukt, plaatselijke eliten verloren hun macht en invloed, en
enige zelfstandigheid van dorpen en steden verdween. Lodewijk Bonaparte, een broer van Napoleon,
werd aangezet als de Koning van Holland te Den Haag, vanwaar hij verhuisde in 1807 naar Utrecht,
en in 1808 naar Amsterdam.
Met hoge sijmbolische betekenis trok de stadsraad zich uit haar groots en broemd gebouw dat voor
zoveel jaren het toppunt van architectuur en de bezieling van het republikaanse ideaal was
geweest. In 1808 werd het Amsterdamse Stadhuis het Paleis op de Dam van een Franse Koning.
De Nederlandse Republiek bestond niet meer.
____________________________________________________________

kijk ook naar
['De Ontwikkeling van Europa'] in kaart

de lage landen voor de Romijnen
|
Dear Albert Burger,
Sorry to be slow to reply. I have only just had a chance to read through the summary. I think it
is really excellent and definitely rather useful for anyone who wants to keep an incisive overview
in mind expressed in Dutch. If you dont object, I will file it away and make use of it myself if I
have to give any lectures in Dutch in the future. The phrases and wording you use are very useful
to me (my spoken Dutch has always been awful), though of course I read a lot in the language.
I wish you lots of success with all your activities in the New Year and beyond,
Best, Jonathan Israel
Sent: Sun 12/20/2009 6:15 PM
To: Jonathan Israel
Subject: dutch republic
kort nadat uw boek werd uitgegeven kreeg ik het in handen en heb ik het verslonden, toen
uitgeleend aan een vriend die ook veel geschiedenis leest, en na tien jaar of zo terug gekregen
toen wilde ik het opnieuw bestuderen
als een nederlander die in 1958 als 18-jarige naar canada emigreerde wist ik nooit zoveel van het
bewonderende leven in de nederlandse republiek
ik heb levenslang veel geschreven in het Engels maar nooit in mijn moederstaal dus heb ik besloten
om dat nu te doen met uw boek
op de website kan u mijn vertaling nu vinden
ik hoop dat ik uw goedkeuring hiervoor mag krijgen
albert
|