Home  Albert  News  Purchase  Gallery  Contact  Writings  Links

2014 02 05

De beste geschiedenis over de jaren van de
Nederlandse Republiek was geschreven door een Engelsman:


                                 
                                  karikatuur door
                                  Siegfried Woldhek

In an ocean of monarchies incessantly at war over dynasty and territory,
a tiny republic defended "true freedom" for over two centuries.

THE DUTCH REPUBLIC
Its Rise, Greatness, and Fall 1477-1806

by Jonathan I. Israel

(Oxford History of Early Modern Europe, General Editor: R. J. W. Evans). Clarendon Press, Oxford University Press, 1995, 1231 paginas pocketboek ~ ISBN 0-19-820734-4.


                 Jonathan Irvine Israel (geboren te London, 1946) was professor van Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van London (en sinds 2006 aan Princeton in de Verenigde Staten van Amerika) en heeft veel geschreven in de onderwerpen Nederlandse geschiedenis, het tijdperk der Verlichting en het Europeaanse Jodendom.

                Van het boek (zeer beknopt, met korte toevoegingen, en vrij vertaald door albert):  

Op de Drempel van de Moderne Tijd
                 De zogenaamde Nieuwe Wereld van de Nederlandse Republiek maakte a diepe indruk op Europeaanse alzowel niet-Europeaanse bevolkingen gedurende de zeventiende en achtiende eeuwen. Het was een maatschappij en kultuur dat betoverde met haar kunst, filosofie en wetenschappen, en heeft tot vandaag-de-dag nog een grote betekenis in de geschiedenis van de 'beschaafde wereld'. In de Verenigde Provincien de vrijheid van de mens was het hoogste ideaal: vrijheid in geloof, egaliteit van de vrouw, bedienden, joden, en een geringe klassebewustheid. Het uitte zich in in de politiek, het zaken leven, in landbouw, in technologie, en in gemeenschappelijke vernieuwingen in het sociale leven zoals het weeshuis, zieken verzorging, enz. Maar niets van dit zou volbracht zijn zonder de unieke revolutie bij welke het leger onder de burgerlijke macht was geplaatst (en ook wel de grote veranderingen in militaire taktiek, strategie, en materiaal) want dit maakte het kleine land van maar twee milioen inwoners een wereldkracht op land en zee. Een historisch moment van hoge creativiteit en prestatie gebeurt slechts zelden in de geschiedenis, en zulk een gouden tijdperk is niet beschouwbaar met een gewoonlijke maatstaf.


De Opkomst van Holland
                 Zeker vanaf 1572 lag in Holland de kern van de politiek, de economie en de kultuur van de Lage Landen. Veel van wat later werden (voor de rest van Europa) verbazingwekkende ontwikkelingen in het noorden van Nederland begon daar in de dertiende eeuw, want toen kwamen de grote veranderingen in het drassige, vloed-gevaarlijke waterland waar in de twaalfde eeuw maar weinig mensen zich konden handhaven. Nadat zeedijken en polders waren geconstrueerd kwamen landbouwers in grote getallen naar de nieuwe landen in Holland en West Friesland, and langzaam maar zeker verminderde de macht van de steden Utrecht, Kampen, Deventer, Zwolle, Nijmegen, en Zutphen. Vlaanderen en Brabant en de andere staten in zuid Nederland waren nog de belangrijkste in politiek en de economie, maar vanaf de wenteling naar de veertiende eeuw stond Holland (achter het bolwerk van de grote rivieren) niet gesubordineerd tegenover hen. In deze tijd nam de invloed van Holland onherweerbaar toe, naar Friesland en Zeeland en bij het jaar 1500 de steden van Leiden, Amsterdam, Haarlem, Dordrecht, Rotterdam, Gouda, en Delft hadden die langs de grote rivieren (behalve Utrecht) uitgegroeid, en alleen Ghent, Antwerpen, Brugge, en Brussel, Leuven, en 's-Hertogenbosch in het zuiden waren nog groter. Deventer, Zwolle, Nijmegen, Harderwijk, Tiel, Zutphen, Elburg, Groningen, Stavoren, Oldenzaal, en Kampen waren voor korte of lange tijd lid van het Hanze internationale verbond van kooplieden, maar de Hollandse steden wensten hun vrijheid te behouden.
                 Tot 1425 vormden in de Lage Landen twee politieke theaters met de grote rivieren als scheidings lijn waar ten zuiden en ten noorden het spel for hegemonie werd uitgespeeld tussen verschillende facties en sferen van invloed, interest, en profijt. Dat jaar zag den dood van de laatste onafhankelijke graaf van Holland en een paar jaren later maakten Holland en Zeeland een gedeelte uit van een Europeaans rijk met haar politiek en kultuur gebaseerd in de zuidelijke gebieden. De Staten Generaal vergaderde altijd in Brussel of soms in een andere stad in het zuiden. In Holland oorlog met de Hanze doemde en noodzaak besliste een eigenaardige politiek waarbij de steden de Staten van Holland domineerden maar de economische krachten van zeevaart en haring visserij waren geconcentreerd in de uitliggende havens van Enkhuizen, Hoorn, Medemblik, en Edam, rond Rotterdam en de Maas, en de Rijn handel uit Dordrecht.
                 Toen in 1477 Vlaanderen in opstand was gekomen en de Staten Generaal was toegestaan onhafhankelijk te vergaderen (door het 'Grande Privelege'), de gelijktijdige opstand in Holland en Zeeland was ook een reactie tegen Vlaanderen en Brabant met als resultaat een aparte oorkonde met het verbod dat 'vreemdelingen' (niet-Hollanders of niet-Zeelanders) geen ambt in de administratie of justitie mochten houden, en een Zeeuw verplaatste de Vlaamse Stadhouder van Holland. De Staten van Holland en Zeeland was toegestaan uitsluitend Nederlands ~ in plaats van het Frans ~ te gebruiken als de erkende taal in ambst bezigheden.
                 In de eerste decennia van de 16e eeuw was Holland in grote conflicten met Friesland en Groningen, Gelderland en Utrecht, dat stoorde de handel bij zee en rivieren en een unie van noord Nederland werd als uiterst belangrijk gezien. Onder Karel V, dewelke draagde de Spaanse kroon, na 1528 een enkele Stadhouder had gezag over Zeeland, Utrecht, en Holland. In 1540 de eerste van de Nassau lijn en Prins van Oranje (geboren te Breda) was benoemd Stadhouder van Holland, Zeeland, en Utrecht, en vanaf 1543 ook Gelderland.

Humanisme en het Begin van de Reformatie
                 De oorsprong van het noord Europeaanse humanisme ~ een van de meest belangrijke kultureele wisselingen in de westerse geschiedenis ~ begon in het Nederland van de 1470er en 1480er jaren, in de relatieve buiten-oorden van Overijssel en Groningen waar onderwijs en toewijding terug blikte naar een vroeg middeleeuws verleden. Prediker Geert de Groote (geboren 1340 te Deventer) had door zijn persoonlijke invloed en geestelijke leiding de oprichting van scholen en bibliotheken in de IJssel steden geinspireerd, en een vergespreide opwelling en beweging voor de inner ontwikkeling van de individu. Als een opvolger in deze leer werd Rudolf Agricola (geb. 1444 te Baflo) de grondlegger van het noorderlijke humanisme, als student in Erfurt, Leuven, Keulen en Parijs, en later woonende in Italie. Toch trok zijn hart naar het vaderland en in 1479 zag Groningen hem terug, nu als een lector vermaard door veel van Europa. Hij stierf in 1485 en was begraven in de pij van de broeders van St. Franciscus. Het humanisme groeide in de scholen van Deventer, Zwolle, Groningen, en Kampen, en verspreidde zich naar Holland, Brabant, en Vlaanderen.
                 Erasmus van Rotterdam (geb. 1469) studeerde in Gouda, Deventer, 's-Hertogenbosch, en later in Parijs, Oxford (Engeland), en Italie. Hij schreef het 'Handboek van den Christensoldaat', een nieuwe vertaling van het Heilige Schrift, en werkte voortdurend voor de pers. Het opkomen van de reformering bracht hem in moeilijke omstandigheden: waar Luther met zijn stellingen te Wittenberg (1517) zocht een reformatie van de geloofsgrond, dat van Erasmus was meer een hervorming der zeden. De paus wilde hem to kardinaal verheffen, maar toch was hij een der grote mannen van het Humanisme en een wegwijzer naar een breed, ondogmatisch en humanistisch Christendom ~ 'boven geloofsverdeeldheid'. De aanval op de kerk door Luther wekte een ontstuiming in Nederland, speciaal in Holland dat vroeger sterk achter Erasmus stond, en de conservatieve kerk zag dit als bewijs van de gevaren in de leer van Erasmus die in 1521 Nederland voor goed heeft verlaten.
                 Nederlandse humanisten en protestanten beiden dachten Erasmus de centrale figuur van hun kultuur en dit had een enorme gevolgtrekking in de ontvouwende geschiedenis van de Lage Landen. Erasmus zelf zag dit met wantrouwen, verfoeide schismes en strijd, en had een hekel aan de verstrooidheid met een nationale identiteit dat hij in het humanisme zag. Hij wilde geen Germaan zijn, noch een man van de Franse kultuur, en lachte over de mythe dat maakte de Bataven Nederlandse oer-ouders voor belangrijke humanisten van de dag.

Landgrondelijke Consolidatie
                 De eenwording van Nederland ten noorden van de grote rivieren was een samenstelsel van politieke dramas dat had omvattende gevolgen voor de toekomst. Gedurende de vorige drie eeuwen waren de kleine staten geabsorbeert in een netwerk van macht bij de drie grote provincies. (De Vlaamse (34%), Brabantse (29%), en Hollandse (13%) belasting bijdragen was driekwart van de hoeveelheid dat de 17 Nederlandse provincies tezamen opbrachten.) Maar het was een Hollands spel van sociaale, economische, politieke (en militaire) macht dat bracht de eenwording in het noorden ~ en in de hoofdrol was de mythe der Bataven en een groeiende patriottisme dat identificeerde vaderlandsliefde en burgerzin met Holland, en dat later ook een essentieel deel werd van de Nederlandse identiteit gedurende de Opstand en de Gouden Eeuw.
                 Voor tientallen jaren raazde over noord-Nederlandse grond oorlog en opstand als keizer en koning van grote Europeaanse machten worstelden over land en objectieven dat was ver van hare boezem, maar dat betrok allen van haar provincies en verdeelde het gezag van elk tussen elkaar. In 1548 de strijd eindelijk kwam tot een eind en kon de Nederlandse Staten Generaal met gezag van het Heilige Roomse Rijk een 'Pragmatieke Sanctie' uitvaardigen dat erkende als een geheel en apart Habsburgs gebied de Nederlanden (ArtesiŽ; Vlaanderen; Rijsel, Dowaai en Orchies (soms Rijsels-Vlaanderen genoemd); Doornik en het Doornikse; Mechelen; Namen; Henegouwen; Zeeland; Holland; Brabant en Antwerpen; Limburg en de Landen van Overmaas; Luxemburg; Utrecht; Friesland; Gelre en Zutphen; Groningen; Overijssel (incl. Drenthe, Lingen, Wedde en Westwoldingerland). Op het gegeven moment waren deze de 17 vertegenwoordigers bij de Staten Generaal en men is dat getal blijven noemen. Dit bracht substantieve veranderingen in de politiek, economie, en kultuur, en eindigde een periode van instabiliteit en inheemse wanorde en losbandigheid dat was voor eeuwen het lot van de noord-oostelijke provincies geweest.
                 De tegenstellingen van het Habsburgse Nederland kan gezien worden in de ingewikkelde zwenkingen in de Nederlandse taal. Een echt centrum van kultuur bestond niet, de Lage Landen waren nog immer gescheiden door de grote rivieren, en de grootste provincies hadden een intens interesse om apart te blijven en hun machten te behouden. Het Habsburgse hof te Brussel gebruikte de Franse taal en dit maakte niet alleen een scheiding tussen het regime en het grote meerendeel van de bevolking maar ook dat het hof niet het gebruik van de eene of andere versie (Vlaams, Brabants, Hollands, Limburgs, of Oosters) kon beinvloeden.

De Vroege Nederlandse Reformatie
                 Voor de Nederlandse kerk begon de Reformatie vroeg en al snel bewoog het de gehele maatschappij. Maar het was in veel opzichten een mislukte hervorming omdat de stappen die de regering had genomen het denken in en de kultuur van de religie schokte en stuurloos had gemaakt. Het verwerken van de Reformatie nam een geheel andere vorm dan elders in Europa omdat het in Nederland uit het volk was opgekomen en niet (als in Scandavie, Duitsland, Zwitserland, Engeland) van de overheid was afgegeven. Nederlands Protestantisme zou Calvinist worden, maar dat kwam pas later en zeker niet voor 1550. Bij 1559 was (desondanks de grote getallen van geestelijken) de Rooms Katholieke Kerk in de Lage Landen administratief bijzonder zwak en geestelijke zedenleer en gedrag op een laag paal. Toch was de Kerk rijk en machtig en had (net als in veel van de voorgaande eeuwen) nog een immense invloed op de maatschappij. Maar de vervreemding en de verzwakking van de staatskerk was lang voor 1520 begonnen met de vervorming in onderwijs en vroomheid door het humanisme.


Cornelis Cornelisz van Haarlem (1562-1628) ~ Frans Hals Museum, Haarlem.
                 De Duitse kerkhervormer Martin Luther (geb. 1483 te Eisleben ~ waar hij ook stierf) groeide op met een verlaten moeder; zijn vader ~ een mijnwerker en boer, verhuisde een half jaar na zijn geboorte. In 1497 kwam Luther te Maagdenburg waar hij onder de leiding stond van de Broeders des Gemenen Levens, werd in huis genomen door een vrouw te Eisenach, en bij 1501 studeerde aan de universiteit van Erfurt. Toen hij door een onweer overvallen en ter aarde geworpen was werd hij plotseling bewogen monnik te worden, en trad in het klooster der Augustijners te Erfurt in 1505. Luther werd priester en universiteit docent ~ bij 1516 nam hij het generaal-vicariaat aan, en werd ook prediker aan de stadskerk te Wittenberg. Groot opzien verwekte het in geheel Duitsland, toen hij in 1517 zijn stellingen op de 'Slotkerk' sloeg om een disputatie uit te nodigen. Luther stichtte de eerste Protestanse gemeente in 1522 te Wittenberg, in 1524 legde de monnikspij af, en trouwde het volgende jaar. Buitengewoon is de kracht, die Luther toonde vooreerst door zijn Nieuwe Testament (1522), Oude Testament (1534), en de gehele Bijbel overgewerkt in 1541. Hij was ook een dichter die betekenis heeft voor de Duitse taal.
                 Luther beoefende a zeer grote invloed in de Lage Landen. Hij zag 'landskerken' waarbij het hoogste gezag door de overheid werd uitgeoefent. En met zijn galmend protest over de decadentie in moraal en geloof binnen de kerk en zijn attentie aan de evangelie. Dit laatste was werkelijk een revolutie in godsdienst en het geloofs verstand. De keizer antwoordde door de boeken van Luther in het publiek te laten verbranden en bij het oprichten van de Inquisitie tegen ketterij (dat in plaats van boeken, mensen verbrandde ~ de eerste in het noorden in 1525). In noord-Nederland de strijd was moeilijk maar langzaam een opstel van staats-verdringing onderdrukte het Lutherse dogma. Willem van Oranje (de Zwijger) was zonder twijfel de grootste man van adel in Nederland. Hij stelde dat het geweten niet gedwongen kon zijn. In de 1560er jaren beweerde hij zo in de Staten Generaal te Brussel en voegde toe dat zulk een onderdrukking geen plaats moest hebben in het beleid van de overheid en dat de verdringing tegen ketterij moest ophouden.
                 Blijkens de Bijbel, beweerde Calvin ~ de Hervormer van Geneve, moeten 'oudsten' de gemeente regeren. Johannes Calvijn, Jean Calvin (eigenlijk Cauvin, geb. 1509 te Noijon, in Picardie) werkte dit uit tot een sijsteem met een sijnode als vertegenwoordigende de gezamenlijke plaatselijke kerken. Calvin studeerde te Parijs, Orleans, Bourges, tot een breuk met de Katholieke Kerk in 1534. In 1536 gaf hij de eerste uitgave van 'Institutio religionis Christanae' ~ een werk dat, telkens uitvoeriger, voor de vierde keer verscheen in 1559 (en is herhaaldelijk in Nederlandse vertalingen uitgegeven tot 2009). Van 1537 was Calvin predikant te Geneve en voerde een soort theocratie in, waarbij een kerkeraad van twaalf ouderlingen en zes predikanten tucht moesten oefenen, maar zonder het recht over de leer te oordelen. In de Waalse gebieden van zuid-Nederland verscheen Calvinisme al in de mid-1540ers; maar het kwam naar het noorden (omstreeks 1560) vanuit Duitsland waarheen protestantse Hollanders waren gevlucht en waar zij kerken stichtten. Met haar heldere dogma en formidabele structuur vertoonde Calvinisme de sterkste geloof-stroom in het Nederlandse protestantisme.
 

De Maatschappij voor de Opstand
                 Ontginning, de kolonisatie van nieuwe gebieden, en het steeds meer verstedelijke landschap maakte het belangrijk om het de landbouwer aantrekkelijk te maken op het land te blijven. Reeds vanaf de twaalfde eeuw had zich een brede stemming ontwikkelt om de boerenstand los te zetten van de gebonden plichten in het leenstelsel, en deze instelling verdween gestadig. Bij 1550, het meerendeel van het boerenland was gehouden in onbeperkt eigendom en de landbouwer was vrij met eigen huis en boedel ~ genoeg om zijn familie in stand te houden ver van dorpse instituties. In Overijssel, Gelderland, Drenthe, oost-Utrecht, Limburg, noordoost-Brabant, en Luxemburg vond men plattelandse maatschappijen meer in gemeen met het meerendeel van die in de rest van west Europa. Hier trok het dorpse leven sterker en was de invloed van de landheer groter, maar ook hier was de boerenstand betrekkelijk vrij. In Holland een feitelijke agrarische revolutie had plaats genomen nadat vruchtbaar land van het water was geworsteld met dijken, sloten en kanaalen, en pomp-molens om de polders droog te houden. Het geconcentreerde gebruik van mest maakte het mogelijk om stalvoer te groeien en vee te stallen. De bevolking op het platteland in Holland, Friesland, en Utrecht, groeide sneller tot 1585 dan dat in de steden.
                 Noord-Nederland van 1300 was slechts schraal bevolkt maar bij 1500 het was uniek (in vergelijking met elders in Europa) omdat haar bevolking, doch relatief schaars, een ongebruikelijk hoge onevenredigheid had die zich in de steden vestigden. Utrecht, Dordrecht, Leiden, en Amsterdam konden nog niet vergeleken worden met het half-dozijn grote steden in het zuiden, maar het was in feite het meest stedelijke gebied in Europa in de verhouding tussen landelijke en stedelijke inwoners. En waar in Vlaanderen en Brabant veel dorpen verspreid lagen door die provincies, in het noorden was er een opzienbaar gebrek aan deze gewoonlijke woonoorden op het platteland dat overal in Europa te vinden was. De landbouwer verbleef in geisoleerde boerderijen, en de dorpse bevolking verdiende meestal het levensonderhoud bij zeevaart, rivier handel, vissen, of veensteken. Over de volgende eeuw-en-een-half deze zwenking werd alleen nog maar meer uitgesproken. Bij 1600, een van de vier Nederlanders verbleef in een stad met meer dan 10 000 inwoners, terwijl bijvoorbeeld in Engeland het nummer was minder dan een in tien. Noord-Nederland was ook uniek in dat het had veel mid-grote in plaats van enkele grote steden, en geen van hen (zelfs niet Amsterdam en Utrecht) had de grote invloed over de omgeving als Brugge, Ghent, of Antwerpen. De grootste in Holland in 1514 was Leiden met 12 500 inwoners ~ zeker geen grote stad, en er waren vier andere steden in de provincie: Amsterdam met 12 000 inwoners, Dordrecht 11 500, Haarlem 11 500, Delft 10 500. Deze afwezigheid van een wereldstad was een omstandigheid van het allergrootste belang in de komende ontwikkeling van de Nederlandse politiek en gemeenschap.
                 Gedurende de 16e eeuw, de voornaamste druk ~ de dijnamiek, in het zuiden kwam vanaf de 'rijke handel': textiel, spijzen, metalen, en suiker ~ gebaseerd bovenal in Antwerpen, en de samenhangende bedrijven: wollen doek, linnen, tapijten, suiker-raffineren ~ in de steden van Vlaanderen en Brabant, en metaalwerk in Liege en Aaken. Ten noorden van de rivieren, in contrast, de 'rijke handel' bestond bijna niet en de dijnamiek kwam van zeevaart en de haring visserij. De steden met de meeste groei in de 16e eeuw tot 1580 waren voornamelijk ~ en in Holland alleen ~ maritieme steden. Amsterdam, welke groeide het snelst, was allereerst een depot voor Oostzee graan en hout. De haring visserij was gebaseerd op de Zeeland vloot in Zierikzee, Veere, en Brouwershaven, de zuid-Hollandse uit de kleine havens onder Rotterdam aan de Maas trechtermonding en ~ de grootste, noord-Hollandse vloot uit Enkhuizen. Zout voor de haring steden was geraffineerd in Hoorn en Zierikzee. De scheepvaart: bouw en uitrusting, bemanning, touw en zeil, tonnen, vaten en zakken maken, vormde enorme werkzaamheden. Bij de 1560ers, Holland alleen had over 1 800 schepen in de zeevaart (500 uit Amsterdam) ~ en meer dan duizend Nederlandse schepen (meer dan drie maal zoveel als noord-Duitse) zeilden in en uit de Oostzee elk jaar, de meeste vanuit Amsterdam en andere noord-Hollandse havens, met ongeveer 20 procent uit Friesland. Het verschil tussen noord en zuid in de structuur van de handel en industrie (stortgoederen versus 'rijke handel') was ook gezien in de koopvaardij vloot. Dat gebaseerd te Antwerpen was klein maar had forse dure schepen ontworpen om hoog geprijsde goederen over lange reizen te vervoeren, en een rijke handelaar (of drie of vier) mocht een schip in eigendom hebben. Het noorden voor 1585 had geen belangrijke zakenmannen en de schepen, veel goedkoper gebouwd, waren het eigendom van mensen in bescheiden welstand als brouwers, molenaars, graan en hout kopers, haring handelaren, en dergelijken. Dus de noordelijke schepen in de 16e eeuw (in groot verschil met Engeland en Duitsland) waren vaak in eigendom in 32ste of 64ste delen. Het was dus mogelijk om een grote koopvaardij uit te voeren zonder een groot kapitaal in hand te hebben.
                 Het werkende leven in de steden overal in de Lage Landen (en in het noord-westen van Duitsland) was in grote mate vertstrikt in het sijsteem van de gilden. Elke stad had een massa van gilden. Antwerpen had wel meer dan honderd, in de meeste grote steden dozijnen. De hoofd gilden hadden de meest vooraanstaande rol (net als in voorgaande eeuwen) in de stad. Zij breidden zich over het gehele spectrum van de economie ~ gegroepeerd in verschillende zaken en handel: handwerkers, winkeliers, beroepen en vakken, voerlieden, en havenwerkers. Het gilde sijsteem was meestal ondersteund by het stedelijk gezag dat kracht leende aan de gilde statuten dat daarom altijd een sterke invloed op het stedelijk leven uitwerkten. Een andere belangrijke groepering was de schutterij: de burgerwacht dat hield orde in de gemeente en stond klaar de stad in nood te verdedigen. De schutters waren de meest welvarende gilde leden en niet loontrekkers of armen. De verhouding van stedelijke inwoners te arm om grondbelasting te betalen schommelde van het ene tot het andere jaar (in Leiden bv. stond het op 33 procent in 1514, minder in 1529, en 40 procent in de mid-1540ers). Armoede was een groeiend probleem. De kerk, gilden, en individuen, zetten liefdadige stichtingen en verzekeringen op voor hofjes, huizen, en gestichten voor armen, zieken, en weeskinderen.

De val van het Habsburgse Regime
                 Karel V hefde vanaf 1540 zware belastingen op de Lage Landen omdat vondsen nodig waren voor een langdurige oorlog tussen Frankrijk en Spanje. De fiscale eisen groeiden zo gestadig dat in 1556 de Staten Generaal eerst weigerde en niet toe gaf tot 1558. In die jaren, Karel V ~ vermoeid van oorlog en verantwoordelijkheid, begon van de troon af te treden met als eerste acte het overdragen van de Nederlanden naar zijn zoon Philip II die in 1555 van Spanje kwam. In 1559 Spaanse legers trokken uit de strategische gelegen Lage Landen naar een grote overwinning in zuid-Frankrijk en de oorlog kwam tot een eind, maar niet het probleem met Nederland.
                 Willem van Oranje was aangesteld als Stadhouder van Holland, Zeeland, en Utrecht, en Lamoraal ~ Graaf van Egmond, als Stadhouder van Vlaanderen en Artois, maar de macht over beslissingen lag met de ambtenaren. De rol van Willem van Oranje ~ de rijkste, slimste, en meest welbesproken van de hoge adel, was beslissend in de twisten dat volgden. (Willem kreeg later de bijnaam de 'zwijger' omdat hij zelden zegde wat hij dacht.) Deze uitstekende handige politicus spoedig vertoonde zichzelf als de voornaamste concurent voor macht tegenover de ambtenaren. Als hoofd van de Nassau dijnastie in Breda sinds 1544, had hij al lang de Spaanse Troon ondersteund.
                 De opkomst in Nederland (als overal in west-Europa) van universiteit geschoolde niet-van-adel ambtenaren in fiscale administratie en de justitie sloeg een wig tussen troon en adel. De inspanning werd een scheiding in 1561. Ambitie speelde een rol, maar Willem had een verbinding met vrijheid van geweten en geloof dat was dieper dan in anderen van de hoge adel. Toen hij trouwde met de Lutherse Anna van Saksen stond hij vastberaden tussen de onweerstaanbare kracht van het opkomende Protestantisme en de onroerende barricade van de Katholieke Spaanse Troon. Philip trachtte de kerk te reorganiseren maar nieuw-genoemde bischopen werden aangeklaagd als ketter-jagers. In 1566 bijna 200 mannen van de Lage Landen adel onder leiding van Graaf Brederode dwongen in bij regentess Margaretha van Parma in Brussel en presenteerde haar met een vurige beschuldiging tegen en aanmaning voor het aftakelen van de Inquisitie. Het geschrift was uitgegeven in Nederlandse, Duitse en Franse versien, en omvatte een weinig vermomde waarschuwing voor een gewapende opstand. Het was in verband met dit gebeuren dat de scheldnaam gueux (bedelaars) eerst was gebruikt en dat later een trots onderscheidingsteken voor de revolutie werd. De Inquisitie ~ gehaat door heel het land ~ werd gebeugeld, and het protestantisme drong naar voren en uitte zich in een spontaan begonnen beeldenstorm op de Katholieke Kerk dat raazde door de Lage Landen. Zwervende benden drongen de kerken binnen om heilige beelden en altaren kapot te slaan. Vervreemding in een gemeenschap van het eigen geloofs kultuur op zulk een grote schaal was zonder precedent nog gelijk. Niemand was er gekant tegen en de menigte keek juichend toe en lof ging naar de Geuzen. Bijna overal werden binnen stedelijke muren protestantse congregraties gevormd. De adel wist niet welke kant op te gaan.

Onderdrukking onder Alva
                 Met de opstand mislukt, een reactie tegen protestanten groeide in stuwkracht. De Hertog van Alva kwam naar Nederland met 10 000 Spaanse en Neapolitaanse troepen aangevuld met Duitse hulpmachten. Al de protestantse bedrijvigheid was verdwenen. De regentess Margaretha nam ontslag over de wrede aanpak van Alva; hij had tijdens een banket te Brussel de graven Egmond en Hoorn laten arresteren. Na een gerechterlijk onderzoek waren beiden voor verraad tot den dood veroordeeld. Tien maanden na Alva z'n aankomst waren de twee graven onthoofd in het paleis te Brussel voor een ontzet gedrang van wie velen schreiden openlijk. Zij werden niet de enigen van de adel die met hun leven voor de opstand betaalden: vier dagen hiervoor een doodvonnis was uitgetrokken op achtien anderen. Deze gebeurtenissen weren vaak opgebracht in latere anti-Spaanse propaganda. Voor Alva klaar was met zijn werk waren 9 000 mensen uit alle rangen beschuldigd met verraad van wie meer dan een duizend het doodvonnis hoorden. Willem de Zwijger was voorzichtiger en verhuisde naar Duitsland maar hij had zijn 13-jarige zoon Philips Willem achtergelaten om te studeren in Leuven; hij zou hem nooit weer zien. De jongen werd naar Spanje genomen voor een opvoeding tot een goede Katholiek trouw aan de Spaanse koning die hoopte dat hij zijn vader kon verplaatsen als Prins van Oranje in een onzekere toekomst.
                 Meer dan 60 000 Nederlanders vluchtten, naar Friesland, Duitsland, en Engeland. Vele anderen waren niet uitgevonden en bleven in hun thuis steden, maar het protestantse geloof kon niet uitgewist worden. Willem van Oranje in 1568 (met zijn land in beslag genomen en zijn reputatie bij de koning op het laagste peil) nam de plaats van Brederode (de Grote Geus die gestorven was met zijn hart gebroken omdat Oranje hem niet wilde ondersteunen), en toen Willem de Geuzenvlag van de opstanding ontplooide, verzamelde de adel zich rond hem. De meesten kwamen vanuit het noorden. De officieren van de Watergeuzen meestal van Holland en Friesland.
                 In 1569 Alva bracht nieuwe zware belastingen in om de troepen in Nederland te betalen maar ook voor de Spaanse oorlog tegen de Turk. Het eerste was de honderdste cent op gewaardeerd vermogen. Het tweede was een 5 procent belegging op koopwaren. Het derde was de als schandalig geziende vaste tiende cent op alles dat verkocht was. De Staten van de provincies en de stedelijke gemeenten waren laf gemaakt bij alles dat was gebeurd in de laatste twee jaren maar niet zo geintimideerd om te capituleren op een grondwettelijke kwestie. In antwoord, Alva imponeerde de nieuwe belastingen in een eenzijdige verklaring bij bevel. Een storm van bittere teleurstelling vloog over het land. Overal in de steden en op het land stond het volk op het punt van opstand.
                 Willem propagandeerde bij het beschimpen van Alva en de 'Spaanse wreedheid' en verschafte de bevolking dat de toevlucht naar wapens de enigste manier was om de Lage Landen te redden van 'ondragelijke slavernij', maar toch hield hij aan dat hij niet in opstand was tegen de koning maar tegen slecht staatsbeleid en speciaal tegen de tirannie van Alva. De geloofs verschillen liet hij af van zijn redeneringen. Het was niet bij toeval dat het 'Wilhelmus' in dat jaar was gekomponeerd door een vergeten dichter. Oranje als een veldheer kon niet op tegen Alva, en het offensief verminderde tot weinig meer dan pinprikken vanuit Duitsland. De Watergeuzen vloot vanuit Emden was meer doelzaam en bij 1571 had zoo'n 30 schepen welke de vaart bij de kusten ontwrichtte en op het land vielen in een reeks van kaperstochten.

De Revolutie begint
                 Een revolutie, een echt grote opstand van de soort dat verandert de grondtoon in de koers van geschiedenis kan alleen beginnen waar over een lange groeiperiode onoverkombare scheuren zijn gekomen in de grondwet, het sociaale leven, in de ideologie, en in het geloof. De economische en militaire omstandigheden dat zette het oproer aan in 1572, doch niet onbelangrijk, waren dus eigenlijk bijkomend. De opstand al vlug maakte een heel andere toestand in noord en zuid, en dit verschil werd later beslissend in hoe de revolutie zich uitwerkte maar ook in de groeiende afwijking tussen noord en zuid dat nog zou komen.
                 De Watergeuzen gaven de laaste stoot aan het begin van de Revolutie toen Alva op 1 April Den Briel verloor. Het kleine haventje was onbelangrijk maar vijf dagen later de aan de mond van de Schelde gelegen kritieke haven te Vlissingen was ingenomen. Hier Alva had plannen voor een van de bolwerken ~ ontworpen om de bevolking ontzag in te boezemen ~ zoals hij elders in het land had laten bouwen: te Antwerpen, Groningen, en Utrecht. In Vlissingen was het nog niet een fort, meer een teken van verdrukking. Terwijl Spaanse troepen naderden, bezette de burgerij de stad en roepte de Geuzen in die kwamen van Den Briel in acht schepen met 800 man. Later diezelfde maand Veere was overgenomen door haar vissermannen, en meteen was de rest van Walcheren (met uitzondering van Middelburg) in opstand tegen de Spanjaarden. Zeeland stond zo sterk achter de Watergeuzen dat Spaanse schepen geen bemanning van de bevolking kon krijgen en Veere en Vlissingen niet te hulp konden komen. De aanvang van een oproering in Rotterdam was nauwelijks in de kop gedrukt.
                 Vanuit Duitsland een leger bestormde Gelderland, veroverde Zutphen en bracht Gelderland en Overijssel in opstand. Oranje, in persoon, voerde een 16 000-man-sterk Duits huurling-leger aan naar Brabant. In Mei de schutters van Enkhuizen grepen de stad die het hoofdkwartier voor de Geuzen in Holland en Friesland werd. Een maand later, Hoorn en Alkmaar volgde; Haarlem in Juli als een der laaste (behalve Amsterdam) in Holland.
                 In zuid-Holland de Spaanse regering stond sterker met het meerendeel van het Spaanse leger bij Rotterdam, en een garizoen in Utrecht, maar toch ging Gouda al over naar de opstand in Juni na de verovering door de Geuzen van Oudewater. Te Leiden (getrouw aan de Spaanse Troon) de drukken van schutterij en burgerstand kloof de stadsraad, en Geuzen kwamen zonder weerstand binnen. Na Leiden volgde Dordrecht. Alleen Amsterdam, Rotterdam, Delft, en Den Haag, van de grote steden, waren aanwezig voor een Spaanse spoedvergadering in 's-Gravenhage in Juli. In antwoord vegaderde vier van de zes grote steden als de Staten van Holland (nu Oranje) in Dordrecht ~ zelfs Rotterdam (nadat Spaanse troepen terug waren getrokken) kwam een paar dagen na de anderen. Maar nu ook kwamen de kleinere steden (Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Edam, Monnikendam, Oudewater, en Gorcum) die anders niet vaak aanwezig waren.
                 Willem de Zwijger stuurde Philip Marnix van St Aldegonde, zijn secretaris, als vertegenwoordiger om voorlopige afspraken met de Staten te maken. Beiden van de Prins z'n voordrachten (en aangenomen) waren bizarre mengsels van conservatisme en revolutie. Oranje verkondigde dat hij nog steeds de koning z'n gouverneur-generaal en Stadhouder was van Holland, Zeeland, en Utrecht omdat hij niet ontslagen was in de manier vereist bij de gebruiken en bevoorrechten van het land. De Staten van Holland aanvaarde dit en zag hem als Stadhouder en kapitein-generaal van de drie provincies. Meer dan dat, het erkende Oranje, in de afwezigheid van Zijne Koninklijke Majesteit, als Beschermer van al de Nederlanden, een verbazende stap en een totale ontkenning van het gezag en de opdracht van Alva. De Prins (ver van Dordrecht in Venlo) spoorde de Staten aan om op te geven aan de zaak van de Spanjaard en samen met de rest van het Vaderland te vechten om vast te houden aan de historische rechten en privilegen van de provincies. De Staten was in overeenstemming en bereid de kosten op zich te nemen met een toewijzing van 600 000 gulden om de troepen voor drie maanden te betalen. Oranje beloofde dat hij in de toekomst niet Holland zou regeren zonder toestemming van de Staten. Door het nemen van het bewind en administratie functie de Staten van Holland had zichzelf verwisseld van een adviserende groep naar een onontwikkelde regering.
                 Als 1572 voorbij ging geniette de Revolutie eerst voorspoed, maar toen verwelkte. In het noorden was er veel spontaan plaatselijk verzet tegen Alva en de koning. In het zuiden, met Alva dichter bij, niet. Oranje ging in beroep op de steden van Brabant en Vlaanderen om steun aan de opstand te verklaren. Alva rukte op naar Mechelen en liet zijn leger plunderen en een slachting aanrichten welke veel andere oproerige steden onderdanig maakte. In smaad trok Oranje terug, eerst naar Gelderland, dan naar Holland. Met de opstand gebroken in Brabant, ging Alva in marsorde op Gelderland af. Op 14 November werden honderden gedood bij Zutphen en het nieuws daarvan veroorzaakde een breuk in de revolutie in Gelderland, Overijssel, en Friesland. Alva haastte zich naar Holland en Zeeland voor winter de opstandelingen een kans gaf zich hecht te maken. Toen het te lang duurde voor Naarden zich te onderwerpen bemachtigde Alva de moord van elke man, vrouw en kind in de stad. Deze verslachting had een sensationeel gevolg op de bevolking in de Lage Landen, en werd een bijwoord voor gruwelijke wreedheid.

De Revolutie overleeft
                 In Brabant en Vlaanderen Oranje's regenten en schutter-officieren vluchtten toen Alva nader kwam; in Holland het Spaanse bloedbad in Naarden had een ander gevolg. Verzet werd halsstarrig zelfs met een vermoedelijke grimmige toekomst. De schutterij van Delft eisde de Prins harder op te treden tegen de Katholieke godsdienst. In Haarlem, met Alva in opmars naar de stad, een machtsgreep by de schutterij sloot de poorten tegen de Spanjaard. Het beslissende feit was dat in Holland, Zeeland, en Friesland, de opstand was nu vele maanden oud. Aanvangs-protestantisme en het formeel maken van de Revolutie door de Watergeuzen en terugkerende balingen hadden gemeentelijke politiek en geloof doortassend verandert in de steden van Holland en Zeeland. Zij konden hoop om de opstand te overleven alleen vinden in voortdurend verzet.
                 De verdediging van Haarlem stond niet goed, maar een garizoen en de schutterij hield de stad vastberaden terwijl Spaanse troepen een bittere koude winter doorbrachtten in hun loopgraven ~ waar velen sneuvelden, en de kosten voor Alva groeiden enorm. Na een lang en verschrikkelijk beleg moest Haarlem het opgeven in Juli 1573, maar het had Spaans gezag en leger zo beschadigd dat alles veranderde. De zoon van Alva trok op tegen Alkmaar, maar het lot van de revolutie lag nu in zuid-Holland.
                 Over de volgende 18 maanden Middelburg en Leiden werden belegerd. De rebellen op Walcheren hadden de stad geblokkeerd vanaf het begin van de revolutie maar het was sterk bemand en de Spaanse troepen hielden uit voor 20 maanden. Verschillende indrukwekkende rivier konvooien van Antwerpen en Bergen-op-Zoom werden afgevochten door Zeelandse oorlogschepen. In Februari 1574 moesten de uitgehongerde Spanjaarden het eindelijk opgeven. In Leiden was het de beurt van de rebellen om uit te hongeren. Het beleg van Leiden, doch niet het langste (dat was te Middelburg), was de duurste, her hardst gevochten, meest beslissend, en het meest epische van de grote belegeringen gedurende de Revolutie. Van de vechters in de stad waren weinig beroeps-soldaten; de ruggegraad van de verdediging was de schutterij. De Spaanse belegeraars slaagden bijna en als Leiden had gevallen, Den Haag en Delft zouden onhoudbaar zijn geweest en de Revolutie zelf misschien ineengestort.
                 Spaanse troepen trokken terug in Maart 1574 om het leger van Willem z'n (gesneuvelde) broeren tegen te staan dat van Duitsland marcheerde om Holland vanuit het oosten te ontheffen. Zij werden bij Mook verpletterd, en in Mei het beleg van Leiden nam weer aan. Met heel de Revolutie nu in het evenwicht zette Oranje alles op: schepen, rantsoenen, en duizenden zeelieden werden opgebracht vanaf Zeeland. Ondanks de tegenstand van de Staten van Holland werden de Maasdijken doorgestoken, maar de vloed was niet hoog genoeg om de Spanjaarden terug te drijven nog konden de Geuzen-schepen verder dan tussen Delft en de stervende stad. Wekenlang lagen de vaartuigen binnen gehoorsafstand en donderden hun kanonnen om de verdedigers moed aan te spreken. Eindelijk in laat September draaide de wind en regen plensde zo dat de Spaanse troepen terug moesten trekken en de Geuzen door konden naar de stad. De verdedigers van Leiden waren zo zwak meest van hen konden ternauwernood staan. De ontheffing van Leiden was een cruciaal gebeuren. Spaanse soldaten ontruimde zuid-Holland naar Utrecht en Naarden. Sinds de slag op de Zuiderzee 11 October 1573, de zeevaart van de Schelde monding tot Friesland behoorde nu onbetwist aan de Geus.

De Vrede van Ghent tot de Unie van Utrecht
                 Met oorlog in Nederland en tegen de Turk aan de kusten van de Middelandse Zee, de Spaanse monarchie was financieel onthecht. Het Spaanse leger ~ onbetaald en onbevoorraad ~ zette het beleg van Zierikzee voort tot de val van de stad 2 Juli 1576. Slechts uren later gaven de hongerige veteranen het op in muiterij ~ en drie weken later plunderden zij Aalst net buiten Brussel. Zonder een tweede mogelijkheid liet de koninklijke raad de Staten van Brabant een leger op been te brengen welke de steden kon beschermen. In November Antwerpen werd aangevallen en de Brabantse verdedigers overstulpt bij de Spaanse muiters ~ gevolgd door slachting, plunder, en verkrachting in dit: de voornaamste handel en geld stad in Europa.
                 De Staten Generaal vergaderde zonder bijeenroeping door een koninklijke heerser in September 1576 (voor het eerst sinds 1477). Het kwam tot een belangrijke overeenstemming met de Vrede van Ghent. De Nederlanden nu had twee middelpunten van macht met geen van beiden in Spaans beheer. Doch bewerend dat het erkende de soevereiniteit van de Spaanse koning, de afspraak stelde de zuidelijke provincies, en ook Utrecht, om zich te verenigen met de Prins van Oranje en de Staten van Holland en Zeeland om de Spanjaard te verdringen. De provincies en de steden in beraadslagingen met de schutterijen bekrachtigden de overeenkomsten.
                 Noord en zuid stonden samen maar toch waren er nu twee revoluties aan de gang: dat in het zuiden wilde het katholieke geloof in herstel zien terwijl in het noorden protenstantisme was onweerbaar. De kloof in de politiek was groter dan ooit en voor drie jaar worstelde het zich uit over het land in militaire en burgerlijke conflicten in Utrecht, Groningen, Friesland, en Gelderland ~ tot een 1578 'alteratie' zelfs in Amsterdam de banning zag van de katholieke gezachtshebbers en het sluiten van Katholieke kerken. Oranje zocht voortdurend in het zuiden verdraagzaamheid voor het protestantse en in het noorden voor het katholieke in een 'vrede van geloof'.
                 In die tijd kon Spaans (en Katholiek) gezag weer groeien en na een vernederend verlies in de slag van Gembloux moesten Oranje en de Staten Generaal Brussel verlaten naar Antwerpen dat nu het hoofdkwartier werd voor de Brabantse revolutie. In 1578 de Spanjaarden veroverde Leuven ~ slechts 20 kilometers van Brussel. In het noorden protenstantisme ~ nu sterk Calvinistisch, was in de opmars: Ghent werd gedwongen haar raad en ambten te veranderen; Oudewater verdreef haar schepenen om een Calvinist commissie van achtien (zoals in Ghent) op te zetten, en de burgerij nam Kortrijk, Arras, Ieper, en Brugge. Met het 'vrede van geloof' uitgeroepen in 1578, Calvinisten (en ook Lutheranen en Wederdoopers) zagen voorspoed in Antwerpen. Hier en in Breda en 's-Hertogenbosch Oranje probeerde de protestanten in toog te houden; dichter bij de Spaanse eerste linie moest hij de adel overtuigen van de principes in het vrede van geloof.
                 Het hart van het politieke zinnebeeld stond in het overwerpen van de Burgundische en Habsburgse geraamtes in de provincies en een terugstelling van (wat is soms genoemd) een 'stedelijke staat' sijsteem zoals bestond in Brabant en Vlaanderen in de Middeleeuwen.

De Twee Nederlanden
                 De gebeurtenissen van 1576-78 maakten de scheur tussen noord en zuid Nederland niet, maar het onthulde het, en kloof het breder, in een diepe spleet dat al een lang bestaan had. In structuur de verschillen in de maatschappij, economisch leven, en geloof, waren talrijk en verstrekkend. In het verleden hadden de Nederlanden ten zuiden van de grote rivieren altijd de macht gehad; nu, de opmars van Spaanse troepenmachten in zuid-Brabant en Limburg maakten hen niet begerig om instemming met Holland te vinden, en Oranje kon niet de orde in de zuider steden houden zoals hij kon in het noorden.
                 De Unie van Holland en Zeeland was getekend in Juni 1575 dat (voor het eerst) vormde (een uitsluitend protestantse) gezamenlijk raamwerk voor de politiek, strijdkrachten, fiscus, en geloof; het was in kiem de staat dat later opgericht zou worden ~ het was de fundering voor een toekomstige Nederlandse Republiek, en dicht verbonden stond het oprichten van de universiteit te Leiden wiens doel was een oefenperk des verstands te maken voor een nieuwe staat en een nieuwe volkskerk; de opzet was de opleiding van ambtenaren, geestelijken, en anderen als de bemanning van de stichtingen voor het nieuwe wezen, en een bolwerk tegen 'tirannie' en geloofs verdrukking.
                 De chronische politieke wanorde in het zuiden werd nog erger toen de onbetaalde troepen van de Staten Generaal naar muiterij keerden in September 1578 terwijl Spaanse legermachten onverbiddelijk noordwaarts drongen ~ zij overstroomden Limburg naar het Roermond kwartier om Gelderland en Overijssel te bedreigen. Met de vijand zo dicht bij, de Staten Generaal kon Roermond, Deventer, en Kampen niet helpen, en Vlaanderen en Brabant keerden hun blik (zoals altijd) naar het zuiden.
                 De Staten van Holland, Zeeland, en Utrecht haastten manschappen naar het oosten en greep in tegen de politiek met het afzetten van de Roomse raad van Kampen (in Juli) en van Deventer (November). De komst van de troepen uit het westen in Gelderland en Overijssel en de versterkingen van de oost-grenzen benodigde een bredere strategische en politieke verhouding tussen de noordelijke provincies in een nieuwe en dringende vorm. Dit was de eigenlijke reden voor de welbekende Unie van Utrecht en voor de vormering van een grotere Nederlandse staat.
                 Een vroege versie van de nieuwe 'Unie' was ontworpen door de Staten van Holland aangezet door Johan van Nassau, Stadhouder van Gelderland, met Floris Thin, Advokaat voor de Staten van Utrecht, in de late zomer van 1578. Het is duidelijk dat de oorspronkelijke bedoeling was om al de noordelijke provincies bijeen te brengen, inclusief Drenthe en Lingen, maar niet de provincies in het zuiden of de Staten Generaal te Antwerpen. De opzet was voor een noordelijke verdediging structuur overheerst door Holland. Er was veel tegenstand en debat en de afdoende tekst, getekend bij Holland, Zeeland, Utrecht, de Ommelanden, en het ridderschap van de Arnhem en Zutphen kwartieren, was niet meer dan een eerste slag in een maandenlange politieke strijd tegen wat was gezien als een 'Hollandse Unie' maar in 1579 tekenden Gelderland en Friesland en in 1580 Drenthe en Groningen, met Overijssel nog gescheiden.
                 Tegenstand was natuurlijk niet alleen te vinden in het noorden van het land maar ook in het zuiden. De Staten Generaal te Antwerpen en de Prins van Oranje waren er grondig bezorgd over. Oranje waardeerde de noodzaak voor het versterken van de oosterse grenzen en was niet in openlijke tegenstand van de Unie. Zo lang als de zuiderlijke provincies een deel uit maakten van de Unie was de Prins er niet tegen, maar zijn gebrek aan geestdrift ervoor was duidelijk. In April 1579 was hij nog bezig met de Staten Generaal aan voorstellen voor een andere vorm van Unie dat gaf meer macht aan de Staten Generaal en beschermde verdraagzaamheid voor het katholieke geloof ~ hij hield vast aan een grote afkeer tegen de onverdragelijkheid van de Calvinistische geestelijken. Eindelijk (in Mei 1579) tekende Oranje de Unie van Utrecht en begon hij de steden van Brabant en Vlaanderen aan te moedigen om ook te tekenen.

De Habsburgse Herovering van het Zuiden
                 Onder de auspicien van Keizer Rudolph II werd te Keulen een vrede vergadering gehouden, maar het werd duidelijk dat geen grond bestond voor een overeenkomst; voor de velen twijfelaars de gulden middelweg was niet te zien tussen de unies van Utrecht aan de ene en die van de Staten Generaal aan de andere kant. Veel van de slotfiguren in deze tijd verdraagden kwellende hartscheuren: de Frieslandse vertegenwoordiger erkende de revolutie maar kon niet een katholiek geloofs verbod aanvaarden en zou niet kiezen maar verbleef van die dag af in Keulen; een ander die de Generale Unie lang had ondersteund in de hoop niet een onherroepelijke verbreking met Spanje te zien, volgde Oranje en werd Calvinist in naam.
                 Graaf Rennenberg, Stadhouder van Friesland, Groningen, Drenthe, Lingen, en Overijssel, voor de Generale Unie, was de laatste Katholiek nog aan de rebellen partij. In Maart 1580 verkondigde hij zijn trouw aan de Spaanse koning. Het was de eerste belangrijke noodtoestand voor de onontwikkelde Nederlandse staat. Rennenberg hield de stad Groningen en riep de burgerij op om de Hollandse en Protestantse tijrannie over te gooien. In de meeste plaatsen was weinig steun voor de oproep ~ zelfs in Groningen was het zo zwak dat een Katholieke opstand spoedig was geoverweldigd, en elders werd er door de burgerij een kort eind aan gemaakt. Roomse geestelijken vluchtten van heel het noord-oosten, en van Gelderland, Utrecht, Holland, en noord Brabant. In veel plaatsen Katholieke kerken werden gesloten, de godsdienst verboden, en Katholieke priesters en monniken mochten zich niet met pij of toga in het openbaar vertonen.
                 Met een Spaanse legermacht in Groningen achter de Nederlandse verdedigings linie, Rennenberg veroverde Delfzijl, dan Oldenzaal, en het Hof van Overijssel (geband als Spaans en Katholiek) keerde terug naar Zwolle. Inmiddels had de Italiaanse Hertog van Parma (Spanje haar gouverneur-generaal) Maastricht genomen na een vier-maandenlang beleg in 1579 en Kortrijk (west-Vlaanderen) in 1580. De Spanjaard was op de mars vanuit noord-oost, zuid-oost, en zuid-west, en het gebied van de Nederlanden verminderde geleidelijk.
                 Oranje was overtuigd dat de enige manier om een totaale verslaging te ontlopen was door de gemaatigde partijen die vervreemd waren door het radicaal Calvinisme terug te winnen, en door het behalen van het vertrouwen der Franse koning en Lutherse prinsen in Duitsland. Hij hoopte de Revolutie meer inschikkelijk te maken tegenover het Katholieke geloof en bijstand te vinden in het buitenland ~ in bijzonder van Frankrijk. De Prins spoorde de Staten Generaal aan om de souvereiniteit over Nederland aan te bieden aan de jongere broer van de Franse koning, de Hertog van Anjou. Deze voorstelling van Oranje was aangenomen bij de Staten van Brabant, en Vlaanderen, en een verdrag getekend door de Staten Generaal in September 1580. In Juli 1581 het 'Plakkaat van Verlatinge' verwierp Philip II en verloochende de koning van Spanje ~ verordening het verwijderen van zijn portret van munten, van ambtelijke zegels, en het uitwissen van de Habsburgse wapens van al de publieke gebouwen.
                 Maar de Spanjaard had nu zilver uit de Spaanse Indien en de oorlog met de Turk was tot een einde gekomen. Philip z'n macht groeide spoedig: bij September 1580 had Parma een leger van 45 435 man en bij October 1582, 61 000. Toen Oranje z'n eigen stad van Breda verloor (in Juni 1581) was de Spanjaard goed verschanst langs het zuiden van de rivieren en stond als een wig tussen noord en zuid. De toekomst van de Revolutie zag er somber uit. Gedurende 1582 trokken Spaanse troepen op tegen Gelderland en in November veroverde Parma Steenwijk ~ een vesting stad dat lag onderweg tussen Overijssel en Friesland, en de grote Italiaanse generaal blijkend zou spoedig de Unie van Utrecht in hopeloze stukken hakken.
                 De Hertog van Anjou ~ de Franse tituleerde soverein van de Nederlanden ~ beraamde in Januarie 1583 een militaire coup om de macht in Brabant en Vlaanderen te nemen. Hij greep Duinkerken, Aalst, en verschillende andere plaatsen in Vlaanderen, maar in Antwerpen greep de burgerij naar wapens en sprong op Anjoe z'n mannen om honderden Fransen dood in de straten te laten liggen. De positie van Anjou was nu onhoudbaar, en Oranje z'n populariteit op het laagste peil sinds 1572; hij trachtte de situatie op te lappen maar in Juni Anjoe verliet het land. Het werd gezegd dat Katholieken de poorten van Breda open gegooid hadden voor de Spanjaarden en de burgerij van Antwerpen antwoordde met nog een beeldenstorm, en een ingrijpende beperking op de Roomse godsdienst volgde in Brussel en Antwerpen ~ ondanks de inspanning van Oranje om het te voorgaan. Overal in Vlaanderen en Brabant waren de bedreigde steden in tegenstand aan de 'vrede van geloof' van Oranje. Spaanse troepen namen Duinkerken en Nieuwpoort bijna zonder een schot te vuren in de zomer van 1583, en het lot van de revolutie in het zuiden scheen ondergang te zijn.
                 Met all zijn strategien mislukt groeide wanhoop in Oranje en hij verliet Brabant voor goed in Juli. Zijn hoofdkwartier werd het Prinsenhof in Delft. Met Oranje nu in Holland, zijn visioen voor een verenigd Nederland ~ noord en zuid ~ onder samenlijk gezag door Protestanten en Katholieken in een 'vrede van geloof' was definitief gebroken. De Staten Generaal verhuisde in Augustus 1583 naar Middelburg, dan naar Delft, en eindelijk Den Haag; de Consilie van Staten in Brabant ontbindde zich in October. Nu was er maar een bron van macht: Holland.
                 Maand bij maand het Spaanse offensief was meedogenloos, veroverde Ieper in April 1584, Brugge in Mei, Ghent in September. Een groeiende stroom van verschrikte protestanten vloeide vanuit Vlaanderen en Brabant naar Holland en Zeeland. Dat hij Graaf van Holland en Zeeland moest zijn had Oranje al in 1581 afgewezen, maar met Anjou uit de weg de steden waren nu niet eenstemmig omdat er was nu ook een ontluikend republiekeinisme ~ of een verbintenis aan het ideaal van de Staten van Holland (in plaats van enige soverein) zolang dat de politieke macht was samengebracht bij al de provincies onder de Unie van Utrecht. Er was ook een sterke neiging voor het betoog dat het regenten gezag was ontleend van en in stand gehouden door de aanzienlijke burgerij, de schutterij, de burgerwacht en landweer, en dat regenten raadpleeg 'niet alleen de kapiteinen en luitenanten maar al de burgers en zeelieden welke zijn onze grootste krachten'. Zulk een toestand was al gevonden in Holland sinds 1566: met raadplegingen over het toestaan van de protestantse geloofdienst, en weer met de Vrede van Ghent en de Unie van Utrecht.
                 De Prins werd dood geschoten (in Juli 1584) door een Katholieke fanatiekeling op een trap van het Prinsenhof in Delft; zijn laatste woorden: 'mijn god, mijn god, heb medelijden met mij en mijn arm volk'. Voor het eerst moest Holland de Rovolutie leiden zonder Oranje maar nu ook al de kosten op zich nemen, en zoveel van Brabant en Vlaanderen was gestroopt door Parma dat deze provincies niet veel konden bijdragen. De belangrijkste beslissing voor het overdragen van het gezag van Oranje naar Holland was de stichting van de Raad van State, en dit was het dat hield de Revolutie en Nederland in wezen.
                 De winter van 1584-85 zag Antwerpen belegerd door Parma en 80 000 inwoners uitgehongerd; Brussel onderwierp haarzelf in Maart. In April de Staten van Holland en Zeeland waagde een poging bij land en zee om het beleg van Antwerpen te breken maar het lukte niet en de zaken-wereldstad capituleerde in Augustus. Protestanten die weigerden het Katholieke geloof aan te nemen werden bevolen hun huizen en onroerende goederen te verkopen en de helft van de inwoners emigreerde naar het noorden over de volgende vier jaren.
                 De Staten Generaal keerde nu naar Engeland waar Koningin Elizabeth zag dat steun aan de Nederlanden de Spaanse koning zou verhinderen het land strategisch te gebruiken tegen hare en tegen Frankrijk, en zou ook een verzwak in het protestantisme overal in Europa tegen staan. Maar als zij de Revolutie ondersteunde wilde zij ook kandidaten voor zetels in de Raad van State benoemen. De Staten Generaal had geen andere keuze en de Treaty of Nonsuch (Augustus 1585) maakte de Verenigde Provincien een Engels beschermheerschap. Het was de eerste overeenkomst met een andere Europeaanse staat. Elizabeth stuurde een expeditie-macht van 6 350 te voet en 1 000 te paard voor welke zij de kosten zou delen. De troepen werden gecommandeerd door Robert Dudley Graaf van Leicester die ook de politieke leiding op zich nam als 'gouverneur-generaal'.

Noord Nederland onder Leicester
                 Het Engelse tussenspel was kort maar in veel opzichten was het een vormende periode in de geschiedenis van de Nederlandse Republiek. De grondslag voor de Revolutie van 1572, en de volgende ontwikkelingen in de Nederlanden, was het overwicht van Holland ~ zelfs in de jaren na 1576 toen Oranje probeerde de politieke leiding voor het gehele Nederland in Brabant op te zetten. De opkomst van Holland had zich ontwikkelt over ~ niet tientallen ~ maar wel honderden jaren, en in noord-Nederland was het haar net zolang kwalijk genomen. De Engelse invloed gaf kracht aan de anti-Hollandse beweging voor een weidere verspreiding van de macht.
                 Het was een tijd van crisis niet alleen in de politiek maar ook in vrijheid van geloof dat dicht bij elkaar verbonden was. De politiek was door Holland beheerst en de Hervormde Kerk had een hekel aan de verdraagzaamheid dat de Hollandse regenten vertoonden voor het Katholieke geloof. Met Leicester ~ een Calvinist ~ in gezag, de protestantse kerk en de noord-Nederlandse provincies stonden klaar hem bij te staan. Leicester was een grote aristokraat en de adel van Nederland wiens macht door de Revolutie zwaar was beminderd zagen ook een kans hun invloed uit te breiden.
                 Johan van Oldenbarnevelt werd spoedig de voornaamste tegenstander van Leicester. Oldenbarnevelt was geboren in Amersfoort 1547, studeerde in buitenlandse universiteiten, en vanaf 1576 was raadpensionaris van Rotterdam en werd al snel ~ door bevoegdheid en hard werk ~ een belangrijke figuur in de Staten van Holland, aangezet als Advokaat in 1586. Hij had een grote gehechtheid aan de Prins van Oranje.
                 Meteen op zijn aankomst begon Leicester nauwkeurige onderhandelingen over de machtsvorm dat hij zou houden. Het gevolg was confrontatie en polarisatie. Het eerste probleem was een beslissing over het aanstellen van Stadhouders; de Treaty volmachtigde de Raad van State ~ inclusief de Engelse leden. In andere woorden, geen Stadhouder was te benoemen zonder toestemming van de Engelse Troon. Leicester verwachtte ook dat de Stadhouders onderschikt tot de gouverneur-generaal en de Raad van State zouden staan. De commissie als Stadhouder voor Gelderland, Overijssel, en Utrecht, was ontleend door de Staten Generaal aan Graaf Adolf von Neuenahr, en dat voor Friesland en Ommelanden aan Willem Lodewijk van Nassau ~ beide na Oranje z'n dood. In Holland en Zeeland niemand was benoemd als opvolger omdat zijn zoon Maurits nog te jong was, maar de Staten duidde hem aan als de toekomstige Stadhouder door hem aan het hoofd van de Raad van State te zetten in 1584. Net voor Leicester naar Nederland kwam benoemde de Staten van Holland en Zeeland de nu 17-jarige Maurits to Stadhouder.
                 In de overlegging met Engeland in Januari 1586 hield Holland vol dat de Stadhouders hun gezag van de provincies kregen, en dat Leicester hun benoeming niet kon betwisten nog veranderen omdat in het verleden de gouverneur-generalen van Habsburg en van de Franse koning daar ook niet de macht over hadden. Een ander moeilijk onderwerp was de vertegenwoordiging van Vlaanderen en Brabant in de Raad van State en de Staten Generaal. Er waren nog maar kleine resten van de twee provincies in de handen van rebellen maar Leicester was begerig om ze binnen de politiek van de Republiek te brengen als een verdere tegenwicht aan Holland. Het derde probleem had te doen met de fiscus. Alleen Holland, Zeeland, Friesland, en Utrecht leverden regematige contributies aan de Staten Generaal ~ zo'n 2,4-millioen gulden voor de oorlog. Leicester zette een Brabander in als penningmeester welke hij al eerder voor Spanje, Frankrijk, en Oranje was geweest, maar zijn benoeming en aanpak veroorzaakten aanzienlijke ergernis.
                 Een andere bron van wrijving was een verbod door Leicester op de handel met gebieden in de handen van de vijand ~ stategisch verantwoordelijk want er was een tekort aan voedsel voor Parma, zijn troepen, en overal in zuid-Nederland. De Nederlandse Republiek had de zeemacht voor de Vlaamse kust en de Eems monding, en beschermde de binnenvaart. De prijzen voor voedsel in de Republiek vielen af ~ vooral voor kaas en boter; dat was wel naar de zin van de burgerij maar onderdrukte handel en landelijke huur. Nederlandse kooplieden konden geen graan naar de Spaanse Nederlanden, Spanje of Portugal verschepen, en dit stoorde de import van de Oostzee en veel van dat verkeer ging nu naar Engeland, Frankrijk, en zelfs Schotland.
                 De stand tegen Leicester bij Holland doordrong elke hoek van het Nederlandse leven; elke nieuwe ontwikkeling voegde aan de ene of de andere kant een ergernis toe. Een grondelijk deel van de groeiende confrontatie was de kerkeraad: de Nederlandse Hervormde Kerk moest dogma en organisatie vast leggen dat was betwist sinds 1572. Een nationaale sijnode bijeengeroepen te Den Haag maakte een uitsluitende Calvinistische Kerk order op. De Staten van Holland verwierp het voorstel maar het had ondersteuning in Zeeland, Gelderland en Overijssel.
                 De politieke crisis werd nog erger in Juni 1586 met de gilden en landweer van Utrecht in tegenstand aan het geloofsbeleid van de regenten, en in Augustus 60 of zo regenten en adelen werden uit de stad gezet en vluchtten naar Holland. Leicester verplaatste de gehele raad met een vroedschap welke was vurig Calvinist, anti-Katholiek, en pro-Engels. Holland was woedend en verhinderde de Utrecht vertegenwoordiger plaats te nemen in de Staten Generaal, maar kon niet verhinderen dat de stadraad de leiding nam in de Staten van Utrecht.
                 Wrijving tussen de burgerij en Engelse militairen was ook bezorgwekkend ~ zelfs voor de Engelse leden van de Raad van State. Behuizing was moeilijk te vinden en de huur te hoog voor de inwoners van Vlissingen, Den Briel, en Rammekens waar de soldaten schraal onderdakt waren opgesteld ~ en vaak de inwoners voor dat feit lieten betalen.
                 Toen Leicester tijdelijk verbleef in Engeland gedurende December 1586, was de Republiek inwendig aanzienlijk overstuur, maar de Staten van Holland ~ onder de leiding van Oldenbarnevelt, zag kans om politieke grond te winnen. Nieuwe regels werden ingebracht onder welke alle militaire-officieren in dienst in Holland en Zeeland door de Stadhouder benoemd moesten worden en trouw zweren alleen aan de provincieele Staten. De beweging van troepenmachten werden nu alleen wettig als volmachtigd door de Stadhouder. Het handelverbod van Leicester was zo grondig geweizigd dat de Engelse gouverneur van Den Briel de veranderingen niet in de stad liep uitroepen.
                 Engelse manschappen te Deventer en de forten om Zutphen (moe van de Nederlanders) gingen over naar Spanje en gaven deze voorname verdedigings punten van de Republiek aan Parma. Het gevolg was een grote haat bij de bevolking voor de Engelse soldaaterij en dit was de oorzaak voor nog meer muiterij door Engelse garizoenen te Zwolle, Arnhem, en Ostend, en het aanzien van Leicester zakte gestadig. In de zomer van 1587 bracht de Engelsman nieuwe troepen naar Holland en bezette Gouda, Schoonhoven, en andere plaatsen. Hij drong binnen te 's-Gravenhage in een mislukte poging om Maurits en Oldenbarnevelt te arresteren. Leicester probeerde nog Amsterdam te overtuigen van zijn kant maar toen dit ook mislukte gaf hij Nederland in afschuw op om terug naar Engeland te gaan. Zo de laaste en meest ondersteunde poging om de opstandige provincies onder het goedaardige bescherm van een buitenlandse heerser te brengen eindigde in een mislukking.

De Bevestiging van de Republiek
                 De tijd van Leicester verhelderde de Hollandse houding voor vrijheid zonder onderwerping aan enig koninklijk gezag, maar het verzwakte ook de Republiek en een verwachting voor herstel. Op het korte termijn, het inwendig worstelen voor macht binnen de Nederlanden verzwakte zelfs de kans voor de Republiek te overleven. Parma rukte op van het zuiden, oost en noord-oosten; Spaanse garizoenen uit Groningen, Steenwijk, en Coevorden stroopten in Friesland, en een aanval tegen Bergen-op-Zoom mislukte nauwelijks; te Geertruidenberg (in het verre zuiden van Holland), het Engelse garizoen daar gaf de stad aan Parma in 1589.
                 Nochtans kwamen in de volgende drie jaren beslissende verandering voor Nederlandse, en heel de Europeaanse geschiedenis. Van een gescheiden zwak land niet in staat haar gebieden te verdedigen, veranderde de Republliek tot een levensvatbare federatie met een geraamte voor orde en bestendigheid.
                 Tegenstand op de Hollandse plannen verminderde door de slimme staatkundigheid van Oldenbarnevelt. Leicester was weg maar zijn soldaten liet hij achter ~ van wie niemand wist of zij de volgende keer Calvinist of Spanjaard zou steunen tegen Holland; Oldenbarnevelt had aanzienlijke tegenstanders in Friesland, Zeeland, Overijssel, en Utrecht; en in de Raad van State Engelse invloed was groter dan dat van Holland. Het is over Oldenbarnevelt gezegd dat hij nooit so groot was als in dat jaar (1588) toen hij de grond legde voor een onafhankelijk Nederland. In 1589 was het mogelijk om Maurits op de zetel te zetten als Stadhouder van Gelderland, Utrecht, en Overijssel. Maar eigenlijk meer beslissend was het winnen door Oldenbarnevelt van de macht over militaire en strategische beslissingen van de Raad van State in naam naar de Staten General maar in feite naar de Staten van Holland. Het maakte de Raad van State van de uitvoerende directie voor de Verenigde Provincien tot slechts een ministerieel orgaan van de Staten Generaal.


Territoriale Uitbreiding
                 Na het verlies van Zutphen en Deventer was het noord-oosten van Nederland van Nijmegen tot de Eems monding zo goed als geheel in Spaanse handen, en troepen van de Staten Generaal terug getrokken tot west van de IJssel. In 1589 veroverde Spanje Geertruidenberg en Rheinberg, en belegerde Heusden.
                 Maurits ~ nu opperbevelhebber van het leger, en de Raad van State, aangespoord door de Stadhouder van Friesland, hadden een uitbraak in kaart. Vanaf 1590 was er aangrijpende vooruitgang in de economie van de Republiek: handel en scheepvaart groeide enorm ~ en de steden groeiden mee. Als gevolg, financieele solventie maakte het mogelijk in een korte tijd het leger te verbeteren in kwaliteit en hoeveelheid: van 20 000 in 1588 tot 32 000 bij 1595. Breda werd verrast en heroverd in 1590, en het volgende jaar de Verenigde Provincien was klaar: extra geld was in de koffers, een legermacht op de been gebracht, en Friesland zou haar strijdmachten ver van de provincie tot de IJssel opstellen. Met een 16 000-man bekwaam leger ~ het grootste ooit in het veld gebracht door de Republiek, stortte Maurits en zijn neef Willem Lodewijk zich in een sensationele aanval. Met nieuw uitgevonden transport, geschut, en belegering methoden in gebruik, snelden zij voort langs de IJssel, veroverde forten en bevrijdden Zutphen en Deventer. Het leger rukte door naar de Ommelanden, nam al de Spaanse forten en Delfzijl, en zo controleerde de Eems monding, terwijl Groningen nu omringd was. Het 1591 seizoen eindigde met de herovering van Hulst in Vlaanderen; Nijmegen viel naar de Republiek zonder schot.
                 Voor de 1592 campagne, Gelderland en Overijssel wilden een aanval in het oosten om Grol en Oldenzaal te heroveren. Friesland zag het leger liever in een beleg van het fort te Steenwijk dat bedreigde de provincie en de Ommelanden en dan Coevorden ~ de poort naar Drenthe. De strategie van de Staten Generaal, welke daarvoor werd aangespoord door Holland en Oldenbarnevelt, was om Geertruidenberg en 's-Hertogenbosch te bevrijden. Een middenweg was gevonden waarin half het leger in het noorden en half in het zuiden zou beginnen om dan samen naar Brabant op te rukken.
                 Maurits negeerde de compromis en met Willem Lodewijk belegerde Steenwijk ~ een beduchte vestingstad met een verdediging van meer dan duizend eersteklasse Spaanse troepen. Het werd gezien als een van Maurits z'n meest merkwaardige heldendaden. Gewoonlijk zou de stad afgesloten worden en langzaam uitgehongerd naar capitulatie, maar het was goed voorzien en kon waarschijnlijk maandenlang een beleg weerstaan. Maurits verkortte de zaak door het knuppelen van het garizoen binnen de muren met geschut in ongehoorde hoeveelheden: 50 geschut stukken vuurde 29 000 maal. Hij had ook nieuwe manieren om loopgraven en mijnen (ontworpen door zijn ingenieuren) te gebruiken (in vorige jaren had Maurits de Romeinse manier van loopgraven bestudeerd). Maurits verwachtte van zijn troepen (net zoals de Romeinen van vroeger) dat loopgraven door hunzelf (en niet als gewoonlijk, door gehuurde landbouwers) werden gespit. De burcht viel in 44 dagen. Na Steenwijk de Stadhouders vorderden naar Coevorden ~ een van nog maar drie andere Spaanse vestingen in het noord-oosten. Coevorden gaf het op na zes weken meedogenloos bombardement.
                 Het volgende jaar Holland, Oldenbarnevelt, en Maurits waren eenstemmig voor een campagne in het zuiden met als begin het beleg van Geertruidenberg. Nog maar luttele jaren eerder zou de Staten Generaal het niet hebben aangedurft, en het Spaanse regime te Brussel dacht de stad veilig. Maurits bevool zijn troepen weer te graven en betaalde hen tien stuivers per dag (zoveel als een land arbeider verdiende) apart van hun loon; het ging zo vlug dat Spaanse versterkings troepen te laat aankwamen om het beleg te verhinderen. De ingenieurs van Maurits hadden speciale houten matten gemaakt zodat het geschut niet in de modder zakte. Er was zoveel dat was nieuw in belegeringswerken en soldatentucht in het legerkamp (waar land en tuinbouw producten werden verkocht door plaatselijke bewoners) dat het een toerist attractie werd voor hoge dames. Geertruidenberg viel na vier maanden in Juni 1593. Het werd een van de meest beroemde prestaties van Maurits.
                 Een Spaanse troepmacht blokkeerde Coevorden laat in 1593 maar kon de stad niet weernemen; toen het terug trok lag de weg naar de stad van Groningen open. Onderhandeling door Oldenbarnevelt kwam tot niets en een twee-maanden-lang beleg kostte de Staten 400 en de stad 300 gesneuvelden en gebruikte 10 000 kanonskogels. Willem Lodewijk werd Stadhouder van Groningen en de Ommelanden. Nu was Drenthe ook bijna veilig.
                 De provincies in noord-oost Nederland betwistten de macht over zichzelf en elkaar zo veel en zo vaak det het een ooitdurend probleem was geweest en waarschijnlijk zou blijven in de toekomst. De oplossing gevonden door Oldenbarnevelt was voor de Staten Generaal het beheer en uitvoer van al de gegarizoende vestingen in de grensgebieden door de Raad van State over te laten nemen. Het was een grondleggende stap in het maken van een echt federaal leger en verdedigings beleid. Willem Lodewijk werd nu ook Stadhouder van Wedde en Westerwolde.
                 De tweede grote aanval van de Repuliek was in 1597 met het Spaanse leger van Vlaanderen bezig aan de grens met Frankrijk. Maurits rukte op langs de Rijn en veroverde de voornaamste oversteekplaats op de grote rivier te Rheinberg ('de hoer van de oorlog'). De Spaanse vestingen ten noorden van de Rijn ~ Grol, Oldenzaal, Enschede, Bredevoort, Oostmarsum, en Lingen ~ werden hiermee afgesneden. In vervolg nam Maurits nu Grol, Oldenzaal, en Enschede, toen trok door het Duitse Rijk om Lingen en Moers te bezetten. De campagne was weer aanzienlijk voor de geavanceerde methoden dat Maurits gebruikte voor het vervoer van geschut overzee en manschappen via de rivieren, en de nieuwe aanpak voor het belegeren van sterk verdedigde vestingen.
                 Vanaf 1590 had het leger grote gedeelten van Gelderland, Overijssel, Drenthe, Groningen, en noord-Brabant heroverd, 43 versterkte steden (sommigen in Duitsland) en 55 Spaanse forten genomen. Na een kwarte eeuw de rebellen territoren groeiden van een onzeker en smal streepje grond tot een van de grote krachten in Europa. In 1597 was het Nederlandse leger het meest vaktechnisch bekwaamd in Europa en (op het Spaanse af) het grootste. De marine groeide ook snel in nummers en kracht en was onbetwist bij de Schelde en Eems mondingen. Maar konden de Verenigde Provincien hun land handhaven als Spanje zich van de versperring met Frankrijk los kon maken?
                 Over de winter van 1597-98 was Oldenbarnevelt erg verontrust over de vrede tussen de twee landen dat was besloten in Mei 1598, maar Frankrijk had beloofd om een subsidie voor de Nederlandse oorlog (van een millioen ecus per jaar) voort te zetten over de volgende vier jaar. Intussen had Philip II (nu oud met zijn dood in zicht) een nieuwe politiek in de Spaanse 'gehoorzame provincies' van de Lage Landen geprobeerd en had ze gegeven aan zijn dochter Isabella en haar echtgenoot Aartshertog Albert (een Habsburg uit Oostenrijk), maar het Spaanse leger van Vlaanderen bleef en zou spoedig onder de kroon staan van een nieuwe koning: Philip III. Heel Europa was verbaasd in 1599 toen Albert aanbood om al de veranderingen in de politiek en het geloof in de Republiek en al het land gewonnen sinds 1572 te erkennen.
                 Zeeland en Holland waren zeer ongerust over kapers uit Duinkerken; politieke twisten staakten nooit in de Verenigde Nederlanden en in de Staten Generaal de stemming was voor een aanval naar het zuiden zodat de Spanjaard geen tijd zou hebben om de verschillen in Friesland en Groningen uit te buiten met een inval in het noord-oosten. In 1600 wierp de Republiek haar troepenmacht over de Schelde in opmars tegen Duinkerken. Meteen eindigde een muiterij door Spaanse troepen en Albert monsterde 10 000 elite soldaten die op zulk een vastberaden wijze oprukten en met zoveel elan dat het de officieren van Maurits in paniek gooide ~ zij geloofden niet dat zij de Spanjaarden konden weerstaan in een veldslag. Met de campagne in Vlaanderen verhuisde Oldenbarnevelt en een comittee van de Staten Generaal naar Ostend om het leger te overzien want in haar hele geschiedenis zou de Republiek volhouden dat het commando altijd bij de staat moest liggen. Maurits zag nu het grote risico dat Oldenbarnevelt had genomen met de invasie en een bittere herrie tussen de twee volgde.
                 Maurits was overtroffen op elke schermutseling en in Juli was gedwongen alles op te zetten in een veldslag bij Nieuwpoort. De Spaanse infanterie was nog het meest uitstekende in Europa en drong hun vijand terug langs de duinen. Maar als uur na uur voorbij ging met de Nederlandse troepen in een langzame zelfbeheerste terugtocht, de Spaanse troepen vermoeiden. Twee kenmerken van het hervormde militaire beleid redde het leger van de Republiek: de matten die de Nederlandse schutters (in tegenstelling van de Spaanse) liet vuren en hun geschut terug te brengen zonder dat zij in het zand zakten, en het principe om altijd een reserve terug te houden. Maurits wachtte totdat de zonsondergang in Spaanse ogen scheen en wierp zijn cavalerie frontaal tegen hen. Het ondenkbare gebeurde: de trotse Spaanse veteranen werden verslagen. Het was de hoogste rechtvaardiging van methode over kracht. Maar de Nieuwpoort overwinning was leeg. Het Nederlandse leger was aan de verkeerde kant van het Spaanse, blootstaand en in groot gevaar. En terwijl het leger een vernederende terugtocht maakte, kneep een vloot van twaalf oorlogschepen en kapers uit van Duinkerken om de Noordzee te plunderen ~ en vernietigden 36 haringboten.
                 Het werd een patstelling duur in munt en man. Ostend werd een sijmbool voor prestige aan beide kanten; in Maart 1602 het Engels-Nederlands garizoen stond op 5 675 man. De nieuwe bevelhebber van het Vlaamse leger, Ambrosio Spinola, liet alle fronten liggen om hier alles op te zetten in wat werd overal bekend als een nieuw beleg van Troje dat drie jaar en 80 dagen lang zou duren. Ostend gaf op 22 September 1604. De stad had de laatste aanzienlijke protestantse gemeenschap in Vlaanderen en geen van hen mocht in de stad blijven wonen zonder het Katholieke geloof aan te nemen. De meesten verlietten met de soldaten.
                 Graaf Enno III was aan de macht gekomen in 1599 in (het buiten Nederland gelegen) oost-Friesland; hij was een vurige Lutheraan, anti-Calvinist, en pro-Spaans. In 1602, met steun van Spanje en Keizer Rudolph, belegerde hij Emden maar moest terug trekken voor Nederlandse troepen. De obsessie van Spinola met Ostend gaf profijt aan de Nederlanden welke breidde de krijgsmachten uit en het nam toe tot 35 000-man bij 1599 en tot 51 000 in 1607. In 1602 veroverde Maurits Grave in noord-Brabant, maar een poging tegen 's-Hertogenbosch in 1603 mislukte. In 1604 had hij weer een voornaam goed gevolg in de Schelde monding met het nemen van Sluis en de Spaanse versterkingen rondom de stad, daarna nam hij IJzendijk en Aardenburg.
                 Bij 1605 een Spaanse herstelling materiaalizeerde zich. Spinola begon met een schijnaanval op Sluis, dan (24 Juli) haastte zich door noord-Brabant met Maurits en het Nederlandse leger ver achter hem. Spinola sprong over de Rijn en de Munsterland en (8 Augustus) kwam in zicht van Oldenzaal met 15 000 man ~ een verbazingwekkende prestatie. Pro-Katholiek en maar licht verdedigd, de stad opende haar poorten aan Spinola. Zijn voorhoede was spoedig voor Lingen en tien dagen later had hij de vestingstad en graafschap in handen. De Staten Generaal was gedwongen heel het Twenthe kwartier te verlaten en terug naar de IJssel te trekken.
                 Nederlandse zorgen werden een feitelijk paniek het volgende jaar. Spinola verscheen weer ten noorden van de Rijn in Juli 1606 en gedurende zijn opmars versterkingstroepen verzamelden vanuit Lingen en oost-Friesland. Hij bestormde het Zutphen kwartier van Gelderland en veroverde de vestingsteden van Grol en Bredevoort terwijl bezetting Rheinberg aan de Rijn. Toen ging hij af op de IJssel om Lochem te nemen en Zutphen en Deventer te bedreigen. Dit stortte heel de Republiek in oproer want Spinola had laten zien dat zelfs het interieur van de Republiek niet veilig stond tegen een Spaanse aanval. Manschappen ijlden vanuit Brabant, Amsterdam, Utrecht, en Enkhuizen, maar Spinola stak niet over de IJssel ~ tevreden met het paniek dat hij had gezaaid trok hij zijn troepen terug.
                 Maurits en Oldenbarnevelt besluitten een zeer ongewone herfst campagne uit te voeren om de gaten in de verdedigingslinie te sluiten. De Stadhouder nam Lochem terug maar het ging verkeerd met het beleg van Grol in November 1606. Het resultaat van de Spaanse toeneming van 1605-06 was dat de Twenthe en Zutphen kwartieren en sommige omheenliggende gebieden nu onder het Spaanse 'contributie' sijsteem was gebracht waarbij onbeschermde dorpen en kleine stadjes een schatting moesten betalen om plunder en ontwrichting te ontlopen ~ en dit was ingenomen tot 1633.
                 Vanaf 1606 was er geen verandering aan de grenzen van de Republiek met een wapenstilstand afgesproken in de lente van 1607, en in 1609 het tekenen van een twaalf-jaar verdrag met Spanje.

Het Begin van de Nederlandse Handel Primaatschap en de Kolonien
                 Vanaf 1585 aangrijpende veranderingen in de Nederlandse maatschappij volgde een economisch wonder. De Republiek werd gestadig meer stabiel; rivieren en vaarwateren tussen Holland en Duitsland werden veilig; kapitaal en vakkundigheid stroomden in vanuit Antwerpen en de rest van zuid-Nederland; het handel verbod met Iberie van Philip II werd opgeheft; de Republiek controleerde de Schelde en Eems mondingen en had een blokkade voor de Vlaamse kust. Een grote uitbreiding in handel maakte de Republiek het voornaamste warenhuis in Europa en schonk haar een algemeen primaat in de zakenwereld dat in stand zou blijven voor een eeuw-en-een-half. Het bracht stijle toenemingen in voorspoed en middelen welke maakten snelle toenamen in industrie en grote uitbreidingen van de steden. De handel (zoals altijd) ging op en neer, maar de Nederlandse landbouw zag ook voorspoed. Er was hoge vraag voor Nederlands proviand: zuivel, bier, vis en vlees, en (als het er was) graan en zout, maar ook voor Franse wijnen en tabak.
                 Over de jaren het scheepvervoer veranderde van meest stortgoederen (met fluiten in het hoogste gebruik ~ ontworpen voor maximaale vracht met minimaale kosten) tot de (zogenaamde) 'rijke handel". Bij het mdden van de 17e eeuw, de Oostzee graan vracht had een waarde van drie-millioen gulden op de Nederlandse markt terwijl de drie grootste in 'rijke handel' ~ oost-Indische, Spaanse, en de Levant, een waarde hadden van 20-millioen. En het was deze handel dat stimuleerde bedrijfs- en kunst-nijverheid voor kleurstoffen, glazuur, keramiek, diamanten, verfijnde meubelen, gepatroond linnen en zijde, en specialiteiten als goud-leer, tapijt, en parket-vloer.
                 Uit de sombere laatste jaren van de 16e eeuw kwam een overgang naar een gouden eeuw dat begon met de lange-afstands zeevaart dat een koloniale heerschappij zou maken. Wat was nodig was een veilig thuis voor lang-termijn geldbeleg, een groot handel kapitaal, politieke steun van stad en provincie, grondige kennis over koersen naar en de staat in de Indien, een over te dragen overschot van maritieme en militaire krachten, en een voorspoedige toestand om te dingen naar de Europeaanse markt voor peper, spijzen, en suiker. Amsterdam werd al spoedig een sterke mededinger met Hamburg (welke de handel van Antwerpen had overgenomen).
                 De eerste stap was de stichting van het particuliere Compagnie van Verre te Amsterdam in 1594 door negen grote kooplieden, met een kapitaal van 290 000 gulden dat vier schepen uitrustte met een bemanning van 249 man, gewapend met 100 kanonnen verzorgd door de Staten van Holland. De vloot zeilde van Texel in April 1595 en drie van de vaartuigen keerde terug in 1597 met slechts 89 van de bemanning nog aan boord. Het profeit was luttig maar de Compagnie staakte niet. Gestimuleerd met de prospekten was het vergroot tot achtien directeuren met een kapitaal van 768 466 gulden. Een tweede vloot van van acht schepen was uitgezonden. Ondertussen waren twee andere vennootschappem (en vloten) opgezet in Zeeland. Alle drie vertrokken in de lente van 1598. Veertien maanden later verwezenlijkte de Amsterdamse investeerders een 400 procent winst. Bij 1599 waren er acht verschillende handelsverenigingen in de vaart op oost-Indie, uit Amsterdam, Rotterdam, Middelburg, Hoorn, en Enkhuizen, en in 1601 veertien Nederlandse vloten met 65 schepen zeilde op de Oost-Indische handel ~ meer dan van Portugal en Engeland.
                 De buitengewone structuur van de Nederlandse staat (en de grote invloed door de zelfstandigheid van de provincies en de steden), maakte het mogelijk om een nieuw soort commercieele organisatie te bedenken: een be-edigde, gezamenlijk te houden, effecten verstrekkende monopolie, krachtig ondersteund door de staat ~ in een verenigde bond met aparte kamers welke de investeringen van hun leden konden waarborgen terwijl het beleid van de directeuren te handhaven. De Staten Generaal erkende en stichtte de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) in 1602, en bemachtigde het met troepen en garizoenen te onderhouden, oorlogschepen uit te rusten, het opleggen van gouverneurs aan Aziatische bevolkingen, het behandelen van diplomatiek met oosterse potentaten, verdragen te tekenen en verbonden te maken.
                 De nieuwe compagnie was vanaf het begin zwaar bewapend om een stuk van de handel te grijpen, maar het was 1609 voordat een hoofdkwartier voor de handel was opgezet te Bantam aan het meest westerlijke punt van Java, en een gouverneur-generaal voor de Nederlandse Oost Indien was aangesteld. Hij was de eerste in een lange rij nakomelingen die gezag zouden hebben over een wereldrijk van handel dat strekte van de Kaap van Goede Hoop tot de stranden van Japan en de Philippijnen. De gouverneur was niet een soort onderkoning (zoals de gewoonte werd in de kolonien van de monarchien van Europa) maar hield gezag met een sterke raad bestaandend uit zijn militaire, maritieme, en handel ondergeschikten ~ doch de raad zette nooit een onbewuste stempel op al zijn voorstellen. Het VOC hoofdkwartier werd later verplaatst naar Jakarta ~ hernaamd als Batavia (en herbouwd tot een ware grote vestingsstad), welke zich spoedig ontwikkelde tot de voornaamste in Azie ~ en bleef het ontmoetingspunt voor Nederlandse schepen en vrachten die hier tezamen kwamen vanuit afgelegen gedeelten van Indonesie, India, China, en Japan tot bijna het eind van de 18e eeuw. Van 8 000 bewoners in 1624, groeide Batavia tot een multinationale gemeenschap van 70 000 bij het jaar 1700.

De Maatschappij na de Revolutie
                 Tussen de jaren 1570 en 1647 was de groei van de steden in Holland en Zeeland spectaculair: Amsterdam van 30 000 tot 140 000 inwoners; Leiden 15 000 tot 60 000; Haarlem ~ 16 000 - 45 000; Middelburg ~ 10 000 - 30 000; Rotterdam ~ 7 000 - 30 000.
                 Het verstedelijken van een maatschappij is meestal alleen mogelijk door een plaatselijke migratie van land naar stad of vanuit het buitenland. Een voortdurende grote toevloed was nodig omdat in de steden de sterfelijkheid onder kinderen zeer hoog was en epidemien ~ special de pest (tot de 1660ers) ~ verzekerde altijd een meerderheid van de dood over geboorten. De ongewoonlijke snelle groei van de steden in Holland na 1590 was gedeeltelijk het resultaat van een hogere welstand en verbeterde levens-omstandigheden ~ het toenemen van voorspoed maakte ook verbeteringen in zieken verzorging, dieet, behuizing, en steun aan armen. De sanering van grachten, vuilnis en afval regelingen maakten ook voor betere volksgezondheid in de Hollandse steden. Maar toch was de grootste omstandigheid voor groei de immigratie van buiten noord-Nederland en niet een migratie vanuit het omliggende land. De eerste golf van immigratie was vanuit de provincies in het oosten en van zuid-Nederland; na 1620 was Duitsland de grootste bron van buitenlandse immigratie ~ en zij kwamen voor het vele werk en de hogere lonen dat in Holland en Zeeland te vinden was. In de andere vijf provincies van de Republiek stedelijke groei (en werk en loon) was opzienlijk minder.
                 Overal in de Republiek genoot de landbouw ook haar meest bloeiende en welvarende periode tussen 1590 en 1648. In het westen, de groeiende steden vroegen om steeds meer voedings en industriele produkten; in het oosten de vast-begarizoende vestingen en versterkingen spoorde de landbouw aan (terwijl Spaanse soldaten niet dorpjes meer in brand stoken en oogsten vernielden als vroeger). Oorlog verwoestte het Duitse platteland en proviand voor de legers (en de bevolking) daar was vaak gehaald over de rivieren. Enorme hoeveelheden vlees, haring, kaas, boter, fruit, bier, wijn, en tabak, waren verscheept vanuit West Frieslandse havens en Harlingen, Dokkum, en Groningen (in 1633, bijvoorbeeld, van 1 121 schepen in de haven te Hamburg waren 994 uit Nederland).
                 Veel van het gevraagde proviand kon niet geleverd worden. De Oostzee graan import was gestoord in de 1620ers door Zweedse acties langs de kust van Poland. Tussen 1625 en 1648 Spaanse aanvallen op de haring vloten verminderden de vangst en zout was moeilijk te krijgen. Het resultaat was dat de landbouw de vraag moest vullen. Dit was een ongewoonlijke omstandigheid maar het duurde lang genoeg zodat het verstandig werd om te investeren in grote land ontginning projekten. De Nederlandse landbouw was zo winstgevend dat veel grote kooplieden, hoge ambtenaren, en de adel, graag een stuk van het kapitaal voorschoten voor (bijvoorbeeld) het droogleggen van de Noord Hollandse Beemster Polder in 1608 ~ voor welke de kosten waren ruim anderhalf-millioen gulden bijgedragen door 123 investeerders. Hiervoor werden 43 van de nieuwste en grootste molens gebouwd en het projekt won meer dan 700 hectaren van het water. De Schermer Polder, begonnen in 1635, kostte een millioen.
                 Het laatste grote ontginnings werk was voltooid in 1647, en meer dan 1 400 nieuwe boerderijen werden toegevoegd aan het Hollandse landschap. Ontginnings werken werden voortgezet tot in de vroege 1700er jaren ~ ook in Friesland en Groningen ~ maar zo snel als nieuw bebouwbaar land op de markt kwam, de huren klommen sneller. In Noord Holland land huren verhoogde bij 70 procent tussen 1580 en 1600 ~ meer dan twee maal het aanslaan van inflatie, en nog een overige 50 procent in het eerste gedeelte van de 17e eeuw. Na 1635 de stijging in landhuur nam af maar ging toch door to 1650 of zo, maar beginnend in de late 1660ers vielen huren scherp af. Deze tendenties waren ook gezien in Friesland en Groningen.
                 In de periode tussen 1590 en 1647 groeiden de bevolkingen van stad en land. Van 1514 tot 1622 stedelijke bevolking in Holland ging van 140 000 naar 400 000 ~ het meeste hiervan na 1585. In diezelfde tijd vermeerdere de plattelandse inwoners van 135 000 tot 275 000. Het was hetzelfde in Friesland: tussen 1511 tot 1600 verdubbelde het tot 150 000 ~ acht procent van de bevolking van de Republiek, en Leeuwarden werd groter dan Nijmegen, Maastricht, en de IJssel steden.
                 In Holland, Zeeland, Friesland, Groningen, en west Utrecht, de maatschappij nam een overheersend stedelijk karakter aan, terwijl vooral in noord Brabant en Gelderland (maar ook in Overijssel) het overheersende karakter van het platteland was verkrachtigd. In andere woorden, het tweevoudige van de Nederlandse gemeenschap werd meer aanzienlijk dan het vroeger was. Zelfs het armste gedeelte van de plattelandse bevolking, de boerenstand in Drenthe, ervaarde toenemende welstand en uitbreiding in de landbouw gedurende de eerste helft van de 17e eeuw.
                 In afsteking met Holland en Zeeland, waar de invloed van de steden groeide na de Revolutie, in andere provincies de adel versterkte haar standing in de maatschappij. (De adel in Friesland, bijvoorbeeld, was vaker te zien als landelijke shepenen en rechters bij 1675 dan in 1525, en zij hadden nog veel land in eigendom.) Maar omdat niemand meer tot de adel kon worden verheven in de Republiek, en omdat de bestaande adel aan een uitsluitende huwelijk gedragslijn kleefde ~ en ook had relatief weinig geboorten, de hoeveelheid en levenskracht van de adel verminderde gestadig. Van ongeveer 45 jonker families in de Ommelanden in 1600 waren er nog maar tien in 1800. De adel van Friesland telde ongeveer 65 families gedurende het eerste twee-derde van de 16e eeuw, en stond op 46 in 1650, maar deze hadden nog steeds een grote invloed op de Friese gemeenschap. In Overijssel in 1675 het ridderschap was slechts een beetje meer dan een procent van de bevolking maar hield niet minder dan 41 procent van gewaardeerd vermogen (inclusief bijna al het onroerend goed in Vollenhove).
                 De adel van Holland en Zeeland had nog genoeg gezag dat het een vooraanstaande rol speelde in de marine en het leger. Veel van de commandanten gedurende de Revolutie waren van de Hollandse en Zeelandse adel geweest en deze traditie werd gevolgd tot laat in de 19e eeuw. Net als de adel door heel Europa, dat in de Republiek was gescheiden bij familie en politieke veten welke, in sommige gevallen, sleepten generaties en soms wel eeuwen door. De Nederlandse veten werden verscherpt door de verschillen in geloof. Adelijke invloed was gesteund door het voortdurend bestaan van wettelijk zelfstandige 'vrije heerlijkheden', zoals Vianen, IJsselstein, Leerdam, Buren, Bergh, Wisch, Culemborg, Batenburg, Ravenstein, en Lingen. Deze gebieden maakten deel uit van de Republiek en stonden losjes onder het oppergezag van de Staten Generaal maar voor de meeste doelen buiten haar rechtsgebied.
                 Vooraan in de burgerlijke maatschappij stonden de regenten. Zij vormden een elite door het houden van de ambten door welke zij het stedelijk leven beheerste ~ als leden van een vroedschap in Holland, een raad zoals in het noord-oosten van het land, een baljuw of drost in Brabant. Toegewijde Katholieken werden verplaatst in de Alva jaren of op achterbanken gezet. Na 1590 sommigen van hen (vooral in Amsterdam) waren de elite kooplieden ~ voorstaandend en rijke handelaars, maar de meeste, speciaal verder in het binnenland en in de kleinere steden, konden niet zo beschreven worden. Veel van hen waren afstammelingen van voor-1572 regenten families; een weinig waren van de gestudeerde beroepen ~ meestal dokters of advokaten. Zij allen hadden geloofsbrieven van de Reformatie en een verbintenis met de Republiek.
                 Een heel nieuwe elite dat zich had ontwikkeld na 1590 was die van rijke kooplieden welke niet bestond in noord Nederland toen de grootste handel nog in stortgoederen was. Een goed deel van hen waren mensen die kapitaal hadden gebracht als immigranten vanuit zuid-Nederland en Duitsland ~ en die allen van het Hervormde geloof waren. Veel anderen hadden een bescheiden achtergrond als zoon van een koopman in de Oostzee graan handel, brouwer, kaas koper, zeepmaker, winkelier, hout- haring- of zuivel-handelaar.
                 Een andere elite was opgekomen met de veranderde structuur van de Nederlandse handel: die met vakkundigheid voor de nieuwe economie. Sommige van de nieuwe technieken zoals textielverfen waren plaatselijke uitvondingen; zijdewerk, suiker raffinering, en diamant kloven was vanuit zuid Europa (speciaal Italie) gekomen. Maar veel van de specialisten hadden hun vak in Duitsland geleerd gedurende de 1580er jaren, en met de gelegenheden in de export industrie werd deskundigheid verplaatst naar Nederland: koperwerk van Aachen, Hamburg, en andere Duitse steden; chemische processen van Venetie. Tapijt weven kwam naar Delft, suiker raffineren en diamant werk naar Amsterdam, linnen 'damask' naar Haarlem, katoen en wol werk naar Leiden, het bleken van fijn linnen ging naar Overveen en Bloemendaal in de duinen waar het water daarvoor speciaal geschikt was. Juweliers, fluweelwerkers, drukwerkers, en kunstenaars bevestigde zich in al de westerse kustgebieden van Nederland. Geglazuurde tegels werden gemaakt in Delft, Rotterdam, Leiden, en Haarlem, en in Friesland te Harlingen. Koper fabrieken werden gesticht in Utrecht, Den Haag, en Amsterdam.
                 Het inbrengen van deze nieuwe technische vakkundigheid veroorzaakte een ongehoorde uitbreiding van kunst. De kunstenaars waren een nieuw stedelijk tijpe ~ rijk, hoog geleerd, geraffineerd, en ook buitengewoon vakkundig. De meesten van hen waren zonen van vaders die geslaagd hadden in de nieuwe technische vakken. Kunst in noord Nederland, als in Antwerpen, werd een weg naar een groot huis en een hoge sociale stand. In de 1630er jaren Rembrandt kon 2 000 gulden per jaar verdienen ~ meer dan een professor aan de universiteit, maar later zijn studenten nog meer.
                 De doorbraak naar het handel primaatschap, en het uitbreiden van industrie dat volgde, maakte voor een zeer hoge vraag voor arbeiders en vakkundigen. Lonen waren daarom hoger dan overal elders in west Europa om het aantrekkelijk voor arbeiders te maken naar Nederland te komen. Na 1590, en gedurende heel de 'gouden eeuw', het loon dat moest betaald worden was meestal meer dan twee keer zo hoog als in zuid Nederland en Duitsland. In de 16e eeuw het stijgen van lonen was altijd minder dan prijzen, en het resultaat was dat het levens standaard viel overal in Europa behalve in noord Nederland. Maar de Republiek was een land met verscheidene hierarchien van lonen en salarisen. In Holland belastingen, huren, prijzen voor brood, waren aanzienlijk hoger dan inland en dat maakte voor een groot verschil in loon tussen de maritieme west en het landelijke oost. Te Amsterdam lonen waren hoger dan elders in Hollandse en Zeelandse steden. En er was ook een groot verschil tussen stad en platteland. Gemeente arbeiders in Leiden of Delft verdienden 22 tot 24 stuivers per dag in de 1630ers, te Groningen 15, en in Arnhem slechts 12. Nederlandse Hervormde predikers (relatief hoog betaald) verdienden in de dorpen van Holland 200 gulden per jaar in 1574, 350 in 1594, en 500 bij 1625 ~ meer dan een vakman in een Hollandse stad kon verdienen. Toen kon een prediker in een Hollandse stad verwachten dat hij 1 000 gulden zou ontvangen, en in Amsterdam aanzienlijk meer. In 17e eeuw Holland en Zeeland, verdiensten voor arbeid en vakken stonden veel hoger dan in de Spaanse Nederlanden, en nog veel hoger dan die in Engeland, Frankrijk, en Duitsland.


Het toelaten van kinderen aan het weeshuis te Haarlem (1663) door Jan de Braij (ongev. 1627-1697) ~ Frans Hals Museum, Haarlem.
                 Veel van wat in de Nederlandse Republiek gebeurde was indrukwekkend, en veel dat was ongewoon. Maar niets in het Nederland van de 17e en 18e eeuwen was meer treffend dan het uitgeweide sijsteem van steun voor armen. Zo uitzonderlijk, in Europeaanse opzichten, was de toestand welke deze burgerlijke liefdadigheids instelling opbracht dat het waarschijnlijk nooit zal worden geevenaard nog elders nagevolgd.
                 De voorrang van het sijsteem over wat was toen te vinden in omliggende landen was vaak bevestigd door buitenlandse bezoekers, maar in 1620 de gezant van Venetie benadrukte dat het meeste gedaan was met verbeurd verklaarde gebouwen, inkomsten, en andere goederen van de Katholieke Kerk ~ en er was geen troon om dit te verbieden, noch een prins om het te vermanen. Bijna overal in Europa was het de kerk dat gezag nam over liefdadige werken, maar in de Nederlandse samenhang het was onder stedelijke leiding dat bijstand voor armen was uitgevoerd. Gemeente fondsen verzorgde liefdadige stichtingen die vaak gebruik maakten van de publieke (Calvinist) Nederlands Hervormde kerkraad in het uitoefenen van hun beheer ~ maar ook de besturen van andere kerken die formeel werden verdraagd: Lutherse, Doopsgezinde (Mennonietse), en Joodse. Deze allen hadden hun eigen lijsten van behoeftigen en armen, wezen, zieken, en ouderen.
                 Het moet te weten zijn dat medelijden was zeker niet de hoogststaande beweegreden. De economie eisde dat geen arbeid mocht worden afgewezen ~ zeker niet dat van nutteloze wezen en armen of hen die gedeeltelijk ongeschikt waren. Een strenge leefregel was toegelegd op wees- en werk-huizen met onbuigzame tucht, regelmatig gebed in de Hervormde Kerk, uniformen, en hard werk. Ook gemeentelijke trots lied zieken- en bejaarden-huizen bouwen. En het was natuurlijk dat ook in het 'Huis van God' elke stad wilde laten zien hoe bekommerd, verantwoordelijk, en in welke goede orde haar instellingen.
                 Liefdadige stichtingen werden beheerd van week tot week door comittees van regenten, aanzienlijke burgers en hun echtgenotes, onder leiding van de vroedschap en de kerkraad, om zeker te maken van de hoogste orde, zuinigheid, zindelijkheid, en godsvruchtigheid van de inwoners in stichtingen onder hun beheer. Zij deden dit zonder beloning omwille de standing in stad en kerk gemeenschappen dat het kweekte voor hen.
                 Het hoofd ziekenhuis in elke stad was aanmerkend van gemeentelijk leven en een beproeving voor stedelijke standing. Meest waarschijnlijk betaalde de stad de salarisen voor enige universiteit geschoolde dokters en assistenten die daar werkten, en werd beheerd net als andere stedelijke stichtingen. Het ziekenhuis was niet alleen voor het nut van de burgerij maar ook, zoals in havens als Vlissingen, Enkhuizen, Rotterdam, en Amsterdam ~ vaak bezocht door de oorlogschepen van de Republiek, voor de verzorging van verwonde matrozen en zeelieden. In de garrizoen-steden was het ook belangrijk dat het ziekenhuis groot was, goed uitgerust, en met genoeg deskundigheid, om zorg voor de strijdkrachten te voorzien. Voor deze redenen hadden de Staten van Holland en Zeeland een groot interesse in deze instituties welke dus eigenlijk ook een nationale funktie uitoefende.
                 Een van de meest treffende verschillen in Nederland met wat elders in Europa te vinden was waren de gekkenhuizen. Het behandelen van krankzinnigheid was niet een makkelijke kwestie, maar men dacht dat de vernederende wanorde als resultaat van een gedrong van gekken in vervallen panden, en het verwaarlozen van hen, slecht zou weerspiegelen op de hele stad. Het is duidelijk dat men trachtte zo veel mogelijk waardigheid en orde te verzekeren.
                 Een van de hoofdregels in deze gemeenschap van orde en nijverheid was om noodlijdende en behoeftige vreemden, daklozen, en bedelaars, buiten de stad te houden. De vreemdelingen die zwermden naar de steden van Holland en Zeeland werden alleen toegelaten als zij geld of werk hadden. Op deze manier beperkte de stad niet alleen de bijstandskosten maar ook misdaad en wanordelijk gedrag. Het was niet ongewoon dat zo veel als tien procent van de stedelijke inwoners bijstand ontvingen in dit sijsteem van doeltreffend sociale toezicht.

Kerkelijke Belijdenis
                 Belijdenis is de 'uitdrukking in woorden van het geloof des hartes'. In haar eenvoudigste vorm is de belijdenis een credo (ik geloof); meer uitvoerig als een confessie is het een volledige-, of als professie een openlijke-verklaring.
                 Sinds het begin van de Revolutie in 1572 deed de Staten van Holland niets om het protestantisme tegen te staan, maar probeerde voor de oude Kerk en de Hervormde verdraagzaamheid te waarborgen. In 1573 Oranje zag al dat het aannemen van de publieke praktijk van beide geloven was mislukt. Wat was begonnen als een spontane aanval op de Katholieke kerk en haar priesters met de beeldenstorm, ontplooide zich in onderdrukking van het Katholieke geloof. Overal waar Geuzen de macht veroverde werden kerken verbeurd verklaard, Katholieke geestelijken vluchtten of werden weg gejaagd, en in een korte tijd de Katholieke godsdienst verboden. Dit was hetzelfde in Holland en Zeeland.
                 De bevolking (welke vroeger gedwongen de Katholieke diensten bijwoonde) had de oude kerk neergeslagen maar nog niet de nieuwe hervormde kerk aangenomen. Voor de Revolutie de publieke Kerk had een veelomvattende instelling van gebouwen en geestelijken in iedere stad, maar haar opvolger had enkele kleine gemeenschappen met als resultaat dat Utrecht had, bijvoorbeeld, 30 kerken met slechts drie in gebruik. Dus in de vroege jaren van de Revolutie noch de oude noch de nieuwe kerk beschikte de trouw van het volk, maar de Hervormde was nu de publieke Kerk en had steun van de staat en van de gemeenten. Onder het volk heerste een bizar mengsel van overeenkomsten, onwetendheid en verwaarlozing ~ een chaotische onbeleden, half-protestantse Christelijkheid. Maar klein als het was, toch was de Calvinistische gemeenschap ~ en niet de Katholieke ~ in de overwelgende meerderheid van belijdende geloofsvolgers.
                 Vanaf het begin de verhouding tussen de publieke Kerk en stedelijke gezag (vooral in Holland) was gewrongen. Er bestond een kloof tussen de Reformatie van de Calvinistische predikers en dat van de regenten en het vroedschap. De predikers wilden geloof en maatschappij streng regelen in een starre orde van godsleer, overzien door de nieuwe Kerk. De regenten wilden ook nieuwe kracht aan het geestelijk leven geven maar in (zoals Willem de Zwijger het had gewild) een zachtwerkende, niet-dogmatisch protestantisme welke aanvaarde dat er slechts een beschermde publieke Kerk zou moeten wezen, maar niet dat de maatschappij en individuen streng onderschikt onder haar moesten staan. Voor de Calvinisten de Revolutie was een geloofsworsteling naar de ware godsdienst; de regenten zagen het als een gevecht voor vrijheid van onderdrukking en tijrannie.
                 Een Katholiek herstel en de belijdenis van het geloof was overal in Nederland anders door de grote verschillen in plaatselijke politieke omstandigheden die wel of niet priesters toestonden zich te vestigen, maar nergens was de Katholieke gemeente veel groter dan tien procent van de inwoners, en vaak veel minder. De vicarus-generaal voor de Nederlandse Katholieke Missie was vanaf 1583 gebaseerd in Delft en Utrecht; later, nadat de Staten van Holland zijn verbinding met Brussel had uitgevonden en zijn arrest voor landverraad had bevolen (1602), verhuizde hij naar Keulen. Zijn opvolger werkte vanuit Oldenzaal ~ toen in Spaanse handen, tot eindelijk in 1627 een blijvend Nederlands thuis voor Katholiek geloof te Utrecht was gevonden. In 1609 de Missie had 70 priesters; bij 1638, 482 ~ een getal dat weinig veranderde voor bijna twee eeuwen, en niet allen werkten in Nederland. Omstandigheden in Brabant waren beter voor de Missie. Grave, Breda, en 's-Hertogenbosch, waren overheersend katholiek ~ de laatstgenoemde een aanzienlijke Spaanse vestingsstad tot 1629. Het Vlaanderland dat tot 1609 ook in Spaanse handen was werd toch overheersend Hervormd, maar Staten Brabant werd gehecht Katholiek.


Kerk te Sloten (1658-59) door Jan Abrahamsz Beerstraten (1622-1666) ~ Rijksmuseum, Amsterdam.
                 De Hervormde Kerk groeide het meest in al de provincies op het platteland en in de steden ~ groot en klein. Groeiende congregaties die hare belijdenissen uitten omvatte niet alleen Hervormden en Katholieken maar ook Lutheranen en Joden, en kleinere geloofsgroepen zoals Mennonieten, Wederdopers (Anabaptisten), en Remonstranten (die na 1619 een aparte kerk vormden). Deze waren onder de publieke Kerk geschikt, kregen geen fondsen of bescherming, hadden geen grote gebouwen, noch enige manier om een grote aanhang te krijgen. Zij moesten bescheiden proselitisten zijn, konden alleen kleine onaanzienlijke scholen onderhouden, en niets anders laten drukken dan kerkboeken. Kerk en belijdenis was onontwarbaar aan de politiek en staatkunde geknoopt ~ en bleef zo gedurende heel de geschiedenis van de Republiek.

Een Scheiding van Identiteiten
                 Bij 1606 de kosten voor de oorlog met Spanje werden te hoog om te dragen, maar Oldenbarnevelt wist dat een stijging van belasting stad en dorp in oproer zou zetten en dat meer dan de helft van inwoners naar vrede snakten. Oldenbarnevelt vreesde dat als meer tegenslagen volgde de steun van het volk voor de oorlog tot tegenstand zou keren. Als Advokaat van de Staten van Holland beweerde hij aan een geheime committee dat de financiele stelling onhoudbaar was; dat de Republiek een verzoening met Spanje moest zoeken. De Advokaat begon overleggingen met Spinola waarin Spanje haar soevereiniteeit op zou geven als de Nederlanden terug trokken uit Indie. In 1607 een wapenstilstand was getekend waarin niets was geschreven over de Indien of de VOC ~ over welke Oldenbarnevelt verbaal had laten weten dat het ontbonden zou worden. Het zelfde jaar een vloot van 26 oorlogschepen zeilden de Baai van Gibraltar in en verwoestte een Spaanse vloot, en het was duidelijk dat de mondelinge beweringen van Oldenbarnevelt niet veel inhielden. In 1609 een twaalf-jaar vrede-overeenstemming was toch getekend in Antwerpen, met weinig meer van de Nederlandse kant dan dat een plan voor een West Indische Compagnie werd afgeschaft, en het ophouden van aanvallen op de Portugezen in Azie. De 12-jaar vrede werd gezien als een volledige legitimatie van de Verenigde Provincien en gaf onmiddelijk internationaal aanzien als soeverein en onafhankelijk in Europa en als een grote wereldmacht.
                 De Twaalf Jaar Vrede werd een beslissend vormende fase in de herstelling en wederopbouw van zuid-Nederland want het was het eerste uitstel van gevecht in 40 jaar ~ een waardevolle kans voor het herbouwen van de zuidelijke steden, de economie, en de kultuur. De landelijke bevolking in Brabant en Vlaanderen kwam bij vanaf de 1590ers. Het is geschat dat de bevolking van Brabant in 1480 was misschien 370 000, was gegroeid tot 450 000 in 1565, en was slechts 363 000 in 1615, maar bij 1665 stond op 475 000. Het herstel van de landbouw vorderde spoedig tot ongeveer 1640, want het zuiden was nog steeds een land met een hoog ontwikkelde landbouw dat had uitzonderlijk hoge oogsten. Industrie herleefde ook ~ vooral dat in linnen welke werd de voornaamste in het zuiden gedurende heel de 17e en 18e eeuwen. De handel in Antwerpen groeide met haar havens weer belangrijk voor de vaart tussen noord en zuid, en het was hetzelfde te Ghent en Brugge. Werk in zijde, tapijten, verfijnde meubelen, boekenmaken en drukken, al groeide aanzienlijk tenminste tot 1648.
                 Geen ander aanblik van de herstelling was zo indrukwekkend als dat van het oude geloof en haar Kerk. De Contra-Reformatie in het zuiden begon met de Spaanse herovering van Antwerpen in 1585. Een intensiefe herschooling en belijdenis van de burgerstand begon onmiddelijk. In 1585 waren er drie Jezuiten in Antwerpen; 31 bij 1603, en bij 1608 het Jezuite college was gesticht in een prachtig nieuw gebouw waar het studenten aantal ging van geen in 1585, tot 300 in 1591, en 600 bij 1613. De Jezuiten stichtten scholen in al de steden en namen het onderwijs van burger-elite kinderen krachtig in hand. Dit maakte voor een heel nieuwe generatie opgebracht in een strijdlustige Katholieke houding. Een sijsteem van verplichte zondagscholen, met fondsen van de plaatselijke raad, bracht het Katholieke katechismus naar al de kinderen ~ arm en rijk. Nieuwe kerken, kapellen, en kloosters werden overvloedig, en bij 1630 de bischop van Antwerpen dacht dat het Protestantisme niet meer een bedreigende invloed op de burgerij uitvoerde.
                 De Contra-Reformatie had als gevolg dat zuid-Nederland haarzelf zag als staandend tegen noord-Nederland, en het was een beslissende scheiding tussen de twee kulturen. Maar de nieuwe hoge kultuur van het zuiden desondanks dacht dat het noorden nog ideologisch heroverd kon worden, en de rebellen geabsorbeerd in de boezem van de kerk en zo in een poliek en geestelijk kader beheerd vanuit Brussel in een verenigd Nederland onder de Spaanse Kroon en de Katholieke Kerk ~ met het revolutionaire en Hollandse staatsbestel, Protestantisme, en verdraagzaamheid verwijderd.
                 De Twaalf Jaar Vrede bracht nieuw inzicht op de voorstelling van een gebroken en gescheiden 'vaderland' van zeventien provincien. In het Nederlandse Gouden Tijdperk het idee van een gezamenlijk Vaderland verdween als een bezieling en beweegredende kracht in de kultuur en politiek.

De Val van Oldenbarnevelt
                 Oldenbarnevelt (en het Hollandse staatsbestel van welke hij de woordvoerder was) zag tegenstrijd van Prins Maurits de Stadhouder, een mogelijke quasi vorstelijk figuur, aan de ene; en een groeiende vijandigheid van de predikers van de Hervormde Kerk over de verdraagzaamheid in kerkelijk beleid, aan de andere kant. Beide uitdagingen kregen aanzienlijke populaire steun. Deze ernstige twisten speelden zich af over tien jaar, toen nog een andere omstandigheid het evenwicht tegen Oldenbarnevelt gooide. Onder vaklieden en loonwerkers groeide ernstige onrust over lagere lonen en stijgende huren en prijzen, maar het grootste element was een woekerende wrevel van de nu al lang-gevestigde immigranten uit zuid Nederland, welke voelden zich ten nadele onderscheidden door de schutterij en landweer, en ook dat noodlijdenden onder hen alleen moeilijk steun van de gemeenten konden krijgen. In 1616 ernstig oproer brak uit ~ met arbeidersvrouwen in de leiding, te Delft (waar slechts enkele immigranten woonden) over de hoge prijs voor brood.
                 Als immer in het Nederland van die tijd, de doorklap kwam van geloofsverschillen ~ maar nu niet tegen Katholieken maar tussen Protestantse geloofszuilen, en alles dat gebeurde had slag op de politiek want het verwikkelde een ieder in elke maatschappelijke stand van Stadhouder en Advokaat tot de gewone man op straat.
                 De leiders van Holland verspeelden hun macht in 1617 toen de Staten een 'Scherpe Resolutie' aan nam dat het begin van het eind van hun beleid verhaastte. De steden Amsterdam, Dordrecht, Enkhuizen, Edam, Schiedam, en Purmerend waren energiek bezwaard en woedend dat het beweerde dat soevereiniteit in de Verenigde Nederlanden lag volkomen met de provincies, doch ook omdat het omvatte strijdbare theologische leerstellingen dat eigenlijk vormde het meerendeel van de scheiding. De Resolutie bemachtigde de Hollandse steden om bewapende waardgelders voor de publieke orde te monsteren welke trouw zou verklaren aan de gemeenten die hun betaalden. Het leger moest onder de Resolutie trouw zijn aan de Staten van de provincien en niet de Staten Generaal.
                 Spanning greep al de steden van Holland en Utrecht. Het werd gezegd dat de toestand toon gaf 'in veel plaatsen voor meer en meer strijd en tweedracht onder een voorwensel van religie'. Leiden vreesde gewelddaden van de menigte en een aanval op het stadhuis, en besloot de binnenstad af te zetten met een blokkade bewaakt door de nieuwe waardgelders. Een beleg door de burgerij ~ over een tijdspan van weken ~ zag schermutselingen met waardgelders. De schutterij weigerde trouw te zweren aan de raad ~ welke verwierp de eed van de Revolutie dat hield aanhangers van Philip II als vijanden, en over 500 schutters werden gezuiverd.
                 Maurits sprong op het verschrompelde vermogen van Oldenbarnevelt door het aansporen van protesten op de manier dat de Scherpe Resolutie was aangenomen, maar ook op de inhoud. Velen verwachtten een staatsgreep van hem nadat hij in persoon naar Den Briel ging in 1617 waar hij het garizoen veranderde om zijn gezag te laten zien. Maar de Stadhouder stapte terug van burgeroorlog. De garizoenen in Den Briel, Heusden, Oudewater, en in andere plaatsen, weigerden gehoorzaamheid aan de Gecommiteerde Raden (een college van de proviniciele Staten). Stadsraden moesten gedwongen aftreden ~ in Holland door de burgerij, en in Gelderland door de Stadhouder.
                 De Staten Generaal, in 1618, verorderde (bij een stemming van vijf provincies tegen twee) de ontbinding van de waardgelders in Holland en Utrecht als een overtreding van de grondwet waarbij gezag over strijdkrachten lag bij de Republiek en de Stadhouders en niet bij de provincies. Oldenbarnevelt (zonder de volle toestemming van de Staten van Holland) zond een delegatie naar het Engelse garizoen in Utrecht om het aan te sporen het bevel tegen te staan ~ dit was duidelijk onwettig en in tegenstand tot de praktijk sinds de 1580ers (en was de oorzaak voor de latere aanklaag tegen hem voor landverraad). Maurits bracht troepen op naar de stad om zijn gezag daar streng te handhaven. Er was geen tegenstand, en 900 waardgelders werden ontwapend onder de ogen van de Stadhouder en een grote krijgsmacht. Leiden en Rotterdam ontbonden hun waardgelders en andere steden volgden.
                 Het idee dat de Staten Generaal een officier van de Staten van Holland zou kunnen arresteren was nog nooit gehoord, maar het principe dat de soevereiniteit van de Staten Generaal was overtreden was hiervoor gebruikt. Maurits arresteerde Oldenbarnevelt voor het einde van 1618 op het Binnenhof van Den Haag en, de volgende dag, de Advokaat van Utrecht.

Binnenlandse Politiek
                 Nadat zijn broer Philips Willem overleed in Brussel in 1618 was Maurits de Prins van Oranje. Hij hield meer gezag dan enige man sinds zijn vader was dood geschoten 34 jaar geleden. Met Oldenbarnevelt gevangen in het Binnenhof, Maurits was nu de voorzittende figuur van de staat, en moest zich nu omringen met een groep dat de regelmaat en uitvoering van het ingewikkelde politieke mechanisme van de Republiek kon vormen. Gedurende de laatste twee jaar was Holland herhaaldelijk overstemd in de Staten Generaal door een meerderheid van provincies, maar het was duidelijk dat de Verenigde Provincien niet haar besluiten kon blijven uitvoeren door het onderschikken van Holland aan de gezamelijke wil van de mindere provincien; macht en gezag kon alleen op Holland gebaseerd zijn.
                 Met Maurits kwam een van de meest grondelijke verandering in het Gouden Tijdperk. Nederlandse instellingen sinds 1579 waren zo rekbaar dat het was mogelijk om, zonder het uiterlijk verschijn te veranderen, de werkelijkheid aan de binnenkant te transformeren, en Maurits deed dat nu. Het onbetwiste overwicht van Holland kwam tot een eind en uitvoerende macht ging over naar de Stadhouder ~ in kerkelijk beleid, buitenlandse zaken, en militaire belangen, was het verstrekkend. De stappen door Maurits om zijn gezag meer aanzien te geven in Overijssel, Utrecht, en Gelderland, en door Holland ondergeschikt te plaatsen tot hemzelf als Stadhouder, stelde hem in staat om een nieuwe relatie tussen Holland en de rest te smeden, onder zijn leiding.
                 Onder Maurits de adel werd meer voorstaand en de regenten minder. Het hart van zijn revolutie was in het verplaatsen van stadsraden en schutterij officieren. (Maurits nam deze stappen omdat de regenten en vroedschappen een zeer grote invloed in de Staten van Holland hadden dat zou het niet toestemmig houden tegenover zijn wensen.) Veel van deze verzuiveringen namen plaats met pracht en praal (en gejuich van de bevolking) maar ook met de aanwezigheid van een grote troepenmacht; in Alkmaar, Leiden, Haarlem, Rotterdam, Gouda, Amsterdam, en in al de steden waar Maurits optrad, het kenmerkte het begin van een nieuw tijdperk met een sterke vermindering van de invloed door de Hollandse steden.
                 Het gerechtelijke onderzoek van Oldenbarnevelt, Hugo de Groot ~ zijn adviseur, en Rombout Hogerbeets ~ pensionaris van Leiden, (die met de Advokaat van Holland gearresteerd waren) was traag in vorderen. Het had een grote politieke betekenis en het omwikkelde vragen over wiens rechtsgebied het was, want nooit eerder was een zaak zoals dit behandeld. Tengevolge een uiteindelijk akkoord, was het te besluiten door een rechtspreking van de Staten Generaal (omdat het verraad van welke zij werden beschuldigd was tegen de Generaliteit) met de Staten van Holland in een bijzondere rol. Twaalf rechters van Holland en twaalf van de zes overige provincies zaten voor het maandenlange onderzoek.
                 Oldenbarnevelt was (tot zijn verbazing ~ en dat van vele anderen) veroordeeld op 12 Mei 1619 tot den dood, uit te voeren de volgende dag om tussenkomsten ten zijne behoeve te voorkomen. Op 72-jarige leeftijd, Oldenbarnevelt was onthoofd voor een grote menigte op het Binnenhof. De Groot werd veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf te ondergaan op het slot Loevenstein. Algemeen bekend is zijn ontsnapping in 1621 in een boekenkist naar Antwerpen en Parijs (waar hij vertoefde tot 1631, en in Zweden tot zijn dood in 1645). Hogerbeets kreeg 'eeuwendurende' straf, ook in Loevenstein waar hij stierf in 1625.

De Sijnode van Dordrecht
                 De opgespannen verwachtte Nationaal Sijnode eindelijk nam plaats in Dordrecht in November 1618 onder auspicien van de Staten Generaal. Het voornemen was voor een internationale vergadering van Calvinisten dat zou gezaghebbend zijn voor heel het Hervormde Europa, evenals de Verenigde Provincien. Buitenlandse delegaties kwamen van Engeland, Schotland, Zwitserland. en Duitsland; de Hugenoten waren verboden door Lodewijk XIII zo er was een sijmbolische lege zetel voor Frankrijk.
                 De zaken te behandelen omvatten de beheersende kwestie van de Remonstrantie tegen de dogma van de dag, maar ook kerk en staat verhoudingen, methoden voor het benoemen van predikers, de verhouding met de Lutherse Kerk, de bischoppelijke hierarchie, en een goedgekeurde 'Staten' Bijbel ~ dat zou zeggen, een Nederlandse Bijbel erkend door de Publieke Kerk en de Staten Generaal. De Sijnode nam de beschouwing dat een nieuwe gezaghebbende vertaling nodig was in een akkoord tussen Brabants en Hollands van het Hebreeuws, Aramees, en Grieks.
                 De Sijnode spendeerde maanden aan debat over de geschil punten van de Remonstranten. In Holland, Utrecht, Gelderland, en Overijssel, waar het was verschanst, organiseerden zij en reageerden. In Maart nieuws van een wedijverende Remonstrant Sijnode, in geheim gehouden te Rotterdam, voegde toe aan het ongeduld van degenen die hun tegenstonden. Dezelfde maand werd de Republiek geschokt door pro-Remonstrantse verstoringen in Rotterdam, Hoorn, Alkmaar, en Kampen. Troepen moesten opgesteld worden om de orde te herstellen. De Sijnode had 137 dagen gezeten voordat in Mei 1619 de vergadering eindelijk veroordeelde de Remonstranten voor ketterij, versprijding van valse leer, en als 'perturbateurs' van staat en Kerk. Predikers moesten aanhankelijkheid borg stellen door het ondertekenen van de Nederlandse Belijdenis en de Heidelberg katechismus, en accepteer de Actes van de Nationale Sijnode. De predikers die weigerden werden verbannen van de Republiek met de verdrijving toevertrouwd aan de Staten.
                 In October van hetzelfde jaar, een Remonstrant Sijnode vergaderde in Antwerpen waar Aartshertog Albert wenste de Nederlandse geloofsstrijd aan te zetten. Regels en handelingen werden opgetekend voor een internationale Remonstrantse Kerk in balingschap, en onderhandelingen begonnen met de Deense Troon en verschillende Duitse steden. De koning van Denemarken stond hen toe zich in Gluckstadt te vestigen. De Remonstrant Sijnode kwam ook tot overeenstemming om in geheim fondsen te verzamelen, en in 1621 kreeg 20 000 gulden van Nederlandse aanhangers ~ het meeste van Rotterdam, Den Haag, Gouda, Alkmaar, en Hoorn, maar ook van Amsterdam.

De Republiek onder Beleg
                 Het twaalf-jaar verdrag met Spanje eindigde in 1621 en begon een van de meest zwaarmoedige tijden in de geschiedenis van de Verenigde Provincien; de Republiek was feitelijk onder beleg en hard gekneept. De herstelling van de Spaanse embargo had een ingrijpende invloed op het Nederlandse overzee handel sijsteem: het verdreef het uit Iberie, ruineerde de handel in de Levant, verzwakte de Oostzee vaart en de Noordzee haring visserij. De West Friese havens van Hoorn, Enkhuizen, en Medemblik, verduurden een lange achteruitgang. Het economische en maritieme beleg werd nog erger in de jaren 1625-29 met een rivieren blokkade op de Rijn, Maas, Schelde, en Eems, door een ring van Spaanse garizoenen. Alleen de VOC was in staat zich te handhaven.
                 De aanhoudende keldering maakte een financieele noodtoestand met de kosten voor de landelijke verdediging. Spanje breidde het leger in Vlaanderen uit in 1624 en omringde de Republiek van Vlaanderen tot Lingen met 60 000 man. Maurits hield een defensiefe stand maar de Staten Generaal moesten toch het leger ter velde vermeerderen van 30 000 tot 48 000 om nog maar net de Spaanse ring te weerstaan, en al de vestingen rondom van Cadzand tot Delftzijl moesten versterkd en opgeknapt worden. Maurits en de Staten Generaal hadden geen andere keuze dan zwaar verhoogde belastingen te heffen.
                 Met elk jaar werd het duidelijker dat het sijsteem dat Maurits had opgezet een onvermeidelijke fout had en was aan het barsten van overspanning. Het gestalte van de politiek was buitensporig afgaand op de Stadhouder in wiens persoon macht en gezag was geconcentreerd. Toen de gezondheid van Maurits verslechterde werd het sijsteem steeds meer ondoelmatig. Bij 1623 de prins was in een vervallen toestand, en de verwachting dat hij in korte tijd zou sterven was een voortdurend onderwerp van gesprek in Den Haag. Maurits kon niet anders dan de Gecommiteerde Raden te bemachtigen met meer verantwoordelijkheid.
                 Toen Spinola in 1624 Breda belegerde zonk de Nederlandse dispositie tot een dieptepunt. De pest raazde door Amsterdam, Leiden, Delft, en andere hoofdsteden. Nog een ander Spaans leger veroverde Cleves en Gennep. Ondertussen werd de financieele toestand in de Republiek gestadig slechter. De handel in de Oostzee en Midellandse Zee ~ al slecht ~ werd nog erger. Verschrikkelijk kort aan contant geld om de troepen te betalen, moesten de provincies nog meer belastingen op de bevolking storten. Oproer volgde in Delft, Hoorn, Enkhuizen, Den Haag, Amsterdam, en Haarlem. In Brussel werd gejuicht dat het volk in opstand zou komen.

Frederik Hendrik wordt Stadhouder
                 Maurits stierf in April van 1625. Het land was gespannen. Breda was nog niet gevallen maar Spinola omringde de belangrijke vestingstad met 32 000 man, en het zag er niet goed uit voor het garizoen van 3 500 ~ een van de grootste in Nederland. In Mei, Frederik Hendrik ~ nu kapitein-generaal ~ probeerde de stad te redden maar was gedwongen terug te trekken. Breda gaf op in Juni en het meerendeel van noord-west Brabant was in Spaanse handen. Frederik Hendrik was opvolger als Prins van Oranje en opperbevelhebber van het leger, maar hij had nog niet het politieke gezag van Maurits; zijn commissie als Stadhouder moest nog door elke provincie goedgekeurd worden.
                 De ernstige verschillen van de Publieke Kerk met de Remonstranten speelde zich af ~ als altijd ~ in de politiek. Het was eigenlijk niet de Remonstrantse belijdenis welke de politieke manifestaties beinvloedde, maar wel dat het meeste van de tegenstand aan de vroedschappen van de seculiere Remonstrantse kant kwam. Maurits had de vroedschappen zeer verzwakt door er minder ervaren en bekwame contra-Remonstrantse regenten in te zetten. Maar in de 1620ers veranderde de politiek in de stadsraden van Amsterdam, Rotterdam, en in andere steden, van contra- tot pro-Remonstrant ~ en dit had verstrekkende vertakkingen in de religie en de ideologie.
                 De Staten van Holland en Zeeland (doch de laatstgenoemde wenste een bevestiging voor de Publieke Kerk in gewijzigde instrukties voor de Stadhouder) gaven Frederik Hendrik zijn commissie in Juni. Overijssel en Gelderland volgde spoedig, maar hier de Staten wijzigden hun instrukties wel om het Hervormde geloof te erkennen. In de overige provincies ging het niet zo bedaard. Afkerig van de geloofsverdraagzaamheid van de Prins, Groningen en Drenthe gaven de commissie aan Ernst Casimir, Stadhouder van Friesland. In Utrecht was steun voor een terugkeer naar de instrukties voor de commissie van 1590 dat gaf de Stadhouder veel minder macht, maar een middenweg was gevonden dat toch het gezag verminderde van wat Maurits had gehad. In November kreeg Frederik Hendrik eindelijk zijn commissie als Stadhouder van Utrecht.
                 Federik Hendrik behandelde zijn positie tussen de twee geloofs facties handig. De ambassadeur voor Venetie dacht dat de nieuwe Prins van Oranje geen geloof had ander dan de 'religie des staats'. Zijn doel was om de Publieke Kerk en de Remonstranten genoeg van het terrein dat zij vroeger hadden gewonnen te laten houden dat zij zouden wensen met hem samen te werken als de onmisbare scheidsrechter. In 1626 bevool Frederik Hendrik zijn garizoen officieren te Utrecht dat troepen niet meer uitgeroepen moesten worden om ordelijke Remonstrantse vergaderingen te onderdukken (als Maurits had gedaan), en weer in 1627 ~ toen het vroedschap van Schoonhoven dat verzocht, de Prins beslisde er tegen en voegde toe dat deze alleen zouden uitrukken in gevallen van 'publique tumults en violences'.
                 De meeste steden werden vast gebonden aan de een of de andere factie. Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht, en Alkmaar waren nu 'Arminiaanse' steden; Haarlem, Leiden, en Utrecht, en veel van de kleinere steden bleven contra-Remonstrant. Maar er waren ook steden waar de behandelingen van Frederik Hendrik geen helder resultaat op leverden anders dan voortdurende strijd en onstandvastigheid ~ zoals in Delft, Gouda, en Nijmegen, en ook te Utrecht, Amersfoort, Wijk-bij-Duurstede, Rhenen, en Montfoort.
                 De slechte handel met het buitenland veroorzaakte een plaatselijke markt overladen met voedsel, en voor de bevolking van de Lage Landen betekende dit een scherpe verlaging in prijzen en een hartelijke oplichting voor de stedelijke burgerij. Financieel Spanje was in een netelige toestand dat werd gestadig erger; die van de Staten Generaal stond beter ~ een jaarlijkse subsidie van Frankrijk hielp, en Piet Heijn veroverde een Spaanse zilver vloot bij Cuba in 1628 dat was waard elf-millioen gulden. In 1627, Frederik Hendrik hernam Grol van Spaanse troepen. Bij de winter van 1628-29 werd het duidelijk dat een militaire verlegging was aan de hand. Terwijl het Spaanse leger van Vlaanderen verminderde na de val van Breda tot 50 000, het Nederlandse leger ter velde groeide naar 55 000, en in 1629 tot 58 000. Waar vroeger Nederland alleen stond in de oorlog tegen Spanje, sinds 1625 Engeland vocht met de Republiek. In 1628 Spanje begon ook een gewapend conflikt met Frankrijk. Kort hierna, Nederlandse troepen onder Enst Casimir heroverde Oldenzaal en de Achterhoek in Gelderland was vrij van Spanje.

Het Grote Debat
                 Na de Reformatie waren er in Nederland talrijke hervormingsgezinden maar geen kerkelijke organisatie, tot in 1568 het Convent van Wezel een zelfstandige grootheid met eigen belijdenis ontleende aan de 'Publieke of Gereformeerde Kerk' ~ en een kerkorde dat betekende dat geen kerk over een andere zou mogen heersen; ook geen superintendent, en geen bischop. De Nederlands Hervormde Kerk is de voortzetting en door haar historie en zielental de 'grote' geacht (de huidige Gereformeerde Kerk bestond niet tot een 1834 afscheiding).
                 Jacobus Arminius (geb. 1560), wiens naam men had gegeven aan twisten welke hij verafschuwde, en aan een partij die hij nimmer gewild had, werd geboren te Oudewater (waar hij al de zijnen gedood vond nadat de stad in 1575 door de Spanjaarden werd uitgemoord). Hij was predikant te Amsterdam in 1590 en reeds daar begonnen zijn twijfelingen aan de erfzonde, de voorbeschikking en de gebonde wil en gevoelde hij dat wij hier staan tegenover het mijsterie, voor mensenverstand onoplosbaar. Zijn invloed op de geesten werd eerst in zijn leerlingen openbaar. Hij is een der vertegenwoordigers van de nationale, bijbelse, weinig speculatief-dogmatische stroming ~ waaraan, onder anderen, de naam van Erasmus verbonden is en die in de Nederlandse geschiedenis van grote betekenis is geweest.
                 Simon Episcopius (geb. 1583) ~ geboren en getogen Amsterdammer ~ studeerde in Leiden, waar hij in hoge mate de invloed van Arminius onderging; in 1610 tekende hij de Remonstrantie met het protest tegen gewetensdwang. Volgens Episcopius, Christenen op grote schaal zijn het eens over de kern van hun geloof, en het meeste van de gelijktijdige theologische redetwisten waren over 'non necessaria' voor welke consensus niet nodig noch mogelijk was. Een brede verscheidenheid van waarnemingen mogen geldig afgeleid worden van bijbelteksten, en dat betekent dat verschil in geloof niet schadelijk is, en heeft zelfs een zekere deugdigheid in het oog van God, want elke vezel bestaat uit scherven van de waarheid. Daarom moet de beschouwing op bijbelteksten van elke mens geldigheid hebben in de ogen van anderen, de Kerk, en de Staat. Vanaf het begin had de verdraagzaamheid van Episcopius net zo veel te doen met de vrijheid van de individu en de ongeoorloofdheid van dwang in enige Kerk, als met verdraagzaamheid voor de godsdients van elke Kerk.
                 De contra-Remonstranten hielden dat de 'Arminianen' eigenlijk helemaal geen Kerk waren maar alleen een politieke partij welke met opzet de Publieke Kerk had gescheiden om de Unie te verzwakken en de staat te beheersen. Hugo de Groot had al geschreven dat een publieke of staat Kerk, hoogst in het geloofsleven over het grote meerendeel van de maatschappij, was onvoorwaardelijk nodig in een Republiek, voor de bestendigheid van de maatschappij en het gestalte van de politiek. Deze filosofie lag achter het betoog van de contra-Remonstranten dat de maatschappij meer stabiel en de staat krachtiger zou zijn, zolang maar een enkele Kerk is toegestaan publieke godsdienst te bedrijven, prediken, bekend maken, en onderwijs in haar leer geven ~ bemachtigd en gesteund door de staat.
                 Dit werd nog veel verder genomen. Henricus Arnoldi argumenteerde (in 1629) dat de contra-Remonstrantse filosofie van onverdraagzaamheid uit de principes van de Revolutie kwamen. Het verbieden van de vrijheid te vergaderen, belijden, en onderwijs, stond niet tegen de vrijheid van geloof bewaard in de Unie van Utrecht, en dat de Remonstranten tegen de 'vrede van geloof' stonden voor welke Willem de Zwijger en de Revolutie hadden gevochten. Zoals de Groot het al gezegd had: als eenmaal de tijrannie is verwijderd, is er geen reden meer voor het volk het gezag van de staat te betwijfelen of het terrein van de politiek te betreden.
                 En zo het grote debat over verdraagzaamheid klonk daverend door stad en land.

Frederik Hendrik Overwint
                 Nederlandse troepen werden versterkt tot 77 000 in 1629. Frederik Hendrik nam het veld met 28 000 manschappen met een grote sleep geschut, en snelde tegen 's-Hertogenbosch. Isabella smeekte voor help en de keizer stuurde 16 000 troepen die samen met de Spaanse over de IJssel trokken in een afleidingsmanoeuvre, maar de Stadhouder hield het beleg hardnekkig aan. De Staten van Holland monsterde in overhaast 5 000 van de schutterij om garizoenen vrij te zetten die het opdringende Spaanse leger aan de IJssel konden ontmoeten. Holland leende ook duizenden zeelieden en troepen van de West Indische Compagnie. Op het hoogtepunt van de noodtoestand had de Staten Generaal 128 000 uitgeruste manschappen. De keizerlijke legermacht drong door tot Amersfoort welke meteen capituleerde, maar de invasie stortte in toen Nederlandse troepen, ver in de achterhoede, verraste en veroverde Wesel ~ het Spaanse hoofdkwartier op de lage Rijn. Dit verbrak de proviandering lijn en dwong de keizerlijke en Spaanse troepen in Utrecht en Gelderland terug naar de IJssel, vanwaar zij toch nog een bedreiging waren. Het 3 000-man sterke garizoen in 's-Hertogenbosch gaf het op na een vijf-maanden lang beleg in September.
                 Het dubbele verlies van Wesel en 's-Hertogenbosch was de eerste grote Spaanse verslaging in Europa sinds de vervlieging van de Armada in 1588, en een vernietigende klap tegen haar opzien. Spanje had veelomvattende middelen in de meest geavanceerde en grootste versterkingen op 's-Hertogenbosch gegoten, en het was de belangrijkste militaire stad in Brabant. Er was nu een groot gat in de Spaanse ring om de Republiek. Spanje drong nu aan op vrede en bood een onvoorwaardelijke wapenstilstand (om de kwestie van souvereiniteit niet aan te tasten). De Staten Generaal weigerde om te onderhandelen totdat al de Spaanse en keizerlijke troepen terug waren getrokken, en dan legde de aanbieding voor de provincies voor een beslissing. Maar het grote debat woekerde nog steeds door de Nederlanden en hield de politiek geheel in onderpand.
                 Friesland en Groningen keurden de wapenstilstand af, en Zeeland ook, maar voor verschillende redenen. Overijssel stemde in na een paar dagen. In Holland de spleet veroorzaakt door de strijd met de Remonstranten maakte een politieke overeenkomst onmogelijk tussen de steden, doch Frederik Hendrik, in een toespraak aan de Staten van Holland, spoorde hen aan naar een beslissing apart van overleggingen over 'regime en religie'. Maar de steden Haarlem, Schoonhoven, Schiedam, en verschillende anderen, vroegen een 'goede Kerk verordening' eerst. Veel predikers van de publieke Kerk stonden ook tegen de wapenstilstand.
                 Zoals gewoonlijk in de politiek gedurende het Gouden Tijdperk van Nederland had de handel een grote invloed op de beslissing over het wapenstilstand. Voor Amsterdam en Rotterdam veroorzaakte de oorlog storing op de zeevaart en de handel uit deze steden, maar Zeeland en de tekstiel steden hadden geleden gedurende de laatste wapenstilstand omdat de Vlaamse havens niet geblokkeerd waren. Zeeland, en Haarlem en Leiden, zagen voordeel in de blokkade voor hun eigen handel. De Indische Compagnien zagen ook dat met een eind aan oorlog hun bewapende aanslagen op de Nieuwe Wereld en west Afrika zou moeten stoppen.
                 De schaakmat in Holland, en in gevolg het weinig vorderen van vondsen voor een militaire campagne, verhinderde Frederik Hendrik om het leger ter velde te brengen in 1630. Gedeeltelijk om de politieke impasse te breken, zette de Stadhouder in 1631 een plan op voor een sensationele inval op zuid Nederland. Het werd de meest indrukwekkende ontplooing van de gezamelijke macht van de Verenigde Provincien ~ en de ongeevenaarde doelmatigheid van de Nederlandse staat in de organisatie en vervoer van troepen en uitrusting ~ ooit gezien. De Stadhouder daalde af langs de rivieren naar Vlaanderen met 30 000 in manschappen, tachtig geschutstukken en bergen in voorraden, met tenminste 3 000 schepen. Zij ontscheepten te IJzendijk en trokken op tot het Brugge-Ghent kanaal. Paniek volgde in Vlaanderen, maar een aanzienlijke Spaanse krijgsmacht kwam op de achterhoede van het Nederlandse leger. Het resultaat was twist in het veld tussen de Nederlandse generaal en vertegenwoordigers van de Staten die hem aandrongen niet het leger (en de staat) in risico te zetten. Een woedende Frederik Hendrik trok een terugtocht zonder iets te volbrengen ~ voor hem was het een vernederend verlies, niet aan de Spanjaard maar aan de Staten Generaal.
                 In 1632 slaagde Frederik Hendrik de grote tweede klap te leveren voor welke hij sinds 1629 had gestreven. Hij was welvoorbereid. Hij spoorde de Staten Generaal aan een plakard bekend te maken om te verkondigen dat de publieke Katholieke godsdienst in de Spaanse Nederlanden zou voortduren en verdragen worden. Hij gebruikte de verkondiging in geheime onderhandelingen met de zuid-Nederlandse adel voor een anti-Spanje samenzwering ~ dat zou hen in opstand zien komen op het moment van een Nederlandse binnenval, zonder beschuldiging van geloofsverraad aan te trekken.
                 Antwerpen was nu sterk verdedigd, zo Frederik Hendrik trok zuidwaarts door het Maasdal. Met 30 000 onder zijn bevel nam hij Venlo, Roermond, Sittard, en Straelen in Juni. Onder de termen, Katholiekisme werd niet aangetast en maar een kerk was genomen voor de Hervormde godsdienst in elke stad. Hij belegerde de grote vestingstad Maastricht, en te Liege de adel ontplooide de vlag van de Revolutie. Een algemene opstand tegen de Spaanse macht volgde niet. Spaanse troepen aangevuld door de keizer werden vanuit Duitsland gestuurd om Maastricht te ontheffen maar de Nederlandse verschansingen konden niet genomen worden. Terwijl de stad meedogenloos werd gebombardeerd, werden greppels en schachten steeds dichter tot de muren uitgegraven totdat Frederik Hendrik op 20 Augustus mijnen op liet blazen welke een grote breuk in de verdedegingen maakten. Drie dagen later gaf de stad het op, en zoals elders, behield haar Katholieke geloof en Kerk goederen.
                 Gejubel ging door de Verenigde Provincien. Kerkklokken luidden overal in het land. Vondel schreef in zijn 'Stedekroon van Frederick Henrick' veelprijzend over de Stadhouder in afsteking tot de wrede en onverdraagzaamheid van Parma in de verovering van de stad in 1579. De dichter prees Frederik Hendrik als de bevrijder van Maastricht maar nog meer als de kampioen van verdraagzaamheid en vrede, en voor zijn streven om de eeuwige oorlog met Spanje ~ en Katholiekisme ~ tot een eind te brengen.

Onderhandelingen tussen Noord en Zuid
                 Na de verslagingen van 1632 stond Spaanse macht in de zuidelijke provincies op zulk laag peil dat Isabella het bijeenroepen van de Staten Generaal voor zuid Nederland niet kon weigeren. Het vergaderde in September te Brussel voor de laatste keer onder Spaans gezag. De meesten van de vertegenwoordigers wilden onmiddelijke onderhandelingen voor een eind aan de oorlog ~ om het zuiden en het katholieke geloof te redden. Spanje had weinig keuze behalve Isabella erin toe te laten stemmen voor het moment, zodat Philip IV ondertussen nieuwe krijgsmachten op kon brengen. Frederik Hendrik wilde hetzelfde moment grijpen voor onderhandeling te Maastricht terwijl nog het hele leger bij zijn zijde stond.
                 Het was December voor besprekingen tussen de twee Staten Generalen begonnen in Den Haag. Het was moeilijk eenstemming te vinden tussen al de steden en provincies. Bij Juni 1633 de onderhandelingen tussen Nederland zuid en noord stortten bijna in. Frederik Hendrik had een onbepaalde stand gehouden maar stapte nu naar voren ~ hij adviseerde dat voor een vrede met Spanje voor al de Nederlanden, noord en zuid moesten instemmen dat de gehele Meierij van 's-Hertogenbosch behoorde met het noorden en niet bij Brabant, er moest overeenkomst zijn over invoer- en uitvoer-rechten tussen Zeeland en Vlaanderen, en de veroveringen in Brazielie moest de West Indische Compagnie behouden. In de herfst van 1633 de vrede onderhandeling ging over tot een worstelen over in wiens beheer de Staten van Holland lag ~ en in wiens beheer de Republiek ~ Oranje of de staten: de hegemonie van Holland in de Unie, en het overwicht van de staten over de Stadhouder.
                 Frederik Hendrik verliet het verbond dat tot dusver zijn gezag had ondersteund, en hechtte nu aan de 'oorlog partij' van de Calvinistische contra-Remonstranten. De 'staten partij' was herboren en Stadhouder en de Staten van Holland (in de overlevering van Oldenbarnevelt) stonden tegenover elkaar om weer de Nederlandse politiek te overheersen. Gedurende 1634 de worsteling tussen Frederik Hendrik en de Hollandse steden voor een vredegedrag werd een bitter gevecht over de verhouding met Frankrijk. Lodewijk XIII bood een dichte genootschap en bekoorlijke subsidien aan, maar vroeg de Republiek zich vast te hechten aan tegenstand tot Spanje ~ en haarzelf te onderschikken tot Frankrijk, en tot ver in de toekomstige jaren. Het grootste bezwaar van de Arminiaanse 'vrede' steden was tegen een bijzin in het verdrag dat de Verenigde Provincien alleen onderhandelingen met Spanje kon hebben 'conjoinctement et d'un commun consentement' met de Franse Troon. Het betwist was lang en inspannend, maar de provincies kwamen allen naar de kant van de 'oorlog partij' en de Stadhouder (Zeeland, Friesland en Groningen meteen; met Overijssel en Gelderland duurde het langer; Utrecht was overredend; en Holland eindelijk ook).
                 In de Staten Generaal een sijsteem van geheime committees had al eerder bestaan, maar altijd op kort termein voor een specifieke kwestie, en gewoonlijk om het terug naar de Staten te brengen voor een beslissing. Het verschil tussen deze en de 'secrete besognes' welke gedijde onder het bestuur van de Stadhouder, was dat de nieuwe committees hadden een 'carte blanche' in een bepaald gebied van diplomatieke of militaire belangen, en bestonden zolang als de committees zelf nodig achtten. Frederik Hendrik zelf besliste lidmaatschap in deze 'secrete besognes' en stond over hen als opzichter, en de provinciele bestuurders van Oranje werden hierbij de eigenlijke bewerkers van zijn gezag ~ macht en invloed nu in hun handen. Het politieke sijsteem maakte de provinciele Staten voortdurend meer machteloos, en was gevormd door aanhang, gunst, verbinding met het hof, en adel ~ en gekarakteriseerd met alleen het allernoodzakelijkste open debat. Omdat altijd dezelfde mannen lid waren van de 'secrete besognes', was het makkelijk voor diplomaten van de vreemde hen in een weefsel van steekpenningen te betrekken. Na het verdrag met Frankrijk was getekend, kregen de zeven committee leden bedragen van 5 000 tot 10 000 livres, en de griffier van de Staten Generaal zelfs 20 000 livres. De bestuurders onder deze Stadhouder werden rijk.

Frederik Hendrik en de Hernieuwde Oorlog
                 Frankrijk verklaarde oorlog aan Spanje in 1635, en de Staten Generaal was verplicht aan een invasie van zuid Nederland met de Fransen. Het zuiden was weer geloofsvrijheid beloofd en aangespoord tot opstand. Als dat gebeurde zouden zij hun vrijheid krijgen in een sijsteem als in Zwitserland, maar met de Vlaamse havens van Namur en Thionville aan Frankrijk gehecht, en Breda, Geldern, en het Waes gebied aan de Republiek. Als niet, het land zou verdeeld worden tussen Frankrijk en de Verenigde Provincien, met de provincies in welke de Franse taal werd gesproken en west Vlaanderen naar Frankrijk, de Schelde monding, en Ghent, Brugge, en Mechelen naar de Verenigde Provincien.
                 De Spaanse Nederlanden waren echter niet zo makkelijk te nemen. Frankrijk wierp haar troepen over de zuider grenzen, maar het Spaanse leger gaf niet in en vocht een 'guerra defensiva'. Spaanse krijgsmachten, versterkt met 11 000 manschappen, keerden naar de invasie van het noorden om een vroege en aparte vrede tussen Spanje en de Republiek te dwingen. Het leger in Vlaanderen stond op 70 000 man en was sterker en groter dan gedurende enige andere tijd in de Tachtig-jarige Oorlog. Het sloeg de noordelijke aanval af, en bijna omringde de Nederlandse garizoenen in het Maasdal. Spaanse troepen veroverden de veronderstelde onnneembare vesting Schenckenschans aan de noord oever van de Rijn, en hernamen het meeste van de Meierij en, met meer troepenmachten van de keizer uit Duitsland, overstroomden Cleve.
                 Frederik Hendrik staakte al de offensieven en concentreerde een reusachtige krijgsmacht op een blokkade aan drie kanten van Schenckenschans. De Spanjaarden vochten om het corridor te behouden, want hun generaal (Olivares) dacht het meer belangrijk dan Parijs ~ het zou hen een ingang naar Gelderland en Utrecht geven, en de Nederlandse troepen in het Maasdal omringen. Dat zou het einde zijn van oorlog voor de Republiek. In 1636 bevool Olivares een Spaanse aanval op de Veluwe en Overijssel om de bres in de Nederlandse verdediging groter te maken. Voor dat kon beginnen, een meedogenloos bombardement vanaf rivier geschutschepen en vanaf beide oevers dwong Schenckenschans te capituleren.
                 Het aanzien van de Stadhouder was ernstig beschadigd door het fiasco van de invasie. Hollandse regenten drukten sterk aan voor verminderde troepen en kosten, en in de winter van 1636-37 dwong de Staten tot de eerste grote inkrimping van troepen sinds 1621. Dit gebeurde terwijl de economie snel groeide. De rivieren van de Eems tot de Schelde werden sinds 1629 niet meer afgesloten door een Spaanse blokkade, oorlog tussen Zweden en Poland kwam tot een eind in hetzelfde jaar en maakte de Oostzee koopvaart weer mogelijk, en de Franse-Spaanse oorlog van 1635 sloot de grenzen tussen zuid Nederland en Frankrijk. De vraag voor levensmiddelen verhoogde vanuit zuid Nederland, en Duitsland waar de toestand steeds erger werd. Het uitbreiden van de VOC in Azie en de WIC in Brazilie draagde ook bij.
                 Het inkomen van Frederik Hendrik kwam tot 650 000 gulden per jaar bij 1637, maar hij werd behoorlijk bekrimpt in zijn staatkunde en als een militair bevelhebber. Zijn herovering van Breda met een relatief kleine legermacht in 1637, gaf niet veel opzien ~ zijn daden werden niet meer bejubeld zoals vroeger, en Vondel was stil. Oranje had een ernstige belemmering in 1638, toen hij probeerde de forten aan de Schelde onder Antwerpen te veroveren werd een gedeelte van zijn leger verrast en totaal verslagen bij Kallo, met honderden gesneuveld en 2 500 soldaten krijgsgevangen en 80 rivier schepen genomen. Twee maanden later, the Prins faalde in de herovering van Geldern; het plotselinge verschijn van een keizerlijk leger dwong hem tot een onwaardige terugtocht. Hij kwam met lege handen van zijn veldtochten van 1639-40, en gedurende een mislukt beleg op Hulst sneuvelde Friese Stadhouder Hendrik Casimir.
                 De grote overwinningen in deze tijd kwamen op zee: het triomf van admiraal Maarten Harpertsz Tromp over de Duinkerk kapers, en de marine vloot dat vernietigde een Spaanse armada in 1639 van over 100 oorlogschepen (en begeleidende Engelse vrachtschepen) met meer dan 20 000 Spaanse en Italiaanse troepen op weg naar Vlaanderen. Na de zeeslag zocht de Spaanse vloot veilig haven aan de Engelse kust waar Karel I probeerde het te beschermen ~ en waarschuwde Nederland niet hem te beledigen 'in his own chamber'. Tromp ~ op geheim bevel van de Stadhouder, sloeg door om de overwinning af te maken.

Strijd voor de Leiding van de Republiek
                 Over de jaren werd de Prins van Oranje langzaam maar zeker meer imposant in de stijl van zijn huis en hof, en de Staten Generaal veranderde de manier om hem aan te spreken van 'excellencie' tot 'hoogheid'. In 1641 behaalde hij grote prestige in de hoven van Europa door een huwelijk te arrangeren voor zijn zoon met een dochter van Karel I. Hij behaalde de commissies voor Stadhouders van Groningen, Drenthe, Wedde en Westerwold, in 1640, maar Friesland weigerde het hem. De schijn was groter dan de werkelijkheid want de politieke macht van de Prins verzwakte gestadig.
                 Spanje was niet meer zo bedreigend, en de Staten van Holland wilde de Republiek losmaken van Frankrijk en opnieuw onderhandelingen met zuid Nederland beginnen. Aanhoudende benaderingen vanuit Brussel werden op de plank gelegd door de Staten Generaal (met haar omkoopbare griffier) en de geheime committees van de prins, maar Holland was niet meer zo gescheiden dat het 'prinselijke' sijsteem (vanaf Maurits in 1618) uitvoerbaar bleef.
                 Doorlopende vrede onderhandelingen namen plaats tussen 1641-44 te Munster en Osnabruck, met Frankrijk, Zweden, Spanje, de Republiek, en de Keizer, zonder resultaten. Over de winter van 1641-42, met Amsterdam in de leiding, dwong de Staten van Holland het afnemen van troepen van 70 000 tot 60 000. Met Holland nu meer verenigd dan enige tijd in de laatste tien jaar, vonden de 'secrete besognes' van de prins hun werk moeilijk. De Hollandse vertegenwoordigers in de Staten Generaal werden in 1643 verboden om enige onderhandelingen uit te voeren zonder instructies van de Staten, en andere provincies volgden.
                 De veldtochten van Frederik Hendrik gedurende deze jaren waren niet groots: in 1641 werd Gennep genomen, Sas van Gent in 1644, en Hulst het volgende jaar. In 1646 weigerde Holland het aannemen van de jaarlijkse militaire begroting totdat geschilpunten voor een vrede met Spanje werden opgelost. De prins, nu oud en ziek, stemde in. Hij stierf in Maart 1647, en voorlopig het Hollandse overwicht in de Verenigde Provincien was onbetwistbaar.

Bouwkunde en Kunst
                 Opstand, Revolutie, Reformatie, en oorlogen, verwoestten honderden kastelen en huizen, kerken en kloosters, staat en gemeente gebouwen; en het gevolg van de beeldenstormen was een vernietiging van schilderijen, beeldhouwwerk, en allerlei andere afbeeldingen. Maar de Republiek had niets te spenderen aan kunst ~ de herbouwing van een stadmuur of poorthuis moest vlug en goodkoop gedaan worden; de in beurs verklaarde katholieke gebouwen gevestigde publieke Kerk had geen nieuwe bouwwerken voor haar godsdienst nodig. Desalniettemin, nadat de rijke handel belangrijk werd begon een bloeing van kunst. Artistieke vernieuwingen en prestaties volgden op zulk grote schaal dat het geen overeenkomst heeft met enige andere tijd of plaats in de geschiedenis der mensheid. Een weergaloze overvloed en verscheidenis van kunstenaren en kunstbekwaamheid verzamelde zich in het nog betrekkelijk arm noord Nederland. Een uitstorting van kunst in een hoeveelheid, kwaliteit, en verscheidenheid, als nooit geevenaard in enig andere maatschappij of tijdperk, volgde.
                 In slechts weinige jaren werd de Nederlandse maatschappij welvarend en bracht voort een toevloed van nieuwe burger-gebouwen in nieuw-groeiende steden: stadhuizen, schutters kwartieren, scholen in Latijn. Vanaf 1590 werden drie grote kerken in Amsterdam gebouwd, maar het meest van de nieuwe bouwwerken had een wereldlijk karakter: in Franeker een stadhuis, in Zutphen de Wijnhuistoren; het Oost Indische Huis en de Haarlemse Poort te Amsterdam; in Haarlem, het Prinsenhof, de Waag, Nieuwe Kerk, het Oude Mannen Huis; een stadhuis en verschillende andere gebouwen in Leiden; het marmere mausoleum van Willem de Zwijger en een nieuwe facade voor het stadhuis te Delft. Langs de Amsterdamse nieuw-gegraven Herengracht vermenigvuldigden zich weelderige woonhuizen voor een nieuw koopmans elite.
                 Na 1630 de Nederlandse klassieke architectuur ontplooide. Het meest welbekende voorbeeld, het Mauritshuis, ging op in Den Haag in 1633. Oorlog beinvloede de martieme steden ongunstig, maar in Haarlem en Leiden de textiel handel had profijt. Te Leiden werd de achtzijdige elegante Marekerk gebouwd ~ de eerste grote protestantse kerk in de stad, en de Lakenhal. Frederik Hendrik liet ook verscheidene paleizen bouwen: in en rond Den Haag het Noordeinde en Huis ten Bosch.
                 Schilderen in Nederland werd gespecializeerd voor bijzondere bestemmingen in de vroege 17e eeuw. De schaal van de artistieke aanvoering (speciaal in Holland en Utrecht) was verbazingwekkend: het is geschat dat er waren in Holland bij 1650 nogal 2,5-millioen schilderijen ~ meest van hen gekopieerd of van slechte bekwaamheid, maar tenminste tien procent hiervan schilderijen van kwaliteit. Schilderen was in de Republiek van deze tijd niet alleen kunst maar ook een groot handelsbedrijf ~ kopers kwamen naar Amsterdam vanuit Engeland, Frankrijk, Duitsland, en Scandinavie.
                 De schilderijen met het hoogste prestige (en prijzen) waren imposante, rijkgekleurde mijthologische taferelen, gekenmerkt door naakte, dartelende godinnen en nimfen, in een erotisch suggestieve manier (de toren van genie, de grootste kunstenaar van zijn tijd, Rembrandt van Rijn, schilderde er een). Van Haarlem, een voortreffelijke vernieuwing was het verheffen tot kunst van het realistische zeegezicht: uniek in bekwaamheid in het weergeven van een menigte van schepen, zeestormen en alles dat aan de zee hoorde, beeldde Hendrik Cornelisz Vroom de grote zeeslagen van de tijd af; een andere uitvinding was het grote stads panorama. Het kan over Frans Hals gezegd worden dat hij het spontaan, levendig portret of 'merrie' gezelschap, dat een zeker moment vastlegde, bedacht heeft. Esaias van der Velde ~ een van de voornaamste vernieuwers van de tijd, bracht een grondige verandering teweeg van het fantastische naar het realistische Nederlandse landschap.
                 Een sterke daling in de handel veroorzaakte een verandering in het onderwerp van kunst ~ kleinere, goedkopere schilderijen van veldslagen en schermutselingen, soldaten in taveernen, bordelen, en wachthuizen, met een wisselend gebruik van kleur en toon. Verfstoffen werden schaars met het ineenstorten van de vaart op Spanje, Portugal, het Caribisch gebied, en Spaans Amerika, en het vervallen van verkeer met zuid Europa . De rijke, heldere kleuren werden nu plotseling sobere monochroom tinten van bruin en grijs.
                 De kunst en kunstenaren van dit Gouden Tijdperk maakten treffende gelijkenissen van het natuurlijke, maatschappelijke, en de kulturele werkelijkheid dat omringde de Nederlandse burger dag in dag uit ~ het weerspiegelde zijn eigen huishouden en gemeentelijke wereld, het platteland rondom de stad, de soldaat in het veld en het schip op zee.

Het Leven van de Geest
                 De Revolutie opende een scheur tussen noord en zuid en maakte twee wederzijds buitenaardse en tegenwerkende kulturen, van wat vroeger was een enkel. De katholieke belijdenis in het zuiden na 1585 greep het onderwijs, gedachten, en boek censuur zo sterk dat het een kultuur weergaf dat was vrij van belangrijke inwendige spanningen. Het stond dicht bij het bredere vorm van de contra-Reformatie in Duitsland, Rome, en de rest van Europa. In het noorden de kultuur ontwikkelde zich in een ongemakkelijk mengsel van protestant-katholieke confrontatie, humanist-belijdenis tegenstand, en protestants anti-Calvinist oneenigheid, welke verdeelde het denken en onderwijs. Het maakte een nieuw soort Europeaanse kultuur beladen met krachtige en onoverkombare inwendige spanningen ~ zeer dijnamisch, maar eerst labiel, dat was nergens in de protestantse of katholieke buurlanden gevonden.
                 De ervaring van de Revolutie en de Reformatie maakte voor een aangrijpende verhoging in het publieke bewustzijn van versprijdende geestelijke kwesties ~ met vragen over de aard van politiek en geestelijk gezag, de stand van heilige boeken, het goede en slechte van revolutie, vedraagzaamheid, en vrijheid van geloof, en hoe men kon omschakelen van een ingevallen tucht en moraliteit. Maar het stellen van zulke grondleggende vragen in de gedachten en woonkamers van de gewone man was niet aan de smaak van de meest aanzienlijke geleerde in de Lage Landen, en Europa, van de 16e eeuw.
                 Joost Lips (geb. 1547 bij Brussel) studeerde aan het college te Ath, bij de Jezuieten te Keulen, aan de hogeschool te Leuven, en volgde lessen in Rome. Zijn belangrijkste tekst ~ De Constantia (1585), was met opzet alleen in Latijns uitgegeven, maar het maakte toch de toorn der Hervormden tegen hem gaande. Hij zag zijn werk niet als een recept voor het burgervolk maar voor het verfijnde mens en voor humanistische geleerden ~ hij had geen wens, zij hij, om zijn leer door kroeghouders en zeelieden te zien besproken. Zijn zedenleer had geen Bijbels onderbouwsel, en stond neutraal tussen de strijdende kerken ~ en het antwoordde precies de meest fundamentele behoefte van de tijd; het was bijna een geleerd en verschuild Spiritisme ~ of een ondergedoken afzonderlijke religie verborgen van de maatschappij.
                 Lips verwierp de zocht om zijn landgenoten te verlichten over ethische en geestelijke vragen, maar zijn werk spoorde toch een opwelling aan in de ontwikkelende kultuur rond hem. Twee verschillende Nederlandse uitgaven van De Constantia verschenen, en het werd spoedig duidelijk dat hij was niet alleen zeer belangrijk voor de universiteit te Leiden (waar hij lector was) maar ook voor de Republiek. De Leiden universiteit (gesticht door Oranje en de Staten van Holland in 1575) stond niet ~ in tegenstand tot de meeste grote universiteiten in Europa, onder een kerkelijke sijnode; dat was met nadruk afgewezen. De vrijzinnige aard van de universiteit maakte moeilijke jaren met weinig studenten, maar na 1590 door het uitgeven van academische boeken en de universiteit bibliotheek werd het belangrijk in protestant Europa. Een hortus academicus werd aangelegd in 1594. De enige andere universiteit in Nederland, opgezet door de Staten van Friesland te Franeker, had ook een groeiende reputatie.
                 De Staten van Groningen stichtte een universiteit in de stad in 1614. Het had nooit het prestige van Franeker maar had net zoveel studenten ~ veel vanuit Duitsland. Het was 1634 voordat Utrecht een Illustre School oprichtte dat een paar jaar later de vierde universiteit werd. Franeker had nooit meer dan een kwart van de studenten als te Leiden, maar het werd (net als Leiden) een werkelijke internationale protestantse universiteit met de helft van de studenten uit het buitenland. Bij 1609 Leiden was een van de grootste universiteiten in Europa en bij 1640 de grootste in de protestantse wereld. Van 1625 tot 1650, 11 000 studenten schreven in te Leiden; 8 400 te Cambridge ter vergelijking; 6 700 te Leipzig. Leiden, Franeker, en later Utrecht, werden internationale zetels van de leer voor studenten vanuit Duitse landen, Brittannie, Scandinavie, en later zelfs van Frankrijk, Poland, en Hongarije. In 1648 een universiteit was ook gevestigd te Harderwijk.


Willem II als Stadhouder
                 De tijd met Willem II als stadhouder was kort maar van groot belang in de geschiedenis van de Republiek want het bracht een zeer ernstige crisis. Willem II was eerst gezien in de politiek toen hij van zijn zieke vader het bevel over een veldleger wilde krijgen om het in 1645 tegen Spaanse troepen te leiden. Hij werd dit geweigerd en het stond niet goed tussen vader en zoon gedurende de laatste twee veldtochten van Frederik Hendrik. Toen die stierf in 1647 onstond een bittere twist tussen Willem en zijn moeder over het testament van de oude Stadhouder. Het Munster vrede verdrag werd getekend te Munster en Den Haag in de lente van 1648. Willem II, nu Stadhouder, stond er tegen maar was machteloos het te verhinderen. De festiviteiten dat volgden waren dan ook gezien als een triomf van Holland over Oranje, en het werd gezegd dat de principes van de Staten van Holland weer het overwicht in de Republiek hadden.
                 Maar langzaam aan werd het duidelijk dat Holland niet zo stevig in het zadel zat. Inwendige spanningen in Holland; en als gevolg van de vrede ~ met Zeeland over de verslechterde vaart op de Schelde, Sas, en Zwijn, en de opkomst van de Vlaamse havens; en met de provincies (aan de lange binnenlandse verdedigings lijn van Delfzijl tot Sluis) welke ervaarden de verminderingen van de garizoenen en militaire uitgaven. Het mislukken door Holland om de WIC te redden van een rampzalige toestand in Brazilie was ook een grief voor Zeeland en Groningen die veel in de Compagnie hadden geinvesteerd. Deze wrevel werd nog verergerd door miserabele oogsten te wijten aan opeenvolgende koude, natte zomers, gevolgd door het stijle opgaan van prijzen voor brood. Dit trof speciaal de vakhandwerkers in de steden, en orthodox Calvinistische predikanten spraken hen vurig toe vanaf de kansels dat dit alles was de wraak van God over het gebrek van steun aan de kerk door de regenten, en hun ongoddelijke verdraagzaamheid voor Katholieke en Protestantse verschillen. Buiten Holland stond het gewone volk haar tegen, en binnen Holland het was diep gescheiden.
                 Een bron van bitsheid in de verhouding tussen regenten en de Kerk lag in de Meierij. Het was onwillig aangehecht tot de Republiek onder de acten van de Vrede van Munster. Het gebied had meer dan 300 kerken en kloosters met land en inkomsten dat Spanje graag beschermd had, maar de publieke Kerk zag haar kans om de Meierij en Lingen te protestantiseren. De Staten Generaal verklaarde al de katholieke kerken en kloosters beurs, greep de inkomsten, en stroopte altaren en afbeeldingen. De belangrijkste kerken werden wit gewassen en herdoopt voor de Hervormde godsdienst. Hervormde schoolmeesters werden in al de scholen geplaatst. Het was overal in de landen van de generaliteit hetzelfde, behalve te Maastricht en de Overmaas waar de verkondiging van 1532 garandeerde de katholieke godsdienst.
                 Frederik Hendrik was altijd bijzonder toegevend geweest tegenover de Katholieken in zijn eigen domein. Willem II, berucht als losbandig en zeker niet Calvinistisch in zijn levensaanvaarding, richtte zich zorgvuldig op de publieke Kerk als een waardevolle stut voor zijn gezag. Zo snel als de vrede was getekend bevool hij de drost van Breda om 'onmiddelijk, zonder vertraging, de kerken te ledigen van al de afbeeldingen en pauselijke versieringen', en Herformde predikers te installeren in de edele landen buiten de stad ~ en dit werd eigenlijk de eerste ervaring van de Reformatie in de gebieden van Breda en Steenbergen, en was hetzelfde voor Hulst, Sas van Gent, en andere Vlaamse streken. Maar kerken grijpen en predikers plaatsen en de Staten Bijbel brengen naar nieuwe Hervormde scholen was niet genoeg. Met de vrede kwamen ook katholieke priesters terug om weer gezag over dorp en stad bewoners te eisen, en de plaatselijke bevolking bracht heilige voorwerpen en afbeeldingen van waar zij hen verstopt hadden, om hun geloofskultuur te herbouwen.
                 In hun ergernis keerde de orthodoxe Calvinisten naar de Prins van Oranje die meer dan gewillig was om te helpen. Hij werd aangemoedigd om een kampioen voor de Hervormde Kerk te worden, en een nieuw tijdperk te beginnen voor de Reformatie in de Republiek ~ een hervorming van de maatschappij, de zeden, en de politiek, en een eind aan de overheersing door de 'Arminiaanse' regenten van Holland. De Kerk, buiten Holland, stelde zelfs de 'verdomde vrede' aan de kaak ~ zo misbehaagd door de Almachtige, werd in Utrecht gezegd, dat het sindsdien onophoudelijk had geregend.
                 Holland en de Stadhouder twistten al sinds 1646 over de krijgsmachten. Frederik Hendrik had de Staten Generaal aangespoord om het staande leger op 39 000-man te zetten (minder dan de helft van 1642) maar bij 1648 was de troepenmacht 35 000, en Hollandse regenten vonden dit nog te hoog. Meningsverschil werd confrontatie toen Holland in 1649 een vermindering eisde tot 26 000. Het antwoord van de Prins was dat het gebied van de Republiek veel groter was dan in 1609 en de verdedigings lijn met 15 vestingsteden en 33 versterkte forten garizoenen nodig hadden, maar bij de zomer van dat jaar de troepenmacht was toch gezonken tot 29 250 ~ het laagste sinds 1590.
                 Het werd duidelijk dat het ging eigenlijk niet om het leger maar om wie de macht in de Republiek had. De grondwettelijke vraag of Holland in het recht stond (onder de Unie van Utrecht) om de troepen die zij betaalde te ontbinden, was de belangrijkste kwestie. Maar als dat zo was, dan was de Republiek niet meer een staat, maar een verzameling van staten ~ zoals het werd uitgelegd in vlugschriften van de Oranje partij. En het orthodoxe Calvinist bloc benadrukte dat als elke provincie volledig soeverein was (als de Groot had geschreven) dan was dat niet alleen over haar leger en uitgaven, maar ook over haar kerk. Heel het Nederlandse volk zag het aan met grote belangstelling.
                 In 1650, de Gecommiteerde Raden van Holland verzond brieven voor ontbinding naar de kapiteinen van 12 cavalerie en 31 infanterie eenheden. De volgende dag de Prins en de Raad van State vertelden de Staten Generaal dat aan al officieren een bevel was verstrekt om de brieven te negeren en alleen gehoorzaamheid te geven aan een bevel van de Staten Generaal of de Stadhouder als kapitein-generaal van de Unie. De Staten ~ in een stemming van vijf provincies tegen twee (Holland en Gelderland) bemachtigde de Prins om van elke stad in Holland af te dwingen dat hun besluit tegen de Unie van Utrecht stond, en toe te stemmen en trouw te blijven aan de 'aangenomen' rechtsplegingen van de staat.
                 Oranje wilde de rechtspleging gebruiken voor een groots bezoek aan elke stad als een vertoon van zijn gezag, macht, en populariteit ~ en om te laten zien dat het volk achter hem stond. Maar in Holland mensen stonden niet zo sterk achter hem zoals elders. Het ging niet slecht in Dordrecht, maar te Delft moest de Prins zijn militaire begeleiding buiten de poorten laten staan terwijl geluisterd werd naar zijn toespraak. Amsterdam liet weten dat Oranje verwelkomt zou worden als Stadhouder maar niet als het hoofd van een Generaliteit visite welke Holland had tegengestemd. Toen hij kwam was heel de schutterij op parade en de burgemeester weigerde zijn rede te horen. Willem ging woedend weg zonder een banket ter zijn eer bij te wonen.
                 De Prins voerde een coup uit op 30 Julie 1650. Het plan was het jaar tevoren al gemaakt door de twee Stadhouders: Willem II van Holland en Willem Frederik van Friesland. Officieren arresteerden zes Hollandse regenten op het Binnenhof. Een troepenmacht werd uitgerukt in Den Haag om alles kalm te houden. Ondertussen gingen 12 000 manschappen van garizoenen uit Gelderland onder het bevel van Willem Frederik in de nacht op naar Amsterdam waar net op tijd de poorten werden gesloten.
                 Maar de Prins kon nu onderhandelen vanuit een positie van macht en Amsterdam capituleerde. Tegenstand aan zijn wensen verdween, en werd gevolgd door het vermeerderen van troepen en kosten, en er was geen twist meer over zijn beslissingen in buitenlandse zaken. Voor een enkele paar maanden de 'goede patriotten' ~ zoals de Oranje partij en de vrome Calvinisten zichzelf benoemden, waren in een gelukzalige stemming, maar in November 1650 Willem II stierf van de pokken. Voor veel van de Hervormden die geloofden in goddelijke interventie in de staat en de kerk, zijn dood was ontzettend en onverklaarbaar. De Staten partij was plotseling weer aan het roer.

De Maatschappij
                 De economie ~ na het eind van de Twaalf Jaar Vrede (1621) ~ ervaarde een aarzelende groei: verminderde Europeaanse handel vergoed door de vraag voor Nederlandse proviand van alle soorten in Duitsland en zuid-Nederland, en het toenemen van de koloniale vaart. Na het Munster vrede verdrag (1648), eindigden vijandige schermutselingen met Spanje in de Nieuwe Wereld, blokkades werden afgeschaft en een eind aan de Vlaamse kapers gemaakt, en legers werden ontbonden in Duitsland en noord-Nederland. De Levant en Spaans Amerika lagen weer open voor handel in goederen voor markten in Frankrijk en Rusland.
                 Holland bloeide ~ voor een beperkte tijd welvaarden Twenthe, het Arnhem Kwartier, en de Meierij van 's-Hertogenbosch, maar in het binnenland was het anders. In verschillende omstreken buiten Holland stond de maatschappij aanzienlijk slechter, door het verderf van de Zeelandse vaart en het verminderen van de vaste garizoenen in de vestingsteden. (Het Maastricht garizoen bv. ging van 5 300 tot 2 500 en de bevolking van 23 000 tot 18 000 tussen 1645-55; de hoeveelheid inwoners van Nijmegen viel tot 8 000 in 1660 van 14 000 in 1645.) De 17e eeuwse bevolking van de Republiek is geschat op net onder twee-millioen, met bijna veertig procent in de dertig grootste steden (inwoners te Amsterdam vermeerderden van 120 000 in 1635 tot 200 000 bij 1688). De zeewaartse landen verstedelijkten gestadig, maar de landwaartse provincies ervaarden een groei in de plattelandse bevolking. De verschillen in economisch structuur en welvaart maakten een kloof dat later grote gevolgen zou hebben in het sociale leven en ook in de politiek en kultuur.
                 Werkgelegenheid verbeterde in alle sectoren. Op zee was veel veranderd maar het vereiste meer scheepsbemanningen voor de rijke-handelvaart op de Levant en Oost Indie, en export naar Spaans Amerika, terwijl de walvisjacht ook belangrijk werd. Veel van de zeelieden kwamen vanuit Denemarken, Noorwegen, en noord Duitsland ~ speciaal in de lager beloonde VOC, WIC, en de Marine. Op de Wadden Eilanden de helft van de arbeidskrachten werkten op zee; in West Friesland misschien een kwart. De uitbreiding van arbeid in industrie was nog groter, want het maken van verfijnde goederen was meer werk-intensief. Groeiende arbeidsmarkten bestonden in Amsterdam, Leiden, Haarlem, Delft, Gouda, Den Haag, Rotterdam, en in de Zaan. Werklieden werden geronseld van het omliggende platteland, uit de binnen-provincies, en het buitenland.


Wevers door Cornelis Decker (1625-1678) ~ Rijksmuseum, Amsterdam.
                 De groei van de steden was nog meer opmerkelijk omdat (vanaf de 1620ers) de pest hen herhaardelijk bezocht (tot 1670). Te Leiden in 1655, kwamen 11 000 mensen om (bijna twintig procent van de inwoners) in zes maanden. De laatste grote pest (1663-69) begon in Amsterdam en langzaam verergerde (338 doden in een week van Mei), en 'there dyed this last weeke 739' ~ schreef de Engelse ambassadeur in Juli 1664, 'and the plague is scattered generally over the whole country even in the little dorps and villages, and it is gott to Antwerp and Brussels.' Het ergste was over bij 1665, maar elders te Enkhuizen, Vlissingen, en Zutphen de epidemie sloeg aan in 1666 ~ ook het jaar van de Grote Pest te London. Een laatste golf van pest ging door Leiden in 1669.
                 Lonen bleven ongewoonlijk hoog in vergelijking met buurlanden ~ in de grote Hollandse steden werd vaak meer dan twee maal zoveel betaald. Te Liege bv. (in 1679) glaswerkers verdienden acht tot tien stuivers; in Holland 18 tot 24 stuivers per dag. Hetzelfde gelde in alle sectoren, maar voedsel, huren, en belastingen waren ook uitzonderlijk hoog, en fabrikanten zochten altijd loon verlagingen omdat er sterke concurentie vanuit Engeland en Frankrijk was. In een oproer van weeskinderen te Leiden in 1671 (een van de weinige arbeiders opstanden in deze tijd) werd geschreeuwd dat 'Walen' hen harteloos gebruikten met te veel werk en niet genoeg te eten.)
                 In het oosten de stedelijke economie verschrompelde na 1648, en op het platteland de groeiende bevolking ervaarde ontbering en armoede. Vanaf 1660 de krimp in de landbouw kwam ook naar het zeewaartse westen en Friesland. Terwijl de groei van de westerlijke steden door ging, in het oosten ging dit terug en het was de landelijke bevolking welke vermeerderde in verhouding tot het geheel. De bevolking in Overijssel en Drenthe groeide meer dan in enkele andere tijd tussen 1500 en de negentiende eeuw. In Drenthe, tussen 1650 en 1750, ruim acht procent meer (maar veel minder vruchtbaar) land werd omgeploegd. Overijssel zag in deze tijd een opvallende vermeerdering van armen zonder land. Zelfs in Brabant en de Meierij waar de bevolkingsgroei was veel minder, armoede steeg door de val in prijzen voor zuivel welke verlaagde de waarde van de boerderij en de vraag voor landarbeiders.
                 Na een oorlog met Engeland (1664-67) heel het land viel in een agrarische inzinking met flinke afdalingen in prijzen voor zuivel en graan, en de waarde van vruchtbaar land verminderde bij 30-40 procent in twee jaar ~ het pachten van land bracht nu ook nog maar de helft van eerder. De binnenland provincies en Friesland wilden hogere invoerbelasting zien op Engelse, Schotse, en andere buitenlandse boter, kaas, en vleeswaren, maar de Hollandse regenten zagen voordeel in de lagere prijzen voor hun stedelijke bevolking. Landbouw arbeiders verloren hun werk, en in het westen boeren verkochten huis en boedel om het platteland te verlaten. De vruchtbare klei akkers in West Friesland en de kust gebieden van Friesland ontvolkten omdat de export heftig terug liep; terwijl op de slechte grond van Wouden bij Overijssel en Drenthe, waar de landbouw was voor plaatselijke markten, de agrarische bevolking vermenigvuldigde.
                 In Holland de landbouwer kon de lonen in de steden niet aan, maar in het binnenland arbeid was nog goedkoop en handwerk-intensieve oplossingen veranderde de gewassen: tussen 1675 en 1710 de landbouw van tabak in Utrecht en Gelderland verdrievoudigde; in Overijssel en noord Brabant ging het over naar vlas voor linnen; in Zeeland meekrap voor kleurstoffen.

Belijdenis en Verdraagzaamheid ~ de Katholieken
                 De maatschappij in de Nederlandse Republiek na 1630 werd vrijer en meer buigzaam ten opzicht van religie, geloof, en levens-aanzicht. Remonstranten, Lutheranen, Mennonieten, Joden, en Katholieken trokken voordeel uit deze verandering. Te Rotterdam werd het eerst gewoonlijk voor Katholieken om hun kinderen niet te laten dopen in de publieke Kerk maar door Katholieke priesters in de 1630ers, en het werd hetzelfde in Amsterdam bij de 1640ers. In de contra-Remonstrantse steden van de 1650ers ~ Leiden, Haarlem, Gouda, en Enkhuizen, invallen op Katholieke vergaderingen en het teisteren van priesters werd gestopt. Maar er was nog steeds overal in Nederland (ook nog in Holland) wijd verbreide tegenstand tegen de groei van verdraagzaamheid ~ te Utrecht de Katholieke vrijheid werd stevig terug gezet in dezelfde jaren. Zelfs de meest onbevooroordeelde van de regenten in de Staten partij, desondanks hun steun voor verdraagzaamheid, geloofden dat voor de welvaart van een republiek een staat Kerk was nodig en niet onbelangrijke beperkingen in tolerantie waren aanvaardbaar.
                 Waarnemers uit de vreemde zagen de Republiek als open tegenover verschillende geloofstromingen en de meesten keurden het af. Katholieken vormden ongeveer twintig procent van de bevolking in de zeven provincien. In de grote steden van Holland vonden zij de meeste vrijheid, maar buiten Holland en Utrecht stond het Katholiekisme zwakker. Zeeland had bijna geen, in Friesland ~ waar de adel was meestal Katholiek ~ misschien een tiende van de bevolking volgden deze belijdenis. In het meerendeel van de oostelijke provincies stond het Katholieke geloof nog zwakker. Zwolle was de enige stad in Overijssel met een aanzienlijke Katholieke gemeente (toch nog onder twintig procent), maar in Deventer en Kampen onderdrukking ging voort. Katholieken in Groningen telden minder dan tien procent. Zutphen was een Calvinistische vesting van onverdraagzaamheid tegenover een gemeente van niet meer dan 400 Katholieken. Geloofvolgers te Arnhem telden ongeveer vijftien procent vand de inwoners. Op het platteland van de Ommelanden, Drenthe, de Veluwe, en de Vollenhove en Salland kwartieren van Overijssel, de oude Kerk was bijna verdreven. Maar het 'vrede van geloof' van Willem de Zwijger was honderd jaar na zijn dood nog toepasselijk in kerk en staat ~ en zelfs de gewone man op straat wist dit goed.
                 De Katholieke Kerk veranderde in de samenhang van gestichten en instellingen van de Verenigde Provincien tot een meer nationale kerk, ontwikkelde zich anders dan in zuid Nederland en keek meer naar Utrecht dan Brussel en Munster ~ en werd gestadig meer gehecht aan de leer van Cornelis Janszoon (geb. 1585 te Leerdam). Janszoon werd bischop van Ieper, en twee jaar na zijn dood in 1638 verscheen het resultaat van zijn 20-jaar lange studie van oudchristelijke geschriften ~ 'Augustinus', in verwant met de strijd over genade en vrije wil dat reeds in de 5e eeuw tussen Augustinus en Pelagius was gevoerd, en eigenlijk nimmer beslecht was. In de 13e eeuw Thomas van Aquino en Duns Scotus hernieuwden de strijd ~ waarbij de Thomisten (Dominicanen) de gevoelens van Augustinus aanhingen en de Scotisten (Franciscanen) Pelagiaans gezind waren. 'Augustinus' werd door de Jezuiten heftig aangevallen, ofschoon hun leraar Molina zelf de praedestinatie een wreede zaak noemde en schreef dat de mens uit zichzelf, zonder de genade van God, reeds goede werken, zelfs daden des geloofs, kan verrichten. Vanaf 1597 onderzocht een pauselijke commissie de kwestie tien jaar lang (en de Jezuitische leer werd bijna als ketterij veroordeeld) tot een 1607 verbod tegen verder over het onderwerp te spreken of te schrijven. Het book van Janszoon werd door Rome veroordeeld en in 1641 op de lijst van verboden boeken geplaatst.
                 De Katholieke Kerk in de Spaanse Nederlanden was diep geschijden over het Jansenisme in haar bischoppelijke hierarchie, en een lange kwetsende strijd ging door de Nederlanden en Frankrijk. Maar het waren de plaatselijke priesters die eigenlijk de strijd beslisten, en onder het vicariaat van Johannes van Neercassel (1661-86), een Hollander van Gorcum, de 'Missio Hollandica' verschuifde naar een inschikkelijke stand tegenover het wereldlijke gezag. De regenten van Holland en Utrecht ervaarde dit als meer eerbied voor het gezag van de Staten en minder vijandigheid tegenover de Republiek. Na 1673 vertoefde Neercassel te Huissen in Gelderland (maar buiten de Republiek als een dedeelte van Cleves-Mark) en schreef hier het Jansenistische 'Amor Poenitens'. Vanaf 1675 oefende de Vicar Apostolic zijn ambt in de Katholieke Kerk uit met de formeele toestemming van de Nederlandse Staat. Dit Jansenisme werd door haar tegenstanders uitgescholden als een feitelijke vorm van geheim-Calvinisme binnen de Katholieke Kerk.

Belijdenis en Verdraagzaamheid ~ het Afnemen van de Mindere Kerken
                 De mindere kerken werden nog steeds onderworpen aan veelvoudige beperkingen. Gesteund door de Staten Generaal en de overheid in de provincies en gemeenten, oefende de Hervormde Kerk een overstelpende overmacht uit, en verscheidenheid verminderde in de belijdenis van de Nederlandse bevolking.
                 De Remonstrantse Broederschap ~ zelfs nadat het hun eigen Kerk organiseerde (in de 1630ers), liep sterk terug en het werd duidelijk dat het slechts een kleine plaats had in de Nederlandse maatschappij ~ doch het overleefde voor een tijd te Kampen, Leeuwarden, Dokkum, en Nijmegen. Mennonieten ~ ouder als een Kerk dan de Remonstrantse, gingen ook achteruit. Het was lang een belangrijke geloofstroming voor de bevolkingen van Holland, Utrecht, Friesland, en Groningen, in noord-west Overijssel, en om Blokzijl en Giethoorn. In het Haarlem van 1620, Mennonieten maakten twintig procent uit van inwoners, maar in 1707 slechts elf procent. In Friesland de Wederdopers vormden (in 1666) dertien procent van de bevolking ~ een grotere groepering dan de Katholieken, maar in de volgende eeuw stond dat omgekeerd.
                 De Lutherse gemeenschap was een van Duitse en Scandinavische immigranten en werd eigenlijk nooit inheems. Te Zutphen vergaderingen namen plaats vanaf de 1650ers, maar het had geen Lutherse predikant tot 1681. Te Groningen was geen onderdrukking van het geloof na 1672, maar het werd 1687 voordat de raad het wettigde. De eerste Lutherse kerken werden gebouwd te Zutphen in 1693, en in Groningen 1696. Alleen Zwolle in Overijssel was relatief tolerant en stemde toe aan een Lutherse gemeenschap in 1649. Te Deventer was het verboden tot 1672 en toegestaan na 1674. In Friesland verdraagzaamheid voor de Lutherse Kerk kwam met tegenzin en laat ~ een smeekschrift aan de universiteit van Franeker in 1650 werd afgewezen. Niet gemachtigde vergaderingen werden gehouden in Harlingen en Leeuwarden, maar de vraag om een kerk te laten bouwen werd door Leeuwarden in 1668 afgewezen. De eerste Lutherse Kerk in Friesland was te Harlingen in 1669. De stad van Leeuwarden erkende het Lutherse geloof slechts in 1681. In Holland de Staten legde een ban op de Lutherse godsdienst op het platteland in 1624. In meest van de steden was verdraagzaamheid voor het geloof, maar niet in allen ~ Dordrecht weigerde verlof voor een kerk in 1689.
                 Het getal van Joden vermeerderde door immigratie uit Duitsland, en (te Amsterdam) Portugal ~ de Sefarden uit zuid Europa vermeerderden snel tussen 1647 en 1672 maar dan bijna niet meer. Bovendien, doch het was belangrijker in financien en het merkantiele stelsel dan het Duitse Jodengemeenschap, werd het nooit groter dan 3 000 mensen. In vergelijking, het armere Duitse Jodengemeenschap groeide snel in de laatste kwart-eeuw. Bij 1672 waren zij vast-gevestigd te Rotterdam, Amersfoort, en Leeuwarden, als ook in Amsterdam, en kleine Sefardische gemeenschappen bestonden ook in Middelburg, Rotterdam, Amersfoort, Maarssen, Nijkerk, en Den Haag, als ook in Amsterdam. Maar veel steden en landelijke gebieden in de Republiek hielden de Joden terug. Het verbod tegen de vestiging van Joden in Groningen was nog niet afgezegd tot 1711, te Utrecht niet tot 1789, en Deventer niet tot 1790. In Gelderland het was alleen Nijmegen laat in de 17e eeuw welke permitteerde Joden als inwoners. In Leiden, Haarlem, en Delft niet tot 1720-1730ers. Te Amsterdam bij 1700, vormden Joden ongeveer drie procent ~ of 6 000, van al de inwoners.
                 In de landen van de Generaliteit de ervaring van belijdenis stond helemaal anders want hier de bevolking was sterk gehecht en trouw aan de Katholieke Kerk, en kerkbeleid was niet onder het gezag van de provincies en van de steden maar dat van de Staten Generaal en de Raad van State. Toch was de verhouding ten opzien van belijdenis samen beslist door de Zeven Provincien ~ en speciaal Holland.
                 De enige streken waar de publieke godsdienst van het Katholieke geloof was toegestaan ~ onder de 1632 verordening, was in de Overmaas en Maastricht. De stad was de enige in de Republiek waar veel kerken en goederen in Katholieke handen bleven, en waar Katholiek onderwijs en klooster-leven bloeide. Als resultaat was er ook een onvergelijkbaar aantal priesters: in 1662, 515 ~ meer dan in al de rest van de Republiek. De Katholieke inwoners te Maastricht zagen Protestanten als vreemdelingen en bezetters. Desondanks, omdat het grootste garizoen hier was gelegerd, en omdat Duitse Calvinisten hier vluchtten na 1633, was de Hervormde gemeenschap aanzienlijk ~ rond twintig procent van inwoners bij het eind van de 17e eeuw. De Sijnode van Gelderland met gezag over de Hervormde Kerk te Maastricht wilde niet de Lutherse godsdienst toelaten ~ iets dat gebeurde slechts na de Franse inval en bezetting in 1672, en hun eerste kerk werd hier gebouwd in 1684. Joden konden zich niet in Maastricht vestigen tot de 1790ers.
                 In de rest van de Generaliteit landen was het Katholieke geloof verboden. Op het platteland van de Meierij werd het achteloos verborgen want de Hervormde Kerk had geen aanhang buiten soldaten en ambtenaars. De hoofdsteden hadden een grotere Hervormde minderheid. De Staten Generaal ondersteunde de Nederlandse Hervormde Kerk en de Waalse Kerk, maar had een beleid van onverdraagzaamheid tegenover Protestantse andersgezinde kerken en Joden. De laatsten mochten zich niet vestigen in Brabant tot laat in 18e eeuw.
                 Te 's-Hertogenbosch, Katholieke vergaderingen namen plaats zonder onderdrukking zolang zij klein en onaanzienlijk bleven, maar ambtenaren die zo'n bijeenkomst in een particulier huis wilde stoppen werden verdreven door een boze menigte. Maar toch stond het hier en te Breda anders dan in Maastricht. Een welbekende Katholieke school voor Latijn te s-Hertogenbosch werd onderdrukt en verplaatst door een vurig Hervormde school, en uitgebreid onderwijs door andere belijdenissen kwamen tot een eind. Lutheranen kregen eindelijk in 1686 vrijheid van godsdienst. Alleen Breda ~ de thuis-stad van Nassau, volgde de overlevering van verdraagzaamheid van Willem de Zwijger.
                 Overal elders lag de Generaliteit onder een onverdraagzaam beleid door de Staten Generaal ~ bang dat het Lutherse geloof een rivaal voor de Hervormde Kerk zou maken. In Bergen-op-Zoom Lutheranen konden niet organiseren tot 1687; Grave had geen Lutherse gemeenschap tot diep in de 18e eeuw; in Westerwolde waren zij onder een ban tot 1687 toen hen werd toegestaan een Kerk te stichten bij Winschoten ~ zolang er geen luiden van klokken was of enig uiterlijk teken van een publiek geloof, en geen aanstoot gaf aan de Hervormde Kerk.

Belijdenis en Verdraagzaamheid ~ de Eenheid van de Publieke Kerk
                 De regeringen in de provincies en steden in de Nederlandse Republiek werden aanhoudend vooringenomen met het beschermen van de inwendige samenhang en bestendigheid van de publieke Kerk. Want als eens de Hervormde Kerk naar verwarring af zou vallen (zoals vroeger gebeurde), dan heel het gestalte van de politiek zou gescheiden worden en de maatschappij in oorlog met zichzelf zijn. De partij van Oranje en die van de Staten beiden beschermde de Kerk voor deze reden ~ alleen oneens met betrekking op hoeveel invloed over het publieke, maatschappelijke, en het leven van onderwijs, aan de Kerk te verlenen. En het gevaar van volksgewone opstanden tegen verschillende meningen moest altijd in aanmerking genomen worden.
                 Gedurende de 1650ers, spanning versterkte gestadig in de politiek over een nieuwe theologische scheur in de Kerk, met aan een kant de ouderwetse Calvinisten en aan de andere een meer vrijzinnige stroming in de Hervormde Kerk. Gijsbert Voet (geb. 1588 te Heusden) ~ een predikant, lid van de Dordtse Sijnode, en krachtig bestrijder van de Remonstranten, was hoogleraar te Utrecht waar hij een kring vormde van strenge levensopvatting. Hij trachtte de Hervormde kerkleer wetenschappelijk te verwerken en een soort scholastiek te vormen ~ werd 'vader der Gereformeerde Kerk op dogmatisch en kerkrechtelijk practisch gebieden', en wel de Utrechtse paus genoemd. Johannes Koch (geb. 1603 te Bremen) studeerde te Hamburg onder Joodse geleerden, en aan de Franeker universiteit waar hij hoogleraar werd tot 1650 en naar Leiden ging. Zijn orthodoxie was onverdacht tot hij in 1658 niet de geldigheid van het sabbatsgebod aanvaarde, en Voet een strijd met hem begon.
                 Het greep diep in het kerkelijk leven waarin ook de oude politieke tegenstelling gemengd werd. Twee partijen ontstonden ~ de 'Voetianen' en de 'Kochejanen'. Al in 1659 verboden de Staten van Holland het verder twisten, maar bij 1665 bestreed Voet zijn ambtgenoot Koch ten aanzien van zijn gevoelen over een volkomen en onvolkomen vergeving der zonden. Voet zou hem opnieuw hebben bestreden, indien de dood van Koch in 1669 het niet had verhinderd. Koch stelde de Heilige Schrift steeds op de voorgrond tegenover belijdenisschriften en legde op de verklaring van de Bijbel meer nadruk dan op de verdediging van de leer. Zijn 'Opera omnia' (in acht delen) werd door zijn zoon uitgegeven in 1675 te Amsterdam, 1686 te Frankfurt, 1703 (in tien delen) weer te A'dam.
                 De scheur in de Nederlandse Kerk bracht weinig teweeg in Frankrijk en Engeland waar het als bizar en verbijsterend werd geacht, maar in de Hervormde gebieden van Duitsland en Hongarije had het gevolgtrekkingen tot diep in de 18e eeuw. In Nederland de strijd ging door ~ in kerkeraden en sijnoden, voor veertig jaar en langer. In de politiek speelde het zich uit met de Staten partij aan de kant van de volgers van Koch ~ want beiden wilden de kracht van belijdenis verzachten en het ouderwetse Calvinisme niet de maatschappij, de politiek, en de publieke Kerk te laten overheersen. Net zo zou de Oranje partij met de Voetianen staan omdat beiden de politieke overheersing (met de belangrijke gevolgtrekking op belijdenis) door de Staten van Holland wilden verzwakken.
                 De strijd was eigenlijk het resultaat van een grote ongeduldigheid met de trage vooruitgang naar een meer brede en zuivere reformatie van Kerk en maatschappij, en dit stond tegen de inspanningen door het seculiere gezag van de provincies en steden om de geschillen niet de maatschappij te laten verstoren. Voor waarnemers uit de vreemde de mate van geloofsvrijheid in de Republiek werd vaak afschuwelijk en absurd gevonden. Gedurende de eerste decennia van de 18e eeuw, het debat berijkte het toppunt in een verdediging op niet-kerkelijk, natuur-rechtelijk ~ in plaats van op theologische ~ principes gebaseerde redenering waarin werd verklaard dat 'de Almachtige is de enige meester van ons geloof', zonder gezag van kerk over de individu. Onbeperkte verdraagzaamheid voor geloof werd verontschuldigd op filosofische grond, en omvatte zelfs het recht om verkeerd te denken en slecht gegronde meningen te houden, maar velen, of de meesten, van Nederlanders waren van mening om toch niet de republieke, noch de theologische tolerantie te aanvaarden.


Vismarkt naast de St Jacobskerk te Den Haag door Jan Steen (1626-1679) ~ Gemeentemuseum, Den Haag.
Vrijheid en Orde
                 De meer waarnemenden onder bezoekers uit het buitenland zagen de merkwaardige vrijheid in de Nederlanden, maar ook dat het een ingewikkeld verschijnsel was met wortels diep in een vooringenomenheid voor orde en tucht. Niets van deze vrijheid was meer opgemerkt door buitenlanders dan dat voor vrouwen van alle standen en soorten ~ zelfs jonge, ongetrouwde vrouwen konden vrij gaan waar zij wilden, alleen en ongechaperonneerd, om te werken, zaken te doen, en zich in besprekkingen te begeven bijna net als mannen. In de Nederlandse maatschappij, vrouwen waren minder ondergeschikt tot hun echtgenoten dan overal elders (in Duitsland werd gezegd dat in Holland 'de hen kraait en de haan tokt maar'). De reden voor de vrijheid van vrouwen was het zelfde als voor dat een man alleen, of de reiziger uit de vreemde, bij dag of bij nacht door stad en land kon dwalen met weinig angst om beroofd of aangerand te worden: de individu was, en voelde zich, veilig en zeker. Misdaden kwamen niet vaak voor; een huisdeur hoefde niet op slot zelfs met de inwoners dagenlang afwezig; bedienden werden niet geslagen (zoals elders in Europa vaak gebeurde) ~ noch met, noch zonder andere mensen aanwezig; en een man die zijn vrouw slaag gaf in eigen huis zou niet door zijn buren worden verdragen, maar aan de authoriteiten opgebracht worden.
                 De bescherming van vrouwen en bedienden lag dan ook in de strenge aanpak van de maatschappij. Tucht kon overal gezien worden; bij de burger thuis, op school, in de kerk, op de schepen, en in het leger en de marine. De grootste druk voor tucht onder zeelieden, studenten, soldaten, en ook wezen, vakleerlingen, en elk ander, kwam vanaf de hoofd steden en hun gemeenteraden. Er waren dan ook verschillende ranken van politie, en vertegenwoordigers voor straffen, maar misschien het meest belangrijke toezicht werd uitgeoefend door de buurtwachten ~ plaatselijke burger organisaties in verschillende kwartieren van de steden onder verkozen burger leiders. De buurtwachten zagen als hun taak niet alleen het bewaken van hun wijk tegen inbraak en diefstal en misdaad, maar ook om het fatsoen te controleren, en de schout, schepen, of kerkeraad, kennis te geven over onaanvaardbaar gedrag. Het moest zo want de schutterij ~ verantwoordelijk voor orde en voor de wacht te houden bij het stadhuis, de poorten en de muren, gedurende de nacht ~ zou alleen uitrukken voor ernstige verstoringen. De schout en zijn waarnemers waren aan het hoofd van de politie en maakten de arrestaties in ernstige zaken, maar waren veel te weinig om alles zelf te doen (te Amsterdam, tegen het eind van de 17e eeuw, de schout en zijn personeel telde slechts achtien personen. Te Amsterdam, gedurende de 1660ers, ongeveer 300 licht bewapende burgers van de buurtwachten deden regelmatige ronden door hun straten, voor welke zij vijf stuivers per nacht betaald kregen.
                 In 1669 werd te Amsterdam besloten om straatlichten te installeren. De beweegredenen waren verschillend maar een hoofd reden was om orde en misdaad vermindering verder te versterken. Een jaar later de hele stad was verlicht door 1 800 olielampen voor welke 100 lantaarn opstekers werden aangezet; bij 1681 nog 600 lampen waren toegevoegd. Het had zulk goed gevolg dat het ook snel aangenomen werd door Den Haag, Dordrecht en 's-Hertogenbosch, en andere steden in Duitsland (Berlijn en Keulen) en Engeland.
                 De Nederlandse vrijheid was echt maar had strenge beperkingen ~ vaak zelfs minder verdraagzaam voor verkeerd, andersgezinde, of uitbundig gedrag dan voor ongewone idee-en. In bijzonder, de Nederlandse maatschappij was niet minder, maar meer, vatbaar dan elders in Europa om ontucht, erotiek, onverborgen homoseksualiteit, en straat prostitutie te onderdrukken. Buitenlandse waarnemers allen hadden opmerkingen dat betrof de 'koudheid' ~ koket-schuwend, en algemeen 'very general good fame' van de Nederlandse vrouw. Wat zij zagen was in feite de sterke onderdrukking van het erotiek, en misschien noodzakelijk als vrouwen zich vrij in hun dagelijks leven door de maatschappij wilden bewegen. Dames in de hogere stand volgden begerig de laatste Franse mode, maar draagden niet de jurken met lage nekken voor het pronken van de borsten zoals in Frankrijk, Engeland, en Italie werd gedaan ~ een hoge neklijn was 'de rigeur' voor verfijnde dames en dienstmeiden gelijk.

Arnold Houbraken (1660-1719) ~ Rijksmuseum, Amsterdam.
                 Prostitutie was algemeen in de Nederlandse maatschappij maar, in afsteking met in andere Europeaanse landen, gekenmerkt door een afwezigheid van uitlokkingen op straat en een neiging om bordelen onherkenbaar te maken ~ als een muziekhal of iets anders met een discrete bedekking over wat boven werd gedaan. In taveernen en gasthuizen verspreid door de armere buurten en buitenwijken laveerden hoeren in onopvallende wijze. Het bordeel was een beetje zoals de 'verborgen' kerken ~ idereen wist waar zij waren maar zij werden verdragen zolang geen overlast was veroorzaakt en zij onschuldig bleken. (De aanpak was van 'als het niet gezien is wordt het gedeerd'.)
                 De onderdrukking van het erotiek strekte tot zelfs matig pornografische boeken en kunst ~ met afbeeldingen meer dan tekst beperkt. In een land met zo veel vakkundige kunstenaren is het altijd vermoedelijk dat sommige van hen de smaak voor het seksueel prikkelen zouden uitbuiten. Maar wij weten maar van weinige instanties, en in beiden van de meest welbekende zaken werd een hoge prijs betaald voor het afleveren van zulk werk. Stilleven schilder Jan Torrentius kreeg twintig jaar gevangenis straf eigenlijk voor godslastering maar ook voor het maken van een serie pornografische schilderijen; Romeijn de Hooghe werd rechtelijk vervolgd (op politieke animus) te Amsterdam omdat hij erotieke etsen had gemaakt en verkocht.
                 De Hervormde kerkeraden waren ook een beslissend deel van maatschappelijke tucht. Gesteund door de buurtwacht, en met de help van huis visites door predikanten en hun assistenten ~ de ziekentroosters, de kerkeraad hield een voortdurende vinger op tegen onbescheidenheid, vrije liefde, ruwheid, te veel drinken, oneerlijke faillissementen, enz. De kerkeraad wist wel dat veel ~ misschien meest, van overspel en ontucht door hen niet uitgevonden werd, maar als het er bewust van was moest het onderzocht en bestoken worden. De kerkeraad kon geen open uitdaging van de maatschappelijke normen verdragen, speciaal ~ zoals in de zaak van Rembrandt en Hendrickje Stoffels ~ als er ook een element van verzet in zat. Het dagvaarden van de huishoudster in 1654 voor 'als een hoer te leven met Rembrandt de schilder' was een vaste regel van dit soort. Een jonge Haarlemse weduwe met een onechtelijk kind was verbannen van het Avondmaal voor drie jaar in 1700; een andere vrouw ~ ook te Haarlem in 1705, voor vier jaar.

School, Geletterdheid, en de Hervorming van Volksgewoon Kultuur
                 Veel vroeger dan 1572 werd in de Nederlanden ~ noord en zuid, al meer geletterdheid gevonden dan in enige van haar buurlanden ~ te danken aan de grote verhouding van de bevolking welke in steden woonden. Maar ongetwijfeld de Revolutie en de overwinning van de Hervormde Kerk in het noorden, en de Katholieke Kerk in het zuiden, gaf veel meer bewegingsstuwkracht aan onderwijs en bracht het peil van geletterdheid nog hoger. Maar er was een groot verschil tussen noord en zuid ~ welke beiden waren toegeweid aan de belijdenis van hun bevolkingen. In het zuiden de katechismus werd meer versprijd bij mond terwijl in het noorden was meer nadruk op de Bijbel en het lezen van het katechismus. Het verschil in geletterdheid tussen noord en zuid werd nog lang gevonden: in 1843, 51 procent van leger rekruten in Belgie was analfabeet maar ongeletterden waren enkel 26 procent in Nederland. Het is duidelijk dat in de Nederlandse Republiek mannen en vrouwen een peil van geletterdheid berijkte ~ en een letterkundige kultuur, dat was uitzonderlijk in Europa en werd elders niet normaal tot eeuwen later. In 1593, buitenlandse waarnemers waren verbaasd dat zelfs dienstmeisjes konden lezen.
                 Een gevolg van de grote verbreiding van geletterdheid was het verspreiden van technische wetenschappen dat gaf meer gunstige gelegenheden aan jongens van bescheiden achtergrond (zoals bv. de grote admiraal de Ruijter). Het gewone volk ~ zeelieden, schippers, handwerkers, en huisvrouwen, was nu ook in staat de ontwikkelingen in de politiek en kerk te volgen door de pamfletten te lezen die in grote hoeveelheden van de drukpersen afrolden vanaf de 1570ers.
                 Het onderwijs in het noorden werd vastgelegd door de Staten Generaal, welke zette de leraren aan in de 'publieke scholen' en gaf vergunningen voor prive leraren aan de stedelijke raad en op het platteland aan de adel of degenen die de adelijke rechten hadden gekocht (in Holland en Zeeland meestal de steden). De provinciele Staten gaven aan de publieke Kerk een belangrijke adviserende rol in benoemingen en met het helpen van arme ouders om hun kinderen naar school te kunnen sturen, en een overheersende stem in het rooster van de 'publieke scholen'. Een wezenlijk doel van het lagere onderwijs was tucht. Kinderen moesten stil zitten luisteren gedurende de lange Hervormde kerkdiensten onder toezicht van hun schoolmeesters. En het was niet alleen hier dat zij zich eerbiedig moesten bedragen: het werd vereist dat ook op straat een kind het hoofddeksel af zou nemen en opzij zou stappen voor volwassenen.
                 Elke zuil van belijdenis in de Nederlandse maatschappij strijdde naar het doordringen op gemeenschappelijke en zedelijke tucht. In de gemeenschappen van Joden, de raad van ouders dwong het streng. Voor strenge Protestanten (de Mennonieten) was er ook een noodzakelijke nederigheid van de individu aan de ouders en de raad. De Doopsgezinden kleefden aan strenge zedelijke regels voor gedrag ~ zelfs ontmoedigden lachen.
                 De Hervormde Kerk was (zoals altijd) diep gescheiden door theologische twisten, welke (ook altijd) in de maatschappij afspeelden ~ speciaal over levensbeschouwing op onderhoud, en de sabbat. Sinds midden-1600 werd een verdere reformatie door het volk van de Republiek gezocht ~ een meer goddelijke maatschappij met hervorming van gedrag en zeden. De strijd werd zelfs uitgevochten in de politiek van stadsraden en door de regenten van de Staten. Bezwaarschriften eisden het aanzetten van meer predikers, strenge regels tegen roken, drinken, schelden, godslaster, en het breken van de sabbat ~ ook het zondag sluiten van taveernen, het onderdrukken van Katholieke gemeenschappen, en dat 'overspel moet strikt bestreden worden net als bordelen en hoeren met dezelfde strenge straffen voor gewoon hoereren'.
                 Te Amsterdam de kerkeraad had een verbod op dansen tot 1650 en dan alleen 'met toezicht op tijd, omstanden en mensen', maar predikanten riepen er tegen van de kansel, en in 1681 de raad regelde dat als het dansen begon op een bruiloft een prediker van de publieke Kerk moest verlaten om zijn afkeuring te laten zien. Voor sommigen het toneel, waar nu ook vrouwen optraden, moest zonde zijn. 'Lucifer' van Vondel werd verbannen na twee voorstellingen in 1654 te Amsterdam; in Den Haag en Rotterdam het toneel ging achteruit, en werd in Utrecht verboden 1662. Zelfs het kerkorgel werd betwist, en soms verwijderd.
                 De Verdere Reformatie omvatte de hele maatschappij van de Republiek in de laatste decennia van de 17e eeuw. Ondanks het versprijde gezag in de Verenigde Provincien, was het land in feite verenigd ~ niet alleen door haar vervoermiddelen, financien, en handel. Het was op hoge mate kultureel verenigd. De meest welbesproken predikanten die de mensen kon overtuigen van de kansel en op straat, dienden in verschillende provincies en hun benoeming was eigenlijk van 'nationaal' belang. Te Arnhem na 1675 een sterke daal in geboorten van onwettelijke kinderen wijst op een vermindering van buitenechtelijke seks ~ dat hield vol tot de 1720ers.
                 De Verdere Reformatie eisde dat kerkeraad en kansel verlost werden van de stadsraad, en niet overheersd door de regenten in de Staten van Holland, maar het vroeg ook bij welk recht de publieke Kerk zocht om macht uit te oefenen over het leven van de gemeenschap en de individu. Het zag de vrije liefde van Maurits en Willem II, en vroeg hoe het publiek vertrouw kon geven aan de vurige Calvinistische predikanten die de prinsen zulk hoog aanzien gaven.

Het Maken van de Echte Vrijheid
                 Geen prins berijkte soevereine macht in het noorden van Nederland na 1572. Oranje had beloofd altijd de staten te raadplegen, maar het was niet tot 1587 dat een totaal republiek sijsteem ontwikkelde waarin Holland, misschien niet in theorie maar zeker in praktijk, hoog in alle beslissingen doemde, in militair commando, en aanstellingen. Het kwam tot een eind met de 'coup d'etat' van Maurits in 1618, en daarna hield de Stadhouder de grootste macht.
                 Met het sterven van Willem II in 1650 greep Holland weer naar de teugels en de Gecommitteerde Raden beweerde het gezag over het leger en riep de volle Staten naar een spoedvergadering. De regenten die gevangen zaten te Loevenstein werden vrij gezet en namen hun ambten weer aan. Slechts dagen na de dood van de prins stelde Holland aan de Staten Generaal voor het verzamelen van de provincies in een speciale 'Grote Vergadering' om te besluiten hoe de Unie zich moest handhaven in de ongehoorde omstandigheid waarin de Verenigde Provincien verkeerde.
                 De meeste van de grondleggende hervormingen van de overheid, en macht, werden beslist voor de bijeenroeping vergaderde te Den Haag in 1651. De Staten van Holland vertoonde geen verlangen om iemand als Stadhouder te benoemen welke zetel de prins door zijn dood had verlaten en het bleef onbepaald leeg. Holland stuurde een delegatie naar Zeeland om ook daar de benoeming van een Stadhouder te voorkomen na de geboorte van Willem III. In Friesland Willem Frederik was Stadhouder, maar van al de andere provincies alleen Groningen en Drenthe kozen voor het Huis van Nassau en benoemden hem ook hun Stadhouder. De steden konden vanaf deze tijd schepenen, burgemeesters, en vroedschap leden verkiezen, onder toezicht van de Staten maar zonder andere buitensteedse interventie.
                 Niemand in Holland had vergeten dat het was Willem Frederik die troepen tegen Amsterdam op had laten rukken, en de Staten zochten om de strijdkrachten onder de Raad van State en de Staten Generaal te zetten. Leger officieren stonden hier tegen omdat de regenten niet de gewenste ervaring in militaire belangen hadden, en promotie en benoemingen meer op de politiek dan verdiensten neer zouden komen. Maar de Grote Vergadering plaatste Jan Wolfert van Brederode aan het hoofd der krijgsmachten als veldmaarschalk en verzekerde Holland dat geen politieke macht aan de positie werd verleend. De sleutels voor de stadspoorten, vroeger in de handen van de militaire goeverneur, werden aan de burgemeesters overgedragen, en het rechtsgebied over soldaten verplaatst van het leger naar gemeentelijke schepenen.
                 Sinds het begin van de Unie waren de stemmende provincies tot zeven gebleven, maar zouden andere gebieden ~ speciaal de Staten Brabant en Drenthe, blijvend uitgesloten worden ~ en als dat zo moest, met welke rechtvaardiging? Al vanaf 1648 hadden de steden van Brabant ~ met aan het hoofd 's-Hertogenbosch en Breda, steun gezocht bij de provinciele staten voor toegang als een stemmend lid van de Staten Generaal. Drenthe zond ook delegaties naar verschillende provinciele staten zoekend voor toegang als een volstemmend lid. Alleen Holland stond hen tegen, bang dat het de stem van haar provincie in de Generaliteit zou verminderen.
                 In de maanden van de Grote Vergadering, verschillende provincies vervielen naar inwendige onstandvastigheid: scheidingen verhevigden tussen de kwartieren van Gelderland; een kloof verscheen tussen de stad Groningen en de Ommelanden; en Zeeland werd ook aangetast door inwendige spleten dsat veroorzaakten demonstraties in Zierikzee en Tholen, en ernstig oproer te Middelburg. Het maakte duidelijk hoe belangrijk de Grote Vergadering was als een sijmbool voor de eenheid van de Verenigde Provincien. Het werd nu vanzelfsprekend dat de mindere provincies waren zodanig zwak en instabiel, dat de bestendigheid ven Holland de rots was waarop alles steunde ~ de zuil van de Republiek, haar handel, scheepvaart, internationaal aanzien, en de militaire en marine krachten.
                 Doch Amsterdam genoegdoening zocht over het gebruik van het leger tegen de stad, de Grote Vergadering besliste op een generaal pardon voor Willem Frederik, en het kwam tot een einde onder vertoon van eensgezindheid en met een gevoel dat was haast euforie.

De Eerste Engelse Oorlog en de Seclusie Crisis
                 Een geriefelijke inschikkeling over handel en scheepvaart bestond tussen Engeland en Nederland tot het Munster vrede verdrag in 1648 een eind maakte aan de Spaanse blokkaden in de Levant en Spaans Amerika, en de zeerovers uit Vlaanderen. Nederland nam het maritieme primaatschap van Engeland en dit veroorzaakte een sterke economische achteruitgang in dat land. Het parlementair regime van Cromwell te London zocht eerst voor diplomatieke oplossingen, en in 1651 (terwijl de Grote Vergadering bijeen kwam) een Engelse delegatie stelde een politieke unie voor ~ zoals eerder met geweld was opgedrongen aan Schotland. De Nederlandse vertegenwoordigers gaven hier geen antwoord op maar zochten voor andere middelen om de spanningen te verminderen. De Engelsen maakten het duidelijk dat als Nederland niet een onderschikking zou aanvaarden, spanning van een andere soort het gevolg zou worden.
                 Dit duurde niet lang. In Augustus 1651 de 'Navigation Act' verbood het importeren van goederen in Engeland op Nederlandse schepen. Nederlandse handelaren en schippers waren verontwaardigd, maar dit alleen was niet genoeg om oorlog te veroorzaken. Wat maakte her zeker was het stijgen van belemmeringen aan de Nederlandse scheepvaart, op de open zee, door de Engelse marine en vrijbuiters in een grootschalig geteister dat in het eerste jaar bijna 200 koopvaardijschepen in beslag zag genomen.
                 Vanaf 1649 had het Engelse parlement haar marine groot verbreid, terwijl de Nederlandse was verloederd (zelfs het vlaggeschip van Tromp ~ 600-ton, 57 kanonnen, was verkocht door de admiraliteit) en het had maar 79 oorlogsbodemen ~ oude schepen, slecht onderhouden en uitgerust. Tromp en De Ruijter vertoonden vastbesloten flair maar konden niet op tegen de Engelse vloot dat had veertien 'first-rate' schepen met meer en groter geschut dan het meest zwaarbewapende onder het bevel van de Nederlandse admiralen. Het hoge aantal gesneuvelde en gewonde marinieren putte het moreel in de thuishavens van Zeeland en Holland gestadig uit. In twee grote verslagen in 1653 verloor de marine 23 oorlogsschepen, duizenden zeelieden en haar admiraal Tromp. De marine kon de kolonien niet verdedigen en Portugal hernam welvarend Nederlands Brazil ~ een grote vernedering voor de Staten Generaal en de WIC. Gedurende de loop van de oorlog werden ook 1 200 koopvaardijschepen verloren, en de koloniale scheepvaart moest tijdig worden onderbroken.
                 In Engeland 'press gangs' bezorgde de bemanningen voor de marine, maar dit was niet gepermitteerd aan de Nederlandse admiraliteit als onverenigbaar met de vrijheid dat was de verkondigde grondslag van de Republiek. De Staten kon niet anders dan ongehoord hoge maritieme lonen en toenemende compensaties aan gewonden te betalen. Vanaf September 1653, mannen verminkt met verlies van een linker arm kregen 266 gulden (ongeveer een jaars loon voor een handwerker), en voor een rechter arm 333 gulden, 1 066 gulden voor het verlies van beide armen ~ of ogen, en half dat voor beide benen. In 1664 (net voor de tweede Engelse oorlog) werd deze compensering nog hoger: 1 500 gulden voor het verlies van beide armen of ogen.
                 De verliezen en de groeiende betrokkenheid verwekte een opwelling van verontwaardiging in de bevolking, en anti-regent, Oranjegezinde gevoelens. Friesland, Groningen, en Zeeland, spoorden de Staten Generaal aan tot de benoemingen van Willem III (doch nog een kind) als kapitein-generaal en Willem Frederik als luitenant kapitein-generaal, maar Utrecht, Overijssel, en Gelderland, waren te veel gescheiden om tot een besluit te komen. Oproer stoorde Dordrecht, Den Haag, Rotterdam, Alkmaar, Hoorn, Medemblik, Enkhuizen, Middelburg, Zierikzee, en Bergen-op-Zoom.
                 Engeland won de zeeslagen op de Noordzee maar kon de oorlog niet winnen. Terwijl de Nederlandse vloot thuis verder werd uitgerust, kon Engeland de Nederlandse macht over de grote zeekoersen niet breken, en haar koopvaardij leed grotere schade dan de Nederlandse. Uiteindelijk werd het onmogelijk om de oorlog verder te voeren. De Oostzee was gesloten aan de Engelsen, en in de Levant hetzelfde nadat koopvaart en marine vloten werden vernietigd voor Livorno in 1653; in de Oost Indien de VOC stond hoogst van de Golf van Perzie tot de Zee van China. Zelfs in de Noordzee, Nederlandse zeerovers veroverden zoveel Engelse koopvaartschepen als Engelse deed Nederlandse.
                 Maandenlange onderhandelingen liepen uit op een vrede verdrag dat werd bekrachtigd door de Staten Generaal in April 1654. Het had een geheim aanhangsel waar niemand behalve Holland van wist dat bepaalde dat het Engelse Parlement de vrede niet zou bekrachtigen zonder het aannemen door Holland van een Acte van Seclusie (het gevolg van de noodlottige verbintenis tussen Oranje en Stuart). Het eisde dat de Republiek nooit meer een Prins of enig lid van het Huis van Oranje-Nassau zou benoemen tot 'high charges' van de staat ~ als stadhouder of kapitein-generaal. Oproer volgde nadat dit bekend werd, en velen van de Hollandse steden in de Staten, en van de adel in het ridderschap, stonden het tegen, maar ~ liever dan de provincie te scheiden ~ voerde de volle Staten van Holland het uit.
                 Het geschreeuw in het land en in de publieke Kerk was woest. Johan de Witt (geb. 1625 te Dordrecht) was raadpensionaris van Holland ~ een Calvinist met het gewone regenteninzicht in de verhouding van Kerk en staat. Hij werkte bedaardig om de andere provincies te overtuigen de toestand aan te nemen. Een week nadat de Seclusie was aangenomen sprak hij voor twee uren met Willem Frederik te Den Haag, maar faalde om de laatste zijn overtuiging te verminderen dat het eigenlijk de Witt zelf was die achter de zaak stond. In Mei de Staten van Friesland riep de Staten Generaal op de Acte te herroepen. Het publiek stond sterk tegen de uitsluiting van Oranje, maar de provincies waren relatief gedempt; Friesland stond alleen.
                 De Witt schreef een 'Deductie', dat werd uitgegeven door de Staten van Holland in 1654, waarin hij verschillende belangrijke principes beweerde. Volgens hem was de Unie van Utrecht niets meer dan een verbond van zeven 'soevereine staten', en elk van hen bleef vrij om hun eigen regeling te maken met betrekking tot Stadhouders, en erken of niet een kandidaat voor kapitein-generaal, zonder verwijs naar andere provincies. De Witt beweerde dat als het beproefd werd tegen de 'toetssteen van de echte en onvervalsde vrijheid', het eigenlijke doel van de beoordeeler van Holland zichtbaar schadelijk was aan 'onze duur gekochte vrijheid'. 'Iedereen moet beseffen,' schreef hij, 'dat hoge plaatsen niet kunnen overgedragen worden ~ in een republiek, aan hen wiens voorouders deze ambten bekleedden, zonder aanzienlijk gevaar aan de vrijheid.'

Het Sijsteem van de Witt
                 De regenten stelden zich tegen de exclusie omdat het Hollandse volk de uitsluiting van Oranje sterk afkeurde, maar zij stonden het niet werkend tegen. De Witt en zijn collegas hadden het volk tegen hen en ook de adel en regenten van de mindere provincies, maar Holland stond sterker dan ooit. Het kon nu de andere provincies naar haar wil buigen ~ in plaats van interventie te moeten toelaten (zoals in 1618), en nu stond het leger onder het bevel van de Staten van Holland. Als Engeland de oorlog had gewonnen, won Nederland de vrede met de overheersing van de rijke handel op de Levant, Italie, Spanje, en Amerika.
                 Toen veldmaarschalk Baron van Brederode stierf in 1655, stelde de Witt voor aan Willem Frederik (Stadhouder van Friesland, Groningen, en Drenthe ~ en nu ook waarnemend stadhouder van Overijssel), dat hij misschien bevelhebber over het leger kon worden als hij zijn eigen benoeming en dat van Willem III tot stadhouder van Overijssel onwettig zou verklaren. Het opstel scheen zelfs twijfelachtig aan zijn eigen partij. Amsterdam was ontzet over de mogelijkheid dat de man die het leger tegen haar had opgetrokken nu het weer zou commanderen. Het vroedschap erkende de noodzakelijkheid om een ervaren en gezaghebbende bevelhebber snel te benoemen om tucht en orde te handhaven in het leger, maar hij moest ook politiek betrouwbaar zijn. Daarvoor steunde het de kandidaatschap van Graaf Johan Maurits van Nassau-Siegen, Stadhouder van Cleves.
                 Het doel van de Witt was om de 'echte vrijheid' te versterken door het leger absoluut te onderschikken aan burger beheer. In December 1655 een pakket was voor de Staten Generaal gezet dat bedong nieuwe 'instructies' voor de veldmaarschalk van het leger welke in de toekomst nooit ook de ambt van stadhouder kon bekleden. Ook bedong het pakket dat geen verdere redetwist over de Acte van Seclusie aanvaardbaar was. De 'Harmonie' als het werd genoemd, vond geen makkelijke doorgang in de Staten Generaal, waar niet alleen Oranje schilddragers het tegen stonden maar ook sommigen van de Staten partij die dachten dat 'staal is altijd sterker dan papier'. In 1656 Willem Frederik werd ontgoocheld over zijn overeenstemming met de Hollandse pensionaris en ging terug naar de Oranje partij.
                 Op een vergadering in Januari 1657 toen de 'president-van-de-week' in de Staten Generaal een Oranjeman was, en met maar vijf van de zeven provincies vertegenwoordigd, Willem Frederik werd benoemd to veldmaarschalk (zonder de nieuwe grondwettige beveiligingen) bij vier stemmen tegen Holland. De Gecommitteerde Raden van Holland (en de Witt) waarschuwden de Staten Generaal dat de regimenten welke betaald werden door Holland niet onder het bevel zou worden geplaatst van een 'onwettig' benoemde commandant. Holland kon niet aanvaarden dat het overstemd kon worden in de Staten Generaal, want als dat zo was dan de 'coupe d'etat' van Maurits in 1614 en de handelingen van Willem II in 1650 zouden ook wettig geweest zijn. Een maand later werd het besluit voor de benoeming overworpen bij vier stemmen tegen drie (Friesland, Groningen, en Zeeland).
                 Overijssel had, na een lange onoplosbare politieke worsteling, twee Staten ~ te Zwolle (erkend door de Staten Generaal) en te Deventer (gesteund door Holland), met de steden gescheden ertussen. In 1657 Hasselt en Steenwijk stuurden hun belastingen naar Deventer in plaats van naar Zwolle, en dit begon een korte burgeroorlog waarin Hasselt werd gebombardeerd en belegerd welke werd afgebroken na een veldslag nabij. De Witt en de Gecommitteerde Raden hadden genoeg en met de Staten Generaal zette de zaken terug naar de 'status quo' ~ en verklaarden de benoemingen van Willem III en Willem Frederik ongeldig. Het was een klap aan de Overijssel Oranje partij, maar Zwolle en Kampen stemden in, en de toestand kalmeerde, maar de provincie bleef gescheiden.
                 Holland trad ook op in de opwinding tussen Groningen en de Ommelanden; er was oproer in de stad maar troepen, gestuurd door Stadhouder Willem Frederik, werden terug getrokken nadat de bevolking hen bekogelden met stenen. In 1659 een 'reglement' bepaalde dat de kwartieren van de Ommelanden verder verdeeld werden in subkwartieren om de macht van de jonkers te verminderen. Gedurende dezelfde tijd greep Holland ook in als tegenstand aan prinselijk absoluutisme in de Duitse landen van Munster, want de binnenlandse gebieden (Twenthe en Gelderland) van de Republiek werden bedreigd door een strijd tussen Katholiek, Calvinist, en Lutherse, politieke stroomingen buiten haar grenzen (van oost Friesland tot Aachen).
                 De Witt was bekend als een politicus van de 'raison d'etat' stijl, maar vurig republikaans en grondig anders dan dat van de prinsen en monarchen. Het was een 'raison d'etat' dat verachtte territoriale uitbreiding, militaire kracht als een doel op zichzelf, en de concentratie van macht in de staat. Hij spande zich in voor de bescherming van de staat, haar onafhankelijkheid zonder buitenlandse interventie, en voor de bevordering van haar handel en scheepvaart. De Witt zag overal in Europa, behalve in de republiek van de Verenigde Provincien, koningen en prinsen die niets zochten maar dijnastisch voordeel en territoriale verheerlijking ~ doelen die vaak tegen hun eigen bevolkingen stonden.

Zuid en Noord na de Vrede tussen Frankrijk en Spanje
                 Een nieuw tijdperk begon in beide gedeelten van Nederland in 1659 met het eind van de oorlog tussen Frankrijk en Spanje ~ een oorlog dat had de actualiteit van Europa overheerst sinds 1635. Voor de vrede had de Republiek geen rol in het zuiden, want het was de teugel van Frankrijk voor Spanje en haar grootste legermacht was onderhouden in de Lage Landen. Met de vrede de vloed van geld van Madrid naar Antwerpen voor het leger van Vlaanderen droogde op ~ het leger krimpte van 70 000 in 1658, tot 33 000 bij 1661, en niet lang daarna tot 20 000; in 1690 was het nog maar 15 000-man sterk, en bij 1695 slechts 6 500. Van 1667 tot 1712 ervaarde zuid Nederland herhaaldelijke Franse invallen, maar het vertoonde opzienbare veerkracht als een politiek en kultureel wezen en in haar economie. Stedelijke industrien in Brabant en Vlaanderen gingen achteruit, maar de Vlaamse landbouw had nog een hoge produktiteit en de linnen industrie bracht ook veel werk op het platteland.
                 De vurige contra-reformatie dat door het zuiden had gewoest had het een onneembare Katholieke vesting van de oude stempel gemaakt. Bijna all kinderen gingen naar Katholieke zondagscholen en de helft van hen woonden lessen bij in Katholieke scholen. Nederlandse Protestantse garizoenen, in veel van de steden vanaf 1689, wekte geen angst op en hadden weinig invloed op de maatschappij. Gebrek aan eerbied voor de Katholieke Kerk werd niet verdraagd, maar Spaans Nederland was niet Spanje; er was gelegenheid voor geloofsverschillen zolang deze zich niet in het openbaar uitte (de Paus klaagde in Madrid dat het regime te Brussel blind was tegenover Joodse godsdiensten in Antwerpen). Maar het bleef een feit dat noch het gezag, noch de leer, van de Katholieke Kerk betwist mocht worden.
                 De herstelling van het Huis van Stuart in Brittanie was voor de Republiek reden voor zorg en tegelijkertijd voor optimisme. De Oranje partij kon hopen voor een herstelling van voorspoed met de Engelse koning een oom van de tien-jarige Prins van Oranje, maar regenten en groothandelaren konden ook hopen voor een betere verhouding met Engeland en voor ongestoorde handel en zeevaart. Te Amsterdam, sommige optimisten in het vroedschap hoopten zelfs dat de gehate Navigation Act van 1651 nietig verklaard zou worden.
                 De Witt was bezorgd over de genegenheid dat provincies en steden vertoonden aan Karel II gedurende een verblijf te Breda en Den Haag in 1660, en het meest over de gewilligheid van regenten om meer eerbied te geven aan het Huis van Oranje nu dat het beter stond met het herstel van de Stuarts (Mary, moeder van Willem III, was tenslotte de zuster van de Engelse koning die haar de titulatuur 'Princess Royal' gaf). De Hollandse pensionaris had een grote wantrouw voor de politieke en dijnastische ambities van Oranje, dat nog verhoogd werd toen Amsterdam, Haarlem, en Leiden, moeder en zoon uitnodigden voor officieel bezoek met kwistig gegeven spektakels dat loofden Oranje en het verleden van zijn Huis.
                 Tezelfdertijd, als een essentieel deel van de Amsterdamse 'Engelse' strategie, een speciale embassie van de Staten Generaal bracht een weelderig geschenk naar London ~ zo groots en prachtig om al de vroegere geschenken te overschaduwen. Het was het meest schitterend geschenk de Generaliteit ooit aan een vreemde vorst had gegeven, en bestond uit werk door de hoogst vermaarde Nederlandse schilders, het puikje van Italiaanse schilderijen in de Republiek, en een mooi jacht, de 'Mary'. Karel II was ook een 'begrip' gegeven voor een vriendschap verdrag dat vroeg voor vrije handel (dat betekende de afschaffing van de Navigation Act), en het principe van 'Vrij schip, vrij goedt' ~ om hinderingen van de koopvaaart op de open zee de voorkomen.
                 Op haar buurt stuurde Prinses Mary verzoeken naar de staten van alle provincies om haar zoon aan te duiden voor hoge ambten en waardigheden, welke de Prinsen van Oranje vroeger hadden gehouden. Zeeland stemde meteen in en vroeg de Staten Generaal om Willem als toekomstige Stadhouder en kapitein-generaal van de Unie te benoemen (doeltreffend op 18-jarige leeftijd). Friesland voegde toe dat een zetel in de Raad van State hem moest worden toegewezen op zijn zestiende jaar. De Staten van Gelderland en Overijssel gaven goedkeuring by stem te kennen. Karel II zag het allemaal nauw aan.
                 De Acte van Seclusie werd zeker een dode letter toen Leiden en Haarlem voorstelden om de Prins tot Stadhouder van Holland te benoemen. De Witt zocht het te voorkomen door een pensioen aan te bieden voor de Prins, en hij haalde Prinses Mary in met een afspraak waarbij de Prins een 'Kind van de Staat' zou heten dat onderwijs en opleiding voor hoge ambten zou krijgen van de Staten van Holland. In September 1660 herriep Holland de Acte. Net leek het dat de Witt de zaak tijdelijk had gered voor de Staten partij, toen Mary stierf van de pokken. Zij had haar broer, de koning, benoemd als voogd over de jonge Prins. De zaak zou niet makkelijk worden.
                 De onderhandelingen te London over het 'begrip' voor vriendschap gingen niet goed. De Navigation Act werd niet afgeschaft maar hernieuwd en weer uitgegeven door Karel II over zijn eigen naam. Het oude gekift tussen de twee Oost Indische Compagnieen vertoonde geen teken van verzachten ~ maar werd eigenlijk erger. Nieuwe spanningen verrezen in de Caribische gebieden en west Afrika, en een nieuwe acte van het parlement zou buitenlanders het vissen verbieden voor tien mijlen van de Engelse kust. In Holland zelf had de Oranje partij veel grond verworven sinds 1650, en het voorstel van de Witt voor het onderhoud van de Prins van Oranje werd tegen gestaan door Leiden, Haarlem, Enkhuizen, Rotterdam, Gorcum, Schoonhoven, en Purmerend.
                 De conflicten speelden zich uit in de politiek over meer dan twee jaar totdat in 1662 een verdrag van verbond met Engeland eindelijk was getekend, maar het had zo lang geduurd en zo betwist dat het geen hechte vriendschap tussen de twee landen betekende en de Oranje partij kreeg er geen voordeel uit. In Holland en Zeeland de Staten partij had zelfs eenstemming gevonden over het stadhouderschap en een vrede met Portugal. De Engelse ambassadeur schreef dan ook naar Karel II dat De Witt "made report in the Assembly of the Estates of Holland . . . that neither Province will speake of bestowing any charge upon the Prince of Orange until he come to eighteen years of age."
                 Bij 1663 had De Witt een merkwaardige serie goede gevolgen in de diplomatiek en politiek behaald. Verdragen met Engeland, Frankrijk, en Portugal werden besloten, en het dispuut (vanaf 1648) met Spanje over de Overmaas was uitgemaakt met de Nederlandse-Spaanse afscheiding waarbij Valkenburg, Heerlen, en Dalhem, aan de Republiek gingen.


Nicolaes Maes (1634-1657) ~ Dordrechtsmuseum, Dordrecht.
Ideologische Twisten
                 In de 1660er jaren woestte er weer een ideologische strijd door de politiek, de maatschappij, en de kultuur, dat bracht voort het meest veelomvattende en belangrijke debat van de Gouden Eeuw ~ en het ging over de aarde van de Nederlandse staat, over erfelijke macht, en republieken. Het was nu al langer dan een decennium sinds de ondergang van Willem II, en de geldigheid van de 'echte vrijheid' was vastgesteld als een begrip in de publieke geest en verstand. Maar toch leefde in het volk een verlangen naar een 'verhevend hoofd' ~ afgestamd van de Vader des Vaderlands, die over Staat en Kerk zou staan, dat was nog zo diep geworteld als ooit.
                 Boeken stookten de vuren. De 'Stadhouderlijke regeeringe in Hollandt' (1662) door Johan Uijtenhage de Mist, beweerde dat Willem de Zwijger was noch de oprichter, noch de beschermer, van de 'Nederlandse vrijheid'. Maar het boek 'Interest van Hollandt' (ook in 1662) door de internationaal bekende en veelbetekenende schrijver Pieter de la Court (geb. 1618 te Leiden) verlokte een grote opwinding door heel de Verenigde Provincien ~ het argumenteerde dat Holland was, en zou altijd, beter zijn zonder een Stadhouder. De la Court oogste nog meer invloed met 'Politieke discoursen', een uitwerking van een tekst door zijn broer Jan, geschreven in rechtstreeks, ongekunsteld Nederlands, gericht op een breed publiek. Het stelde dat al monarchie het belang van de burger benadeelt, want enig deel van erfelijke macht maakt vrijheid en algemeen welzijn ondergeschikt aan dijnastische betrekkingen ~ daarom heeft een republiek burgers; en een monarchie, onderdanen. De vrijheid en algemeen welzijn zou ook niet gedijen, stelde De la Court, zonder beperkingen op de invloed van de Kerk in het publieke domein buiten haar gepaste terrein.
                 De publieke Kerk was sterk beledigd en de Leidse kerkeraad berispte De la Court over de aanval op haar predikers als machtlustig, en als vijanden der vrijheid ~ en verbande hem van het Avondmaal. Maar een nog groter dispuut over de vorm van de Staat en de plaats van de Kerk zou nog komen. In vroegere maatschappijen was het bidden voor de regering een belangrijk gedeelte van de politiek en de gewone kultuur ~ en zo was het ook al lang geweest in de Verenigde Provincien. Het probleem was dat (desalnietemin het gebrek aan een Stadhouder) sommigen van de predikanten nog steeds hielden aan gebeden voor de Prins van Oranje ~ aangepast voor de Staten van Holland in een manier dat niet innemend was aan de Staten partij. Om uniformiteit te bereiken bracht een committee van de Staten van Holland een goedgekeurde formulering uit voor gebruik door de Kerk. Het werd in 1663 naar al de stadsraden gestuurd met de aanwijzing dat kerkeraden gehoorzaamheid moesten dwingen aan de nieuwe formulering ~ welke bevool dat het bidden voor wereldlijk gezag altijd begin met een gebed voor de Staten van Holland, 'onze wettige en hoogste regering'. Hierna kon gebeden worden voor de Staten van andere provincies, dan voor de Staten Generaal, ten laatste voor de stadsraad, en nooit voor de Prins of het Huis van Oranje.
                 Friesland ontzegde de Hollandse kerkelijke formulering als tegenspraak aan de praktijk gevolgd voor langer dan tachtig jaar, beweerde met klem dat de Staten Generaal de hoogste en soevereine autoriteit was over al de Verenigde Provincien, en eisde dat Holland de formulering nietig verklaar. Zeeland aarzelde, ongewillig om Holland tegen zich in het harnas te jagen, maar Gelderland veroordeelde haar. De hele zaak werd vurig gevolgd door het publiek als het zich langzaam door de Staten sleepte, en ook in de stads- en kerkeraden een langdurende kwestie bleef. Gevaar vanuit het buitenland verenigde de provincies weer. De prins-bischop van Munster had een van de grootste legers in Duitsland verzameld, en werd gesteund door de koningen van Engeland en Frankrijk. Gelderland en Overijssel wisten hulpeloos te zijn zonder Hollandse bescherming, en bij 1664 het geschil over publiek gebed stilde.

De Tweede Engelse Oorlog
                 De oorlog begon officieel in Maart 1665, maar eigenlijk al vroeg in '64. Sinds de vrede in 1660 tussen Engeland en Spanje werd de spanning met de Engelse handelsvloot dringend wereld-wijd maar speciaal in West Afrika, de Caribische gebieden, en Oost-Indie. Het groeide tot een snauwende en bitse confrontatie in 1661, en na het koude ontvangst van het Amsterdamse geschenk door Karel II was het een oorlog welke iedereen verwachtte en bereidde (Nieuw Nederland was al verloren ~ Nieuw Amsterdam nu New York).
                 De Hollandse regenten hadden de marine aanzienlijk verbeterd en vergroot, maar conflicten tussen de Staten en Oranje partijen uitten zich herhaardelijk (de bemanning van het oorlogschip Gouda vochten niet totdat haar kapitein de Staten vlag met die van Oranje had verplaatst), en de admiralen Cornelis Tromp en Michiel de Ruijter hadden zulk een moeilijke verhouding dat Tromp in 1666 ontslagen werd voor insubordinatie.
                 De eerste zeeslag ~ voor Lowestoff in Juni 1665, bleek de wijd verspreide voorspelling te bevestigen dat de overmacht met de Engelse vloot lag. De Nederlanden had de grootste vloot ooit gestuurd: 103 schepen met 21 313 man en 4 869 kanonnen, maar zij konden de Engelse drie-dekkers niet aan ~ zeventien oorlogsbodems gingen verloren, en de oorlog begon met doem.
                 De oosterse provincies werden overvallen door de prins-bischop van Munster welke (met steun van Engelse subsidien) stuurde een wapenkracht van 20 000-man door Gelderland, Overijssel en Drenthe. Hollandse, Friese and Groningse krijgsmachten, met hulp van Franse troepen, wisten hen tot een onwaardige terugtocht te dwingen. Maar het volk hield de Republiek en hare Staten standvastig; zoals de Franse ambassadeur al schreef in Januari 1665: "les peuples sont fort animez, et accordent pour cette guerre tout ce qu'on leur demande". Langzaam maar zeker, gedurende 1666, de toestanden in het binnenland en op zee begonnen te verbeteren.
                 Al de neutrale handelsteden ~ Hamburg, Lubeck, Livorno, Genoa en Cadiz, plus Noorwegen en Denemarken, stonden sterk voor Nederland. De Oostzee werd gesloten tegen de Engelsen, in de Oost Indien de VOC veegde hen van de zee, en in noordelijke waters grepen Nederlandse kapers meer dan 500 schepen; de Engelse koopvaardij was verlamd. De zeeslagen hielden aan met grote verliezen in het 'St James Day' gevecht, en het verbranden van 150 koopvaardijschepen achter Terschelling in 1666. Terwijl Nederland geld, ammunitie en voorraden had om de vloot uit te rusten, Karel II en Parliament konden het niet aan. De pest en de brand van London waren de laatste slagen om de Engelsen in 1667 tot de knieen te brengen. De Ruijter nam het Engelse vlaggeschip, de Royal Charles, uit de Medway voor Upnor Castle in Juni. Vrede werd getekend te Breda in Juli.

De Republiek tegen Lodewijk XIV
                 De eerste jaren dat Lodewijk XIV de scepter zwaaide (1661-1715) leek het dat de koude verhouding met Frankrijk sinds 1647 voorbij was, want hij tekende een verbond met de Verenigde Provincien in 1662. Maar de toekomst van de Spaanse Nederlanden en de koloniale koopvaardij werden grote bronnen voor twist.
                 Gedurende de oorlog met Spanje had Frankrijk conflicten met Nederland vermeden om haar samenwerking tegen Spanje te behouden, maar in 1664 begon het invoerrechten tegen de Nederlandse handel in te voeren en, tegelijkertijd, richtte Oost- en West-Indische handel maatschappijen op waarbij een nieuwe phase van Frans koloniaal politiek begon. In 1667 Lodewijk zag een groot verminderd gevaar dat Engeland Nederland zou overstelpen in de koloniale koopvaardij, en begon op land en zee Franse belangen sterker vooruit te duwen.
                 De Lage Landen in het zuiden was het meest strategisch gelegen gebied in Europa. Met het terugtrekken van de meeste Spaanse soldaten onstond een gevaarlijke ledigheid van macht net als Lodewijk het grootste leger in de (toen) wereld op been bracht, en een Spaanse Habsburger bruid nam. Spanje probeerde de Witt te overtuigen tot een Nederlands-Spaans verdedigings verdrag, maar de Witt dacht het was niet "een goed plan om tegen een muur te leunen welke op het punt stond om te vallen". De Spaanse ambassade antwoordde dat precies daarom moest Nederland helpen het op te proppen want als het viel zouden zij zelf er onder komen liggen.
                 Franse troepen drongen de Spaanse Nederlanden in. De Witt en de Staten van Holland onderhandelden met Spanje om Nederlandse troepen naar Ostend, Brugge, Blankenburg en Geldern te sturen voor garizoenen aldaar, maar in 1668 een bewapende verwantschap tussen de Republiek, Engeland en Zweden was geformeerd om tussen Spanje and Frankrijk te bemiddelen. Vanaf dit moment stond Lodewijk de Republiek sterk tegen, en bij 1669 had hij Karel II in geheim overtuigd om samen de Verenigde Provincien aan te vallen op land en zee. Bij 1672 Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen stonden klaar om Nederland te overrompelen en haar macht en onafhankelheid te vernietegen.

De Verschemering van de 'Echte Vrijheid'
                 In de laatste jaren van de 'Echte Vrijheid' behaalde Willem III meerderjarigheid en hoe precies hij in de Republiek zou staan kon niet langer uitgesteld blijven. Deze hernieuwde strijd rond het Huis van Oranje, in combinatie met verheftig gekift over vrijheid van geloof, gezag van de Kerk, en persoonlijke vrijheid, maakten koortsige intellectuele omstandigheden.
                 Baruch Spinoza (geb. 1632 te Amsterdam) schreef in Latijn (en op verzoek van de Witt) het 'Tractatus Theologo-politicus' ~ anoniem uitgegeven in 1670, waarin hij de scheiding van wetenschap en godsdienst bepleitte en historische kritiek op de Bijbel uitoefende. Dit boek verwekte een geweldige opschudding en bezorgde Spinoza de naam van atheist en godsdienst bestrijder, maar hij was overtuigd dat een begrip van de Staat niet gebaseerd op het bevorderen van de welstand van de burgerij en het behouden van vrijheid voor de individu, alleen kon rusten op kerkelijke bekrachtiging. Zijn vermaarde inleiding was misschien ironisch of zelfs sarcastisch: "het ongewone geluk om te leven in [de Verenigde Provincien] waar een ieder's oordeel is vrij en onbelemmerd, waar allen God mogen vereren volgens hun eigen geweten en waar vrijheid is geacht boven alles dierbaar en mooi."
                 In de laatste jaren van het regime van De Witt zag de Hollandse raadpensionaris dat open uitdrukkingen van buitengemeene denkbeelden slechts het evenwicht kon ondermijnen en zelfs de 'vrijheid' vernietigen. Hij moest het beteugelen in de Staten Partij en tezelfdertijd de opwelling van de Oranje Partij stuiten ~ in de politiek, in kerkelijke zaken, in de universiteiten, en in het geestelijke leven. Onder de beleiding van de Hollandse regenten, De Witt z'n 'grote begrip van harmonie' zocht een formule waarbij de jonge prins zou worden aangewezen voor een zetel in de Raad van State, een speciale standing in de staat, en de waarschijnlijke eventuele benoeming tot kapitein-generaal maar alleen met uitsluiting van het stadhouderschap in enige provincie.
                 In 1667 nam de Staten van Holland een 'Eeuwig Edict' aan 'voor de bescherming der vrijheid' waarin het stadhouderschap in Holland afgeschaft bleef en het kapitein-generaal- en admiraal-generaalschap onverenigbaar werd verklaard. Het gaf de politieke macht van de stadhouder aan de Staten, maar verschillende steden (speciaal die voor Oranje zoals Leiden) beweerden dat de Staten geen soverein gezag had maar enkel een verzameling van woordvoerders voor het vroedschap of de stadsraad. Toch werd de edict in 1670 door de andere provincies aanvaard bij de Acte van Harmonie.
                 Een dreigende oorlog met Frankrijk dwong de provincies in 1671 tot een sterke opwelling om de Prins van Oranje te benoemen als kapitein- en admiraal-generaal. In December stelde Enkhuizen dit voor in de Staten van Holland. Over de volgende dagen stemden de meesten van de provincies hier mee in. De Witt hield eerst vast dat dit was in tegenstand tot het Eeuwig Edict want de prins was nu lid van de Raad van State, maar toen het niet te verhinderen bleek probeerde hij de benoeming tijdelijk te maken terwijl de Oranje Partij het voor levenslang wilde zien. Of het 'ad tempus' of 'ad vitum' zou worden werd heet gedebatteerd in al de provincische staten. De Staten Generaal vroeg om de Hollandse goedkeur in overeenkomst met de andere provincies, en in February 1672 de prins werd benoemd ad vitum ~ maar wel onder streng overzicht door de Generaliteit waarnemers 'in het veld'.
                 De stand van de Republiek was nu angstwekkend: het leger was groots onder kracht en de meeste vestingen vervallen; bij de garizoenen op de IJssel en Rijn was een tekort van troepen en voorraden, en het moreel stond op zeer laag peil.

1672: het Jaar van Ramp
                 Het jaar 1672 werd het meest traumatisch van de Gouden Eeuw. Het was een jaar van militair ineenstorting en van een bijna totaale demoralisering, en het moment dat de nederlaag van de Republiek ~ als niet in haar geheel dan toch als een grote macht, ophanden scheen. Het was ook het jaar dat het volk en de schutterij intervenieerden in het verloop van de binnenlandse politiek en de ideologische strijd ~ meer dan ooit sinds de 1580ers, met blijvende gevolgen.
                 In Maart werd het helder dat Lodewijk een verbond had opgezet welke de Republiek omringde en op punt van aanval stond met een overweldigende overmacht. De Engelse marine viel op het terugkomende Levant konvooi voor de Isle of Wight, en twee dagen lang kanonnen donderden onheilspellend in de Noordzee. Lodewijk verklaarde oorlog op 6 April en Engeland volgde. In Mei Lodewijk nam zijn leger ~ het grootste en beste in Europa, door de Spaanse Nederlanden naar Maastricht. Op 22 Mei stak hij de Maas over ten noorden van de stad. Nu verklaarden Munster en Keulen ook oorlog.
                 Het leger van Lodewijk (zonder die van Munster en Keulen te tellen) stond op 118 000 infanterie en 12 500 cavelarie ~ meer dan vier maal zo veel als het Nederlandse. De Nederlandse troepen waren slechter in kwaliteit en gevaarlijk verspreid langs de verdedigings linie. Een noodleger van een paar duizend burgerwacht and landweer uit Holland en Utrecht haastten zich om de garizoenen in het zuiden en oosten te versterken, en Gelderland stond met 3 000 gewapende burgers binnen de provincie om de grens vestigingen te verdedigen. Maar het was allemaal te weinig en te laat.
                 Het werd beslist om de oorlogsvloot uit te brengen tegen de Engelsen voordat de Fransen met hen konden aansluiten, maar de Ruijter was te laat. De gecombineerde Engels-Franse vloot zwaar overtrefde de Nederlandse in schepen en vuurkracht. Desalnietemin, de Ruijter en de Staten Generaal gevolmachtigde Cornelis de Witt concludeerden dat er was niets te doen maar aan te vallen. Het was een moedig besluit met als gevolg een van de meest beslissende zeeslag in al de Engelse-Nederlandse oorlogen, in Solebay op 6 Juni. De overwinning van de Ruijter was niet beslissend maar het vlaggeschip van Karel ~ de Royal James met 100 kanonnen, werd een brandend wrak en beschadigde genoeg van de Engelse 'first rates' om een grootschaalse aanval op de Republiek vanuit de zee in de komende maanden te verhinderen. De zeelieden ~ nadat de Ruijter de haven haalde, haastten zich aan de verdediging op het land.
                 Op de lage Rijn, tezelfertijd, de Nederlandse garizoenen te Cleves-Rheinberg, Orsoy, Emmerich, Rees, en Wesel (welke tientallen jaren de Spanjaard hadden uitgedaagd) vielen aan Lodewijk in enkele weken. Deze steden werden voor goed verloren aan de Republiek. Munster overstroomde Lingen, en viel op Overijssel. Het Nederlandse leger trok terug om alles op de verdediging van Holland, Zeeland, en Utrecht te zetten. Aanzienlijke garizoenen stonden nog op de vestingen langs de ooserlijke grenzen maar het moreel was ingestort.
                 Arnhem viel zonder schot 15 Juni. Amersfoort 19 Juni. Het Franse leger marcheerde Utrecht in, Munster Zwolle en Kampen, op 23 Juni. Op 9 Juli de eerste Katholieke dienst sinds de 1570ers werd gehouden in de Utrechtse kathedraal. Holland was gered, eerst bij stom geluk en later door het overstromen van de waterlinie van Muiden, door Bodegraven (waar de Prins zijn hoofdkwartier opzette), en Schoonhoven, naar Gorcum aan de Waal (het Muiderslot stond leeg toen de Fransen eraan kwamen ~ een moedige Maurits van Oranje bracht een strijdskracht op ~ en het water stijgde langzaam na een droge zomer en voor dagen de Fransen hadden er makkelijk door kunnen lopen).
                 De steden van Holland en Zeeland lagen in de grip van angst, verwarring, en de woede van de burgerij tegen regenten en het leger ~ welke werden beschuldigd met plicht-verzuim en zelfs verraad. Defaitisme was uitgesproken in de steden (hetzij gehecht aan Oranje of de Staten) dichtst bij de vijand: Gouda, Leiden, Schoonhoven, en Gorcum. De Staten van Holland ~ tegen het advies van de Witt ~ onderhandelde al met Lodewijk voor de val van Utrecht. Het scheen dat opgeven en onderdanigheid het enige alternatief was, en het Hollandse ridderschap stelde zelfs voor om alleen de zeven provincien te behouden en 'laat de rest gaan' ~ dat wilde zeggen, al de Generaliteit landen.
                 Maar nu werd de rol van het volk beslissend. Oproer begon in Dordrecht en versprijdde zich naar Rotterdam en Amsterdam. De schutterij en landweer stonden met de burgerij welke met geweren in aanslag stadsraden drongen voor een meer vastberaden verdediging van de steden. Toch gingen capitulatie onderhandelingen voort door de Staten Generaal. In de Hollandse steden (nu ook in Schiedam, Gouda, Delft, en Haarlem) gedurende de maand van Juni de burgerij kwam in opstand tegen burgemeester, regent, en vroedschap met ernstig oproer en protesten, en de schutterij sloeg de poorten dicht. Het volk eisde dat de Prins van Oranje aan het hoofd van de krijgsmachten moest staan om het vaderland te verdedigen. Handwerkers en vakmensen, werkende vrouwen en mannen, met landbouwers en vissermannen, beheersden de straten. In sommige van de steden de schutterij of de landweer alleen of tezamen forceerde hun wil ~ te Hoorn, Gorcum, Purmerend, Den Briel. Ook in Zeeland was oproer ~ te Middelburg, Vlissingen, en Veere.
                 Het volk had wel eerder ingegrepen (in't bijzonder in 1566, 1572, 1576-77, 1580ers, en 1617-18) maar 1672 was anders. Beide partijen in het Nederlandse leven waren ondemocratisch en konden geen plaats zien in de politiek voor het volk, de schutterij, of de landweer. De Staten Partij legde nadruk op het absoluut gezag van de Staten met uitsluiting van de Generaliteit en de burgerij, maar de Oranje Partij benoemde het volk de 'echte patriotten' en een onschatbare beteugeling (van tijd tot tijd) op de regenten ~ en beweerde dat in noodtoestanden burgerlijke interventie niet zonder wettigheid of geldigheid was. In Juli de Prins werd Stadhouder van Zeeland en dan van Holland, en het volk had de structuur van macht veranderd.
                 Het oproer ging echter door gedurende de maanden van Juli en Augustus, en door tot in September ~ te Dordrecht en Rotterdam, en wat later ook in Zierikzee, Tholen, en Goes (weer met medewerking van landbouwers en vissermannen). Menigten confronteerden de regente elite van wie enkelen naar het buitenland vluchtten en anderen zich alleen met bewapende bescherming door de stad konden bewegen. Huizen van impopulaire regenten werden gestroopt in Rotterdam en Amsterdam, en in Den Haag de broeren de Witt werden op straat gegrepen, geslagen, gestoken, en dood geschoten. Toch was orde gehandhaafd temid al deze wanorde en geweld. Het werd helder dat de gilden en landweer veranderingen in het karakter van gemeentelijk gezag wilden zien.
                 Grote demonstraties te Delft, Leiden, Haarlem, en Amsterdam, en burger en schutterij verzoekschriften en vergaderingen werden ondersteund door de hogere middenstand (advokaten, drukkers, schrijvers, doktors) welke eisden een herstel van oude bevoorrechten en onafhankelijkheid voor de landweer en schutterij ~ want deze werden gezien als de voornaamste beteugeling over de macht van de regenten, en de woorvoerders voor een burgerij welke (in het verleden) had terecht een grote invloed uitgeoefend over stedelijk gezag. Hierin was gezien de democratische tendenties dat was een essentieel kenmerk van de Nederlandse Oranjegezinden.
                 Willem III werd bekrachtigd om de stadsraden te veranderen waar het hem nodig bleek voor de goede orde van de gemeenschap. Veertien van 40 leden van het vroedschap werden verplaatst te Dordrecht 9 September, de helft van 40 te Delft en tien van 36 in Amsterdam de volgende dag. In Leiden en Haarlem was niet veel te doen, maar vijf regenten in de eerste en slechts een in de volgende verplaatst. Hetzelfde gebeurde in de kleine Hollandse steden: acht van 18 te Den Briel verplaatst, te Schoonhoven negen, in Hoorn ook, maar niemand in Purmerend, Monnikendam 12, Schiedam alleen de burgemeester. In Zeeland, te Zierikzee acht regenten werden verplaatst, Middelburg zeven. De meesten waren doelpunten voor de aanklachten door de burgers geweest en hielden aan de Staten Partij ~ maar niet allen. Te Rotterdam, Utrecht, en Leiden de zuivering leidde tot ideologische verandering en voor een sterke toeneming van het gezag van de Prins.

Het Stadhouderschap van Willem III
                 Na de ramp in Juni 1672 volgden meer nederlagen. In Juli Nijmegen viel aan de Fransen, en een gedeelte van noord Brabant, terwijl Munster Coevorden, Drenthe, en veel van Groningen overstroomde. Bij het eind van de zomer, het meeste van de Republiek was in vijandelijke handen en de rest gegrepen in oproer en politieke verwarring. De enige provincie niet bezet en zonder oproer was Friesland. Groningen was door oorlog overspoeld met haar stad onder beleg, Het land in Gelderland, Overijssel, Utrecht en Drenthe werd geplunderd en verkracht.
                 De onderliggende spanningen in de politiek, de ideologie, en het sociale leven van de Nederlandse Republiek bleven, Willem III had meer macht in Holland, en een meer domineerende stand in de politiek dan enig andere Stadhouder in de geschiedenis van de Republiek behalve misschien Maurits, maar veel van de nieuwe regenten welke Willem had benoemd waren minder ervaren en meer omkoopbaar. De steden van Holland en Zeeland zagen het bezorgd aan en de invloed van de Oranje Partij verminderde.
                 Zo lang het land onder Franse en Munster bezetting lag, bleef tegenstand tot de Stadhouder stil ~ met alle aandacht op de oorlog. Het was bijna wonderbaarlijk dat de waterlijn hield en de Republiek gered werd. Verdragen getekend met de Keizer en Brandenburg (1672) bracht hun troepen tegen Keulen dat veroorzaakte Lodewijk zijn leger gedeeltelijk naar het zuiden te brengen, en gedurende de winter van 1672-73 groeide de Nederlandse verdediging koppiger.
                 In 1673 Frankrijk en Engeland tezamen probeerden de Republiek te verpletteren op zee, maar de verdediging van de Ruijter was toen waarschijnlijk zijn grootste prestatie en de Nederlandse marine berijkte de top van doeltreffendheid als een krijgsmacht. Aangevallen in Juni in het Zeelandse ondiep door een overweldigende vloot van 76 schepen met 4 812 kanonnen, de Ruijter gebruikte snelle manouvres om de vijand te dwarsbomen en te beuken. In een tweede zeeslag de volgende week hetzelfde. In de derde en laatste beproefing van kracht gooiden de Engelsen en Fransen alles in om een koers te ruimen voor een aanval op Holland vanaf de zee (een invatie macht stond al klaar in Engeland). De vijandelijke vloot kwamen tot 86 schepen en 5 386 kanonnen. De Ruijter bracht zijn veel kleinere vloot met slechts 3 667 kanonnen naar een slag voor Texel. Voor elf uren klonk een aanhoudend gedonder dat werd gehoord door het meeste van het Noord-Hollandse landschap waar een sombere bevolking in gebed in haar kerken zaten. Weer kwam de Ruijter er doorheen, verbrijzelde genoeg van de Engelse drie-dekkers om hen te dwingen het offensief te verlaten. Deze drie verliezen (gecombineerd met een Nederlandse zeerovers campagne rond Engeland, maar ook voor Noord Amerika, Spanje, en de Caribische gebieden), maakten het onmogelijk voor Karel II om met de oorlog door te gaan; in Februari 1674 werd vrede getekend, zonder dat Engeland enig voordeel had behaald.
                 Inmiddels stonden sinds Augustus 1673 Spanje en de Keizer met de Republiek; Frankrijk werd gedwongen om het leger in de Verenigde Provincien te verminderen en dit gaf Willem III een kans om het offensief te nemen. Zijn eerste overwinning was de capitulatie van een 3 000-man Frans garizoen te Naarden. In de volgende herfst drongen troepen van de Keizer en de Nederlanden Franse krijgsmachten terug van de waterlinie naar de IJssel. Twee maanden na Engeland (April 1674) moest Munster alles achterlaten en zich ook vernederd uit de oorlog trekken. In Mei de Fransen trokken terug van de IJssel en uit heel Gelderland en Overijssel.
                 Tot nu had Willem III zijn aanzien en populairiteit bevestigd door zijn vastbesloten gedrag in de verdediging van het land, en zijn gezag in de Republiek stond op het hoogste peil. Bij Juni 1674 hield Lodewijk alleen nog de twee vestingen van Grave en Maastricht. Het Nederlandse leger was aangrijpend verbeterd in de laatste twee jaar en was nu weer een grote en geoefende krijgsmacht. De Republiek had verbonden getekend dat vormden een schild tegen de mogelijkheid van vernieuwde Franse aanvallen. De jonge Prins verdiende lof, en in 1974 stemde de Staten van Holland de benoeming voor stadhouderschap eeuwig en erfelijk aan het Huis van Oranje-Nassau. Willem kreeg voldoende macht aangewezen voor een grote zuivering in de provinciele sijsteemen van Utrecht, Gelderland, en Overijssel. Gelderland bood een hertogschap aan met formeel sovereiniteit over de provincie.
                 Dit werd een sensatie door heel de Republiek. Oranje en zijn ondersteuners stonden ontsteld door de kracht van de ontkennende reactie ~ speciaal in Holland en Zeeland. Het werd ge-uit door sommigen van de regenten, maar het kwam vanuit een diepere gemeenschappelijke laag. Handelaren in Amsterdam, bijvoorbeeld, waren ontzet dat macht welke behoorde aan de Staten zou worden weggegeven. Het gerucht was dat dit was slechts de eerste stap naar soevereiniteit over al de Verenigde Provincien. Ook Delft, Leiden, en Haarlem stonden tegen het aannemen door de Prins van de hertog's-titel. Amsterdam zag het zelfs als een bres van de Unie en nam een goedkeurend besluit van de Staten van Holland niet aan. In 1675 de Prins weigerde de Gelderse titel maar toch bracht een nieuw 'reglement' in dat versterkte zijn macht zonder precedent in deze provincie. De laatste pluim op het imposante nieuwe bouwwerk van Stadhouderlijke macht en invloed was een verklaring door de Staten Generaal (20 April 1675) dat de ambten van kapitein-generaal en admiraal-generaal voor de Unie voortaan erfelijk aan de Prins van Oranje gaf.
                 De Prins werkte ook hard om zijn invloed in Friesland, Groningen, en Drenthe te vermeerderen en de jonge Stadhouder (1664-96) aldaar, Hendrik Casimir II, tegen te staan. (Na de dood van Frederik Hendrik in 1664 was een zijner dochters benoemd tot voogd van de toen zeven-jaar-oude Hendrik Casimir.) In 1675 werd het stadhouderschap van Friesland erfelijk in zijn lijn. Te Groningen en Drenthe was dit echter niet zo, en in 1676 kreeg Willem dit van Drenthe.
                 Vanaf 1677 een politiek tegenwicht aan de Oranje Partij en het beleid van Willem III ontwikkelde zich echter te Amsterdam. Het verschil tussen de Republiek onder staatkundig beleid van een domineerende Stadhouder, en een republiekaans regime zonder stadhouder was nu klaar als kant. Met de doorgaande oorlog waarvoor de reden was verloren aan de man op straat en onmogelijk hoge belastingen, en de slechte toestand in de handel, de Amsterdamse regenten hadden speciaal een hekel aan de eigenmachtige manieren van de Prins. Voor 1672 hadden vertegenwoordigers van de Staten Generaal 'in het veld' altijd een grote invloed op belangrijke militaire beslissingen, maar niet meer. De Prins gaf ook commissies in het leger, en had de buitenlandse diplomatiek overgenomen van de Staten Generaal. Het was te veel om aan te nemen.
                 Frankrijk was de Spaanse Nederlanden aangevallen in 1677, veroverde Valenciennes en belegerde St. Omer. Willem trok op met 30 000 Nederlandse, Spaanse, en Oostenrijkse troepen maar werd terug gedwongen met zwaar verlies. Zijn gezag werd meer dan een beetje geraveld. Onstuiming ging door Groningen en de Ommelanden. Nadat de Prins optreedde voor de Ommelanden stond Groningen met Friesland tegen hem. De steden van Holland weifelden. In November Willem trouwde met de Prinses Mary te London en Januari 1678 een verdrag werd getekend met Engeland.
                 Lodewijk probeerde de verschillen tussen de Prins en Amsterdam uit te buiten door een vrede aan te bieden met het opheffen van invoer belastingen tot groot voordeel van Holland ~ speciaal Leiden en Amsterdam wiens burgemeester overtuigde meest van de Hollandse steden. De Prins waarschuwde dat dit de reputatie van de Republiek zwaar zou beschadigen want het ging tegen al haar bongenoten, maar de Staten van Holland won een meerderheid in de Staten Generaal om het offer aan te nemen in Juni 1678. Toch gooide Lodewijk alles in de war door niet de bezette steden te verlaten en het Hollandse 'staak het vuren' werd gebroken. Op 2 Augustus, de Prins trok op aan het hoofd van 35 000 Nederlandse, Spaanse. en Brandenburger troepen. Verschrikt ging Lodewijk terug en Holland had haar politieke overwinning, maar Oranje was hoog ge-ergered ~ en de Keizer, Spanje, en Brandenburg ook. Voor jaren de Republiek was belast met de reputatie van een onbetrouwbare vriend.

Van Nijmegen tot de Engelse Revolutie
                 De vrede werd beslist te Nijmegen en Willem III ging terug naar den Haag. Heel Europa was nog in spanning en zo was het ook in Nederlandse binnenlandse zaken. De Staten Partij zag de vrede als goed voor de handel en een groot en duur leger zou niet nodig zijn, maar de Prins dacht over de vrede meer als een tijdelijke wapenstilstand. Dit verschil werd al zichtbaar tijdens het tekenen van het verdrag te Nijmegen. Van degenen die door de Prins voor ambten benoemd waren gedurende de vroegere zuivering in de Verenigde Provincien en na Nijmegen in de Spaanse Nederlanden, is het moeilijk te zeggen of zij meer omkoopbaar waren dan het standaard elders in Europa in deze tijd, maar het was al een kwestie voor Nijmegen dat barste soms uit tot een publiek schandaal.
                 Inmiddels staakte de internationale spanning niet. Lodewijk was al in 1679 begonnen met het in beslag nemen van wettelijk onafhankelijke steden langs de grenzen van Spaans Nederland, Lorraine, en Alsac. Frankrijk hechtte Strasburg aan in 1681 en de positie van Lodewijk was sterker dan ooit. De Stadhouder zijn geschil dat Nijmegen maakte Frankrijk sterker en de Republiek en haar bondgenoten zwakker werd nu gezien als terecht. Lodewijk bedreigde Luxemburg in 1682, en het volgende jaar verzamelde troepen langs de grens met de Spaanse Nederlanden. Hij had in geheim de Turken aangemoedigd om weer Wenen aan te vallen zodat de Keizer hem niet kon belemmeren.
                 Oranje wilde met 16 000 troepen naar het zuiden als een reserve voor de Spaanse Nederlanden onder de termen van het genootschap met Spanje, maar Amsterdam stond hier sterk tegen. Doch de Prins trachtte in persoon de provinciele staten te overtuigen, de volksmening was nu tegen hem en het werd vaak gezegd dat Oranje had nu te veel gezag en zocht soevereiniteit over heel de Republiek. 'Een tiran,' zegden sommigen, of 'de moordenaar van de Witt', een 'bedrieger van zijn ambt en land' . . . 'met geen vriend maar de ellendige Spanjaard'. De Europeaanse crisis concludeerde Augustus 1684, en de Prins had weer een ernstige slag op zijn aanzien ondergaan.
                 Oranje begon nu een beleid met minder tegenstelling en meer onderleg en overeenkomst. Er was een intens debat In de winter van 1684-85 over militaire uitgaven, welke in 1682 vergroot werden tot bijna een millioen gulden per maand. De marine, daarentegen, was bekort en Amsterdam betoogde dat de Republiek haar marine had laten gaan en de Engelsen de heersers van de zee laten worden. De stad werd gesteund in de Staten van Holland door Delft, Leiden, en Dordrecht, en in de Staten Generaal door Friesland en Groningen. Willem III onderhandelde de zaak, en nam sinds deze tijd nooit meer een belangrijk initiatief zonder de medewerking van Amsterdam vast te leggen. Vanaf deze periode had de Prins goed werkende verhoudingen met al de Hollandse steden welke hem sterk tegen hadden gestaan (Amsterdam, Leiden, Dordrecht, en Delft).

De Republiek en de "Glorious Revolution"
                 De koers van Nederlandse en Britse geschiedenis veranderde aangrijpend tussen 1688 en 1691 door een van de meest gewichtige gebeurtenissen in de wereld: de Engelse Revolutie ~ de onttroning van de Stuart monarchie in Britannie, en dan de kroning van Willem en Maria in een nieuw grondwettige monarchie met het Engelse Parlement in het overwicht. Hierin was Willem III de hoofdpersoon. Hij was een neef van Karel en Jacob en getrouwd met de laatste zijn dochter en had een natuurlijke interesse in de toekomst van de Britse troon.
                 Terwijl Karel II op de Engelse troon zat (1660-85) scheen het onmogelijk dat zoiets zou kunnen gebeuren, en in het eerste jaar van Jacob II een opstand werd neergeslagen. Koning Jacob zag zelfs de kans om een 40 000-man leger direct onder zijn gezag te zetten in een groot uitbreiden van zijn macht. Oranje zag het aan maar kon niets doen om zijn dijnastisch voordeel in Engeland te promoveren ten tegendeel van Holland ~ voor wien Frankrijk (en niet Engeland) de focus van attentie was.
                 In Augustus 1687 Lodewijk XIV keerde weer naar een strijdlustige anti-Nederlandse handelsgeest. Het begon met een verbod op invoer van Nederlandse haring zonder Frans zout, dan in September met het terugzetten naar tariefen van 1667 dat verdubbelde accijnzen op verfijnde stoffen en fabrieksproducten. Er ging meteen een storm van woede door de Verenigde Provincien want hiermee scheurde Lodewijk het verdrag van Nijmegen in stukken. De 'guerre de commerce' van Lodewijk werd een regeling voor aanhoudende en sijstematische woeste aanvallen op mercantiel Nederland.
                 Dit zou tot oorlog komen, en nu was een kans voor Oranje om de zorgen over een mogelijk nieuw verbond tussen Engeland en Frankrijk uit te buiten. Voordat dit kon gebeuren openbaarde de Prins ~ in een geheime sessie van de Staten van Holland September 1688, een strategisch plan om Engeland binnen te vallen. Hij had er al jaren aan gewerkt. Het was een onmetelijk risico voor Stadhouder, Staten van Holland, en Staten Generaal, om de beste regimenten van het Nederlandse leger met de grootste kanonnen, 5 000 paarden, en de oorlogsvloot naar Engelse stranden te sturen door de herfststormen op de Noordzee. Ondertussen moesten zij de krijgstmachten in de Lage Landen mobiliseren voor oorlog want Lodewijk zou dit zeker verklaren.
                 De Nederlandse vloot dat op Engeland viel November 1688 was viermaal zo groot als de Spaanse Armada in 1588. Voor een krachtige oosterlijke 'Protestantse' wind, dat hield de Engelse vloot in de Thames, Oranje zeilde door het Nauw van Calais terwijl kanonnen donderden in saluut met soldaten op parade met trompetten en trommels op dek. Het landde op Devon en in korte tijd het leger greep Exeter. Engelse steun voor de invatie was schaars, maar in een toespraak door Oranje te Exeter vertelde hij de lagere adel dat hun 'military assistance' niet nodig was maar alleen hun 'countenance and presence'. Oranje en zijn leger trokken London binnen op 18 December. Engelse regimenten (inclusief de Paleiswacht) stonden ~ onder bevel van de Prins, twintig mijlen buiten London; alleen Nederlandse troepen in de stad.
                 Willem III en Maria werden officieel mede-soverein van Engeland in Februari 1689. In Mei bracht de Stadhouder-koning ~ zoals hij nu was, Engeland en Schotland in de oorlog tegen Frankrijk maar moest toch de Nederlandse troepen in Britannie en Ierland houden tot 1691 en de Engelse marine een hoofdrol laten spelen op zee. Dit laatste feit bezorgde de Republiek grote ongerustheid, en het werd zelfs gezegd dat Willem had nu niet alleen drie Koninkrijken (Engeland, Schotland, en Ierland) maar ook een vierde ~ met name de Verenigde Provincien.

De Laatste Jaren in het Stadhouderschap van Willem III
                 Niemand in de Nederlandse politiek geloofde in de mogelijkheid voor een eerlijke behandeling met Lodewijk XIV of zelfs dat hij enigzins betrouwbaar was tot Frankrijk ernstig verzwakt was en zijn ambities aan een eind. Dit kon niet zonder het verbond met Engeland en hand-in-hand met Oranje, en voor deze redenen was het gezag van de Stadhouder-koning niet aan te vallen. De standing van Willem was dus bekrachtigd door internationale economische en strategische zaken, maar ook versterkt door zijn beleid voor verdraagzaamheid in de Republiek en in Britannie. De Stadhouder bewees dat hij aan het hoofd stond van de verdedigers van Katholieken, Mennonieten, en Joden. Dit nam de wind uit de zeilen van zijn tegenstanders. De 'echte vrijheid' werd dus achteruit gezet.
                 Tezelfdertijd daalden lonen en het standaard in levensonderhoud, terwijl huren voor arme mensen hoger werden maar de prijzen voor weelderige huizen zakten. Werkgelegenheden verminderden sterk. Er was niet veel oproer in de Hollandse steden maar genoeg om te zien dat het de gewone man niet makkelijk was. De ergste verstoring nam plaats in 1696 te Amsterdam over verhoogde belastingen voor de doorgaande oorlog dat eigenlijk op schaakmat stond.
                 Willem III, met de raadpensionaris van Holland, begon in 1693 een lange serie van geheime onderhandelingen met het Franse hof, dat over de volgende drie jaar de beginsels voor een vrede verdrag opzette. Het merkwaardige kenmerk van deze onderhandelingen was dat noch het Engelse Parlement, noch de Nederlandse provinciele staten of de Staten Generaal, enig deel noch zelfs enig idee hiervan hadden. Een vrede was geconcludeerd te Rijswijk maar het werd 1699 voordat Lodewijk eindelijk de tariefen op de Nederlandse koopvaardij ophefte. Het versterkte de mening in de Republiek dat het onmogelijk was om Lodewijk te vertrouwen.
                 De internationale status van Willem, en zijn aanzien, scheen hoog te staan, naar eigenlijk was niets bevestigd, en vanaf deze tijd tot zijn dood in 1702 het gezag en aanzien van Oranje (in Nederland en Britannie) verminderde gestadig.

Kunst en Bouwkunde
                 Een nieuwe richting in Nederlandse kunst en bouwkunde kwam met de nieuwe economie vanaf de late 1640ers, toen de soberheid van het begin der eeuw werd achtergelaten. Veel tijdgenoten namen in acht dat de fijnste, grootste, en meest schitterende gebouwen en beeldhouwwerken te Amsterdam, Den Haag, Leiden, Haarlem, en Dordrecht, werden verwezenlijkt in de 1650 en 1660er jaren. Dit was ook de meest uitgebreide periode in de Gouden Eeuw voor stedelijke ontwikkeling en ontwerpen. Hetzelfde vond plaats in de schilder- en decoratiefe- kunsten. Het was het toppunt van omvang, raffinament, en internationale invloed, van Nederlandse prestaties in vakkundigheid en kunst.
                 In de jaren van de 1620- en 1630-ers, de landbouw ontplooide als nooit eerder, en werk aan landontginning en het afvoeren van water nam sterk aan. De steden, echter, ondanks een ongewoon hoge vermeerdering van inwoners, besteedde weinig en herhaardelijk stelde plannen uit voor huizen, stadsmuren en poorten, kerken, havens, en scholen. Maar bij 1640 besefden de steden dat om te bloeien moesten zij arbeid, vaardigheid en vakkundigheid, en kapitaal aantrekken. De bewegingsstuwkracht was sociaal en economisch welke stond achter het snelle verstedelijken en ontwikkelen in Holland en Zeeland. Vanaf 1647, grote ontwerpen werden uitgevoerd te Rotterdam en Den Haag, en Dordrecht had haar haven uitgebreid. In 1648 Amsterdam bouwde een nieuw Stadhuis (het meest indrukwekkende werk van bouwkunde ooit uitgetrokken in de Republiek), Leiden herbouwde de stadspoorten en de Marekerk, Vlissingen haar derde kerk in 1650, Leiden had plannen voor een nieuw stadsdeel, Haarlem herbouwde de binnenstad en bij 1671 zou grootschalig uitbreiden. Amsterdam vanaf 1663 had nieuwe wijken gebouwd en grachten gegraven in de binnenstad waar nu weelderige herenhuizen langs stonden. Middelburg, Groningen, Utrecht, waren ook bezig met verbeteringen om aanzien te houden en om stadsliefde in de burgerij te verhogen.
                 Er was een wedijver tussen steden dat was economisch maar ook politiek en artistiek. Praktische beweegredenen hadden een overwicht maar schoonheid was ook een groot oordeel ~ en dit stuwde een hechte wisselwerking tussen architectuur, beeldhouwkunde, schilderen, en de decoratiefe kunsten. Meest van de grote kerken in de Republiek werden gebouwd in de jaren 1645-75: de achtkantige Marekerk te Leiden, de Nieuwe Kerk van Haarlem, de Oostkerk (misschien de mooiste) in Middelburg, de prachtige Nieuwe Kerk te Den Haag ~ haar derde, maar de eerste nieuw-gebouwd in eeuwen. Amsterdam had al vroeger verschillende kerken gebouwd en nu voegde de Oosterkerk daaraan toe.
                 Te Amsterdam, het meest opzienbaar was de niet-Hervormde gemeenschappen met monumentale gebouwen voor godsdient: een grootse ronde Lutheraanse kerk met plaats voor 5 450 gelovigen, het hoofd Asjkenazische sijnagoge, en de Joods-Portugese sijnagoge dat was een van de grootste gebouwen in Holland ~ deze waren de eerste indrukwekkende sijnagogen in West-Europa.
                 De stedelijke uitbreidingen en nieuwe gebouwen sterk beinvloedde de schilderkunst in veel opzichten. Nieuwe genres van stadsgezichten en stedelijke panoramas kwamen op, en een groeiende interesse in het schilderen van bouwwerken ~ realistisch en minutieus gemeten. Veel schilderijen waren ook nodig voor de interieuren van weelderige publieke gebouwen (zoals het Amsterdamse Stadhuis), in de herenhuizen langs de grachten, en voor de landelijke villas dat nu in grote getallen in de buitenwijken stonden ~ de enen moesten imposante publieke met een republikaans thema, de anderen grote weelderige en geraffineerde. Land- en zeegezichten werden ook groots ~ zeeslagen werden zelfs door schilders geschetst vanaf een dichtbij gelegen jacht. De groeiende koopvaardij naar de Levant leverde dure schilderijen met ruinen van de oudheid, geketende slaven, zuidse havens, en lichtgeklede vrouwen, in een uitheemse, kalme wereld in schitterend licht.
                 Talrijke Nederlandse artiesten vonden welzijn en roem. Te Haarlem en Amsterdam schilders werkten voor de export, maar een hoge evenredigheid van schilderijen bleven in de stad waar zij gemaakt werden. Van het werk van Jan Vermeer het meeste bleef in Delft tot lang na zijn dood. Aelbert Cuijp, Samuel van Hoogstraeten, en Nicolaes Maes, woonden bijna levenslang in Dordrecht waar zij ook hun meeste werk verkochten. De gilden moedigden in veel van de steden aan om het werk van plaatselijke leden te kopen. Kunst was een pad naar vermaardheid, uitnodiging naar de tafels van hoogstaand en machtige mensen, en aandacht van buitenlandse hoven.
                 Van 1650 tot 1672 de ambt voor Stadhouder stond leeg voor Holland en Utrecht, waar de grootste omvang in kunst plaats nam en de Staten Partij wilde het bewustzijn van de burgerij verbeteren met haar politieke en sociale idealen en waarden ~ het ophemelen van burger bezieling, oprechtheid, en gemeentelijke deugd. Hiervan kwam een specifiek republikaans Nederlandse kunst ~ speciaal te Amsterdam. Het onderwerp van schilderijen werd vaak de oude Romijnen, maar natuurlijk ook de Opstand tegen Spanje. In deze republikaanse kunst werden ook heldendaden van tijdgenoten geprezen maar zelden de regenten. Noch wilde het militaire veldslagen verheerlijken want dat zou het aanzien van de Prinsen van Oranje verhogen, maar de grote admiralen van de tijd waren Hollanders en Zeelanders welke zich niet met de politieke wereld bemoeiden en konden dus veilig geloofd worden. Belangrijk waren dan ook de monumentale graftomben (geplaatst door de Staten Generaal en de Staten van Holland en Zeeland ~ te Delft, Amsterdam, Utrecht, en Zeeland) in herdenking van de voornaamste admiralen gesneuveld in zeeslagen.
                 De Franse aanval in 1672 stoorde de Nederlandse kunstwereld hetzelfde als de rest van de economie want heel de gemeenschap viel in een grote verwarring; niemand wilde aankopen, iedereen wilde verkopen. Veel van de villas langs de Vecht werden gestroopt door Franse soldaten en de kunst waarmee de villas vol stonden werd gegapt en verkocht voor lage prijzen. De markt viel, handelaren gingen failliet, en het ruineerde en verplaatste veel kunstenaars. Het was ook niet tijdelijk maar een crisis dat doorging tot de vroege achtiende eeuw. Minder geld betekende slechtere kleurstoffen en minder zorg en gedurende deze tijd ging de kwaliteit van schilderen achteruit.
                 Doch de kunstwereld werd ernstig gestoord, het was niet gedecimeerd. Dezelfde vakkundigheid en bekwaamheid was moeilijk te vinden in het buitenland en het aanzien dat Nederlandse kunstenaars genoten bleef zeer hoog. In de Republiek van de mid-zeventiende eeuw, zoveel werkten hier dat zelfs na deze grote vermindering toch nog veel meer kunst hier werd gemaakt dan ergens anders in Noord-Europa, en het had nog steeds de meest vermaarde schilders.

Stoornis in het Intellectuele Leven
                 De zeventiende eeuw was een tijd voor een 'Nieuwe Filosofie', een 'Wiskundige Revolutie', en een 'Crisis in het Europeaans Verstand'. Het was een van de meest beslissende veranderingen in de intellectuele, kulturele, en geloofs geschiedenis van de westerse wereld ~ maar het nam niet overal plaats gedurende dezelfde tijd. Drie landen ~ Engeland, Frankrijk, en de Nederlandse Republiek, stonden vooraan, en de laatste nog voor de andere twee. Daarom is deze geschiedenis in de Verenigde Provincien van het grootste belang om de intellectuele gebeurtenissen in heel Europa te begrijpen.
                 Rene Descartes (wijsgeer, wiskundige, en natuurkundige ~ geb. 1596 te La Haye in Frankrijk) leefde tussen 1628-49 zeer teruggetrokken op verschillende plaatsen in Nederland ~ Franeker, Amsterdam, Utrecht, Leeuwarden, Egmond, Harderwijk, Endegeest . . . . Hier werden zijn grootste werken uitgegeven en begon de strijd over zijn mechanistisch wereld opzicht. .Bij 1640 zijn denkbeelden drongen de universiteiten in en verspreidde in meer en meer terreinen van denken en onderzoek. Orthodoxe theologen (zoals Gijsbert Voet) vonden zijn leer onaangenaam en in Utrecht werd het in 1642 als atheistisch verboden, maar dit veroorzaakte alleen een fel verschil met wat eigenlijk werd geleerd. In 1651 alle vijf universiteiten hadden een ban op de Descartische leer maar dit werd verijdelt door de voornaamste lectoren welke het in steeds toenemende mate verspreidde.
                 De tegenstand tot het denken van Descartes was dat het op twijfel en onzekerheid rustte en dit betekende dat het de principes van Aristoteles afwierp waarbij al de vastgestelde religie, filosofie, en wetenschap om werden geworpen. De Nederlandse academici welke dit ontkende waren oprechte aanhangers van de publieke Kerk en goede Calvinisten, en zij dachten dat Descartes de filosofie had losgemaakt van theologie en dat de opzet van geloof en dogma onaangetast bleef. Maar met vertalingen in het Nederlands van de Latijn waarin Descartes geschreven had, het verspreiden naar de gewone man maakte de tegenstanders woedend. Eenvoudige mensen, zegden zij, zaten thuis en in de tavernen in opwinding te bespreken of de aarde om de zon draait, en of God echt de zon stil in de hemel liet staan voor Josia.
                 De Hervormde Kerk bracht de strijd naar de Staten van Holland bij 1656 met verzoeken om het ondermijnen van de autoriteit van het Heilige Schrift stop te zetten. De Universiteit van Leiden vroeg voor een edict dat scheidde filosofie van theologie en in antwoord trefde de Staten een maatregel hiervoor. Het edict kreeg goedkeuring van al de Hollandse stadsraden behalve Leiden (welke stond sterk voor Oranje). De Zuid Hollandse Hervormde Sijnode nam het aan als een manier om uniformiteit te behouden in universiteit en Kerk en om schadige scheuren te voorkomen. Dit verwijderde de hindernis voor onderwijs en het bespreken van de leer van Descartes in filosofie en wetenschap.
                 Hierna stilde het geschil in Leiden en Utrecht maar nu werd het hevig in Gelderland, Groningen, en speciaal in Friesland. In 1660 de Sijnode van Gelderland regelde voor de benoeming van een Descartes aanhanger als professor van theologie aan de Nijmeegse Hogeschool; een andere benoeming voor professor van filosofie te Franeker werd sterk tegengestaan door predikers aldaar, maar in 1668 de Sijnode van Friesland wees een verzoek voor een reglement banning de leer van Descartes af.
                 Alles veranderde met het overwerpen van het regime van de Witt en met het stadhouderschap van Willem III in 1672. Nu stonden de aanhangers van Descartes niet meer zo hoog en werden zelfs aangevallen. Descartes was zelf al in 1650 te Stockholm overleden en Spinoza werd nu een doel. In een brief van 1675 klaagde Spinoza dat Hervormde predikanten hem aan de Prins beschuldigden.
                 Te Utrecht een nieuwe professor roeide Descartes uit de filosofie. Te Leiden in 1676 directeuren maakten een lijst met twintig strikte Decartes stellingen welke zij voorstelden als verderfelijk en niet te onderwijzen in theologie of filosofie, noch in de wetenschappen. De Prins van Oranje keurde het goed en nieuwe lectors moesten de leer afwijzen. Het was een academische ontwikkeling maar met een grote invloed op geschoolde mensen en het geletterde publiek. De Leidse lijst verkocht 2 000 exemplaren in enkele dagen uit boekenwinkels te Amsterdam ~ welke stonden vol met boeken en pamfletten over de geschillen.
                 In Friesland echter (gedeeltelijk omdat Willem III er tegen stond), Stadhouder Hendrik Casimir en het hof steunde de leer van Descartes, en in 1677 benoemde een voorstander aan als lector voor theologie te Franeker. De Sijnode van Friesland stond in wezen sterk hiervan gescheiden. Maar een nog sterkere aanhanger van de leer van Descartes werd aangezet in filosofie. Over de volgende tien jaar of zo moest de Staten van Friesland herhaardelijk ingrijpen om Franeker redetwisten te kalmeren.

De Universiteiten
                 Gedurende de zeventiende eeuw de universiteiten en academische kultuur in de Nederlandse Republiek werden vermaard in Europa. Met Engeland en Frankrijk was het een van de middelpunten voor intellectuele krachtsinspanningen voor meer dan honderd jaar, maar haar universiteiten overtrefden die in alle andere landen in de omvang en betekenis van academische prestaties. Na de Reformatie de scheur van religie dat ging door heel Europa betekende dat er was niet meer alleen een academische wereld gesteund en gecontroleerd door de Katholieke Kerk. De hogescholen en universiteiten in de Verenigde Provincien waren Protestantse inrichtingen ~ en tezelfder tijd, de meest belangrijkste Nederlandse universiteiten (te Leiden, Utrecht, en Franeker) samen maakten een academisch tribunaal dat was internationaal.
                 De vijf universiteiten (met de grote drie ook Groningen en Harderwijk) hadden zo veel studenten als Oxford en Cambridge (Engeland) en een-derde tot de helft van hen kwamen uit het buitenland. Velen kwamen vanuit de protestantse landen in het oosten (Duitsland, Hongarije, Pruisen, Polen) om theologie te studeren; ook uit Frankrijk, Engeland, en Schotland; de meesten uit Scandinavie zaten in de faculteiten voor medicijnen en rechtskunde en ook die voor kunsten. De voorrang van het onderwijs in medicijnen te Leiden was algemeen herkend voor het hoge peil van de werkelijke opleiding en klinisch onderzoek ~ speciaal na de instelling van een universiteit ziekenhuis in 1637.
                 Denen, Zweden, en Finnen zaten in al de faculteiten en speciaal volgden klassieke en taalkundige studies. Tussen 1640 en 1660 bijna de helft van de professoren te Uppsala (Zweden) en te Abo (Finland) hadden in Leiden afgestudeerd, en in Denemarken de meeste wiskundigen, geneesheren, en wetenskundigen van enig aanzien hadden ook hun opleiding gevonden in de Verenigde Provincien.
                 Toen de leer van Descartes zich verspreidde, nam het Nederlandse universiteitsleven een gevoel aan van geestelijk stimulerende opwinding. Veel van de voornaamste regenten in de laatste helft van de eeuw hadden een hoge interesse in de nieuwe onderwerpen welke zij meestal als studenten te Leiden hadden aangenomen.

De Wetenschappen
                 De filosofie en wetenschap van Descartes oefende een grote invloed uit op de Nederlandse kultuur vanaf de 1640ers, maar er waren nog twee andere drijfveren met een grote invloed op Nederlandse wetenschappen tot ver in de achtiende eeuw: het vooruit brengen van een ontwikkelende technologie, en de goede gevolgen van de 'rijke handel' welke bracht voort onder rijke groothandelaren en regenten een passie voor het verzamelen en rangschikken van 'rariteiten' ~ uit het plantenrijk en de dierenwereld, fossielen, schelpen, en mineralen. Dit laatste werd in feite een van de meest belangrijke bijdrage aan de Europeaanse Verlichting.
                 Christiaan Huijgens (geb. 1629 te 's-Gravenhage) was het meest universele genie dat Nederland voortbracht, alleen te vergelijken met de allergrootsten als Galilei en Newton. Het merkwaardige is dat zijn figuur groeide tot ver in de twintigste eeuw met nieuwe vondsten van onbekende schatten in zijn nagelaten papieren. Hij was een grote wiskundige, een volleerd sterrenkundige, met een veelomvattende aanpak voor wetenschappen en technologie. Hij maakte en verbeterde telescopen en microscopen; in 1656 vond hij de slingerklok uit welke hij begon (met een deskundige) te fabriceren ~ voor het eerst met een secondewijzer. De admiraliteit werd door hem gewezen aan gebruik op zee om de geographische lengtegraad te vinden. Zijn meest voortdurende bijdragen kwamen in de leer van het zien bevattende de beroemde golftheorie van het licht.
                 Spinoza had zo veel interesse in en deed zo veel proeven met microscopen dat zelfs Huijgens toegaf dat de instrumenten van de filosoof meer geavanceerd waren dan de zijne, maar het was de zoon van een Amsterdamse apotheker welke het gebruik van de nieuwe instrumenten buitengewoon uitbuitte. Jan Swammerdam (geb, 1637 te Amsterdam) studeerde medicijnen te Leiden en Saumur (Frankrijk) en kwam daarna terug naar Amsterdam waar hij zich bijna uitsluitend aan anatomische en entomologische studies wijdde. Zijn werk muntte uit door scherpzinnigheid en wetenschappelijke zin. Zijn 'Algemeene verhandeling der bloedeloose dierkens' (1669) legde de grondslag voor de natuurlijke indeling der insecten, maar zijn onderzoeken in de mechaniek van het lichaam waarbij hij bloedlichaampjes ontdekte en de structuur van menselijke hersens, longen, en ruggegraat merg, waren onbekend tot de 'Bijbel der Natuure' werd uitgegeven in 1737.
                 Zijn opvolger was Antonie van Leeuwenhoek (geb. 1632 te Delft). Hoewel volkomen dilettant, besteedde hij al zijn vrije tijd aan de studie van de natuur en werd wereld beroemd. Hij had ook een wetenschappelijke aanpak doorgedrongen met de mechaniek van Descartes ~ in onvermoeibaar onderzoek van anatomie, entomologie, en plantkunde. Hij had in hoge mate een vaardigheid in het maken van lenzen en maakte microscopen tot 500-maal vergroting. Van Leeuwenhoek ontdekte de bacterium, en onthulde het structuur van sperma. Zijn mededelingen, welke muntten uit door nauwkeurigheid en strenge waarheidsliefde, kwamen meestal in brieven (geschreven in het Nederlands) aan verschillende geleerden en werden door de ontvangers in Latijn vertaald en gepubliceerd.

De Anti-Socinianisme Beweging
                 Lelio Sozzini (geb, 1525 te Siena, Italie) een jurist, had een persoonlijke betrekking met Calvijn in 1547, in 1588 was te Krakau. In geschriften sprak hij twijfel uit aan de voornaamste dogmas der Kerk: de godheid van Christus, de drie-eenheid, de erfzonde. Zijn neef Fausto Sozzini (geb.1539 te Siena) ging van rechtswetenschap tot de theologie over. Hij ook was te Krakau en later Rakow. Het Socianisme is het stelsel ontwikkeld door hem als de Rakowse Cathechismus in 1605. Hij is de stichter der Socinianen.
                 Gedurende de jaren onder het verdraagzame beleid van Frederik Hendrik in de 1640ers, moesten strenge Calvinisten terug stappen van het vervolgen van Katholieke godsdienstige bijeenkomsten, en de ongecompromitteerde onverdraagzaamheid voor Remonstranten, zoals in 1619. Zij moesten aanvaarden dat ~ in de Republiek ~ Katholieke godsdient in een woonhuis (zo lang het niet te veel bijwoners had) buiten hun terrein lag.
                 Maar de strenge levensopvatting van Gijsbert Voet en zijn volgers (de zgn. Voetianen) konden de ontkenning en het verwerpen van dogmas niet aannemen. De beweging tegen Socianisme vanaf ongeveer 1650 bleef een groot gedeelte van het Nederlandse denken en kultuur in de volgende half eeuw, en werd de stuwkracht (en een rechtvaardiging) voor een beleid van onverdraagzaamheid tegen vrijheid van geweten en geloof. De Kochejanen (aanhangers van de 'onorthodoxies' van Johannes Koch) doch minder strikt, konden het Socianisme evenmin aanvaarden.
                 In 1653 de Staten van Holland verbood Sociniaanse conventikels, winkels met boeken welke de drie-eenheid (vader, zoon, en de heilige geest) ontkenden werden beboet 1 000 gulden en drukkers 3 000. Stappen werden genomen eerst in Zeeland, dan door heel Holland en in Utrecht, en dan ook door de Staten van Friesland en Groningen. Dit werd gedeeltelijk gedaan om politiek aanzien te behouden maar ook gedeeltelijk omdat een echt anti-socinianisme bestond in al met uitzondering van de meest onbevooroordeelde regenten.
                 In Holland, na een paar jaar, de anti-Sociniaanse beweging verminderde tussen 1660 en 1672, maar niet zo in de andere provincies. In de 1680ers de Sijnode van Overijssel werd geschrokken door een groeiende invloed van het Socinianisme onder Mennonieten rond Blokzijl, en te Groningen de raad aldaar moest het herhaardelijk onderdrukken tot 1712. In Friesland werd het een belangrijke kwestie: een felle aankondiging uitgegeven in 1662 waarschuwde met boetes en gevangenisstraffen, en bemachtigde Hervormde predikanten met het 'ondervragen . . . van personen welke verdacht worden' voor een politierechter ~ een soort informeel inquisitie nooit gezien in Holland. De uitkondiging werd hergeven in 1687 toen dringende geschillen opkwamen te Leeuwarden, Harlingen, en in kleinere plaatsjes.
                 De Nederlandse Republiek had zonder twijfel meer vrijheid dan andere Europeaanse maatschappijen gedurende deze tijd, en verdraagde meer kerken en geloven dan enig ander. Velen werden toegestaan hun boeken uit te geven en zelfs hun eigen verklaringen op het Schrift. Toch hield de Republiek aan met een veelomvattende censuur dat bracht teweeg een echte en geduchte hinder tegen het uiten van zekere meningen van geloof en filosofie.

Radikaal Gevolg van Descartes en Spinoza
                 De stellingen van Descartes en de Kochejanen tezamen maakten een brede stroom van onbevooroordeeld denken in filosofie, theologie, en wetenschappen in de Nederlandse Republiek gedurende de laatste helft van de zeventiende eeuw ~ welke was buigzaam in theologie, vedragelijk tegenover vernieuwingen in filosofie, en vurig om de mechaniek van Descartes uit te breiden. Doch deze stroming buiten universiteit, gemeentelijk beleid, en de publieke Kerk liep, het ondertekende de strenge grenzen waarover geen filosoof, theoloog, wetenschappelijke, en dichter mocht stappen.
                 Denkers welke zich over de beperking waagden gingen een gevaarlijk gebied in. Spinoza werd uit de sijnagoge gestoten in 1656 over het 'filosofisch' onderhandelen van God en het Schrift te betwijfelen en dat van rabbinaal gezag. Bij 1662 schreef hij tegen goddelijk tussenkomen in het leven van de mensheid en het bestaan van de duivel. "Ik kan God van de Natuur niet scheiden," schreef hij aan een correspondent te London, "zoals ieder andere kennis heeft gedaan." Zijn geschrift van 1662 werd niet uitgegeven tot de mid-achtiende eeuw.
                 Spinoza was een onmetelijk machtige denker die een grote indruk leende aan degenen om hem heen, en een kring had gevormd te Rijnsburg (waar hij voor een tijd woonde) en Amsterdam dat was toegeweid aan het lezen en bepraten van zijn handschriften en klaarstond om 'de waarheid te verdedigen tegen wie bijgelovig kerkelijk is . . . en tegen de aanvallen van de hele wereld'. Spinoza was geen kluizenaar, maar een strevende filosoof en een politieke realist ~ hij wist wat hij kon en niet kon schrijven en uitgeven. Zijn doel was een radikaal veranderen van de filosofie net zo ingrijpend als Descartes maar daar kon hij niet mee uitkomen. "Ik zal zwijgen liever dan dwing mensen naar mijn overtuiging tegen de wil van mijn land en zet hen tegen mij," schreef hij naar London. Tezelfdertijd werkte hij aan zijn hoofdwerk 'Ethica', dat slechts na zijn dood in 1677 anoniem werd uitgegeven (en waarin hij de eeuwiglevende ziel ontkent).
                 Verschillende leden van de Spinoza kring schreven wel ~ anoniem, of betaalde er duur voor als een echte naam werd gedrukt. Een van hen kreeg tien jaar gevangenisstraf, een 4 000 gulden boete, en overleed achter de tralies in 1669. Zijn broer was ook aangeschuldigd maar werd vrijgelaten door de magistraat te Amsterdam op het principe dat in de Verenigde Provincien een burger, die niet boeken heeft geschreven of mensen heeft vergaderd, niet gestraft kan worden voor ongoddelijke meningen,
                 In het anoniem (en in Latijn) 'Tractatus Theologo-politicus' in 1670 uitgegeven te Amsterdam ~ vervalst als 'Hamburg ', Spinoza schrijft dat hij mens en maatschappij los wil zetten van bijgeloof gekoesterd in angst en dus van intellectueel slavernij. "Geloof," schreef hij, "is slechts een leerstelling geworden van lichtgelovigheid en vooroordeel." Het gaf onmiddelijk aanleiding tot een woeste storm door heel Holland. Het boek werd door de overheid gegrepen uit de winkels te Leiden en de Zuid Holland Sijnode volgde dit met instructies om hetzelfde te vragen van al de politierechters in de andere steden. Maar het boek had niet alleen een slechte invloed. Zeker had het een brede invloed en veranderde het denken van velen met het hoogste verstand.
                 In 1693 werd de 'Tractatus' vertaald in Nederlands, en het verspreiden naar de burgerij veroorzaakte een felle reagering van stedelijke en kerkelijke gezaghebbers dat had lange en grote gevolgen in de geschiedenis der geest en kultuur van de Verenigde Provincien tot het eind van de achtiende eeuw en zelfs later.

De Dood van de Duivel
                 Een van de voornaamste bijdragen van Spinoza aan Europeaans denken was zijn ontkenning van Satan en duivels in het algemeen. Als het gebeurde was dit ook het grootste twistpunt van de vroege Nederlandse Verlichting dat barstte uit in de 1690ers. Aanhangers van Descartes hadden een breed intellectueel milieu in de Verenigde Provincien gemaakt waarin Satan, demonen, hekserij, en ook engelen, gereserveerd en skeptisch werden aangeschouwd.
                 Balthasar Bekker (geb. 1634 te Metslawier) werd predikant te Oosterlittens, Franeker, Loenen aan de Vecht, en Amsterdam. Reeds in 1657 trok hij te velde tegen spokerij en schreef 'Gerijmde kinderleer'. Hij publiceerde zijn gehele leven, over de leer van Descartes, cathechetische werken, en in het noodjaar 1672 door kloeke taal en wijze voorstellen had krachtig meegeholpen aan het behoud van de noordelijke gewesten. Dit alleen zou een ereplaats in de geschiedenis der beschaving verzekeren, maar zijn levenswerk 'De betooverde wereld' in vier delen uitgegeven 1691-93 kroonde hem met onsterfelijke roem ~ doch het boek kostte hem zijn ambt na een langdurig kerkelijk proces.
                 Het meeste dat Bekker beweerde was uit de Bijbel getrokken. Niemand (noch Job, Paul, of Christus), schreef hij, had ooit de Duivel gezien, en hij schilderde het Heilige Schrift als vol met dichterlijke vrijheid en figuurlijke spraak op maat gemaakt voor de lichtgelovige begrippen van de Hebreeuwen in de oudheid. Omdat het boek in het Nederlands en Fries was uitgegeven werd hij beschuldigd met het verspreiden van de bedervingen van Spinoza naar de armen, de ongeschoolden en de half-geletterden, en met het bemoedigen van elke middelmatige theologie student om te beweren dat deze of andere passage in de Staten Bijbel verkeerd was vertaald uit het Hebreeuws of Griek. Dat het publiek inderdaad een hoge belangstelling voor het boek had is zeker ~ 5 000 exemplaren te Amsterdam, en 750 van de Friese editie, werden uitverkocht in een paar dagen.
                 De tegenstanders van Bekker (en de leer van Descartes) ~ de Voetianen probeerden in al de provincien van de Republiek om Willem III en de Oranje Partij over te winnen en besliste stappen te nemen om de redetwisten in de publieke Kerk stop te zetten. Het was de laatste keer in de geschiedenis van de Republiek dat Calvinistische orthodoxen het regime trachtten over te halen naar een verbanning van hun theologische vijanden, hen tot zwijgen dwingen en uit de publieke Kerk te verjagen.
                 Te Amsterdam, velen in de stad hadden gelijkstemmige gevoelens met Bekker en zelfs de kerkeraad stond slechts gematigd tegenover zijn boek. Doch de Zuid Hollandse Sijnode legde pressie op de Noord Hollandse, de kerkeraden aldaar konden geen overeenkomst vinden tot in 1692 een meerderheid de Amsterdamse houding overwierp, maar het vroedschap schorste Bekker slechts met doorgang van zijn salaris en zonder zijn ambt aan te tasten. Utrecht en sommige andere steden hadden een plaatselijke ban op 'De betooverde wereld' maar Amsterdam en de Staten van Holland deden did nooit.
                 Ongeveer 170 boeken voor en tegen Bekker kwamen uit in de volgende drie jaar, maar omdat meest van de geschillen in de Nederlandse taal werd uitgegeven kreeg een van de grootste opwindingen in Nederlands denken en opzichten weinig aandacht in Engeland en Frankrijk. Het had wel een merkbaar gevolg in midden-Europa. Het boek was in het Duits vertaald en werd in dat land een grote gebeurtenis geacht. Bekker werd gezien als de kampioen voor een nieuw atheisme. Het werk werd nog in 1781 uitgegeven te Leipzig in een nieuwe Duitse vertaling.

Het Koloniale Rijk
                 In de jaren rond 1640 lijkte het dat de Nederlanden een reusachtig en winstgevend koloniaal rijk hadden bevestigd in het westerse en nog een ander in het oosterse werelddeel. Brazilie, of Nieuw Holland in Zuid Amerika ~ van de Amazon monding tot de Sao Francisco rivier en noord tot de Caribische eilanden, scheen veilig en welvarend. En dan was er het Noord Amerikaanse Nieuw Nederland met Fort Oranje en Nieuw Amsterdam. Het was ook de grootste Europeaanse macht in Afrika. Maar dit imposante rijk stortte plotseling ineen.
                 Bij het eind van 1645 Brazilie was verloren. De Staten Generaal, ondersteund door Zeeland, Utrecht, en Groningen, stuurde een leger van meer dan 6 000-man maar het ervaarde grote verliezen in 1648 en 1649. Het werd een sensatie in de Republiek waar Willem II gaf meest van de schuld voor de vernedering aan de Staten van Holland. Bij 1654 hadden West Indische Compagnie aandelen bijna geen waarde meer op de beurs. Maar de WIC veranderde van een streven voor een grandioos handelsrijk met een leger en oorlogsbodemen tot een winstgevende overzee koopvaardij met in plaats van militaire forten handelsnederzettingen.
                 In Oost Indie, ondertussen, de Verenigde Oostindische Compagnie had vanaf 1630 indrukwekkend voordeel behaald met militaire overwinningen om de zeestraten te beheersen van India naar China, en tussen 1660 tot de 1720ers was de grootste Europeaanse macht in India en Indonesie. De VOC had ook succes aan de Kaap van Goede Hoop in zuid Afrika met een groeiende kolonie waar nieuwe Nederlandse immigranten gestadig aankwamen en langzaam maar zeker Afrikaner Boeren werden. Bij 1690 genoeg tarwe werd geteeld voor uitvoer naar Nederlands Indie. Meer dan dertig schepen per jaar dokten in de haven van Kaapstad voor proviand tussen 1652 en 1700, en zeventig per jaar tussen 1715 en 1740.
                 In 1657 de VOC had tenminste 160 schepen in Aziatische waters. Meest van hen zeilden tussen verschijdene Aziatische havens, maar na 1700 dit aantal verminderde en tweederde van de VOC bodemen zeilden op de Republiek ~ deze waren grote, zwaarbewapende, hoogbemande schepen, en daarom werd de vraag voor zeelieden steeds groter. In 1688 de VOC had 12 000 werknemers in forten en handelsnederzettingen in Azie, 6 000 op de thuisvloot, en nog 4 000 als bemanning voor tachtig schepen op de Aziatische binnenvaart; in totaal 22 000, van welke 8 500 zeelieden waren. Toch was dit slechts minder dan van tien tot twintig procent (25% bij 1770) van al de zeelieden in de koopvaardij.
                 In het gehele Nederlandse handelsrijk van Azie en Zuid Afrika was de VOC het enige en hoogste gezag onder het soevereine overzicht van de Staten Generaal. Het was onder beleid van de Heren XVII ~ directeuren met hun kamers in Holland of Zeeland, en de gedragslijn was altijd dat de Compagnie vormde en verbond de handel en diplomatiek van de gehele Verenigde Provincien in Azie; en als een militaire macht bekrachtigd met het handhaven van legers, vloten, en garizoenen, was het een uitschuiving van de Generaliteit. Het werd gewoonlijk voor een VOC directeur om ook de ambt van regent te houden.

Het Nieuwe Regime
                 Willem III stierf te Hampton Court, Engeland, in 1702. Zes dagen later de pensionaris van Holland was in de Staten Generaal met de mededeling dat de Staten van Holland beslist had het stadhouderschap onbezet te laten. Dit was tegen de wens van de Prins waarvan hij in 1701 Holland probeerde te overtuigen: het benoemen van de jonge Stadhouder van Friesland (zoon van Hendrik Casimir) Johan Willem Friso (geb. 1687) aan hetzelfde ambt voor Holland. De Stadhouder-koning had sinds 1696 Friso vooruitgezet als een opvolger in al de provincien.
                 Het overlijden van Willem III bracht dan ook een diepgaande verandering in het karakter van de Verenigde Provincien. Oldenbarnevelt en de regenten van Holland hadden een vol republikaans regime gesmeden, waarin Holland aan het hoofd stond van de Unie en bepaalde buitenlandse zaken en middelen. De coup van Maurits in 1618 verminderde Holland tot een lijdende vorm; de Stadhouder en zijn groep vervangden de Staten van Holland dat was het hart van de regering ~ en zo ging het tot 1650. Toen begon de aangenomen tijd van de 'echte vrijheid' met Johan de Witt. Het jaar van nood 1672 veranderde alles weer ~ de macht en invloed ging onverdund in de hand der Stadhouder en zijn kring en verslapte de republikaanse traditie en formele behandelingen.
                 Dus 1702 was voornaam als een scheiding in de geschiedenis van de Republiek. Niet alleen voor het sterven van de Prins en het begin van een oorlog met Spanje en Frankrijk, maar ook voor het loslaten van een lang-gehouden spanning dat had sinds 1672 gedrukt. In Holland de verandering in beleid en gezag ging bedaard en onmiddelijk zag een herdistributie en meer versprijding van macht en invloed. De Stadhouder had in stedelijke politiek vaak tussen beide gekomen om macht te grijpen voor kleine regente-klieken onderdanig aan hem. Nu, het doel was verspreiding van macht, een sijsteem voor het wisselen van ambthouders, en een bestendige verhouding tussen regenten facties.
                 De gunstelingen van Willem III gaven hun goudmijntjes niet op zonder tegenstand. De Verenigde Provincien stond op het punt van oorlog en een hoogstaand kapitein-generaal was nodig beweerden zij aan de Staten Generaal en voorstelden Prins George van Denemarken ~ consort van Anna Stuart, nu Koningin van Engeland. Zij dachten zo een soort surrogaat stadhouder te bekrijgen, maar de Amsterdamse regenten stonden het tegen. De Staten van Friesland en Groningen (in afsteking van 1651) probeerden niet om anderen van de provincien te overtuigen dat zij verplicht een stadhouder moesten benoemen onder de beperkingen van de Unie, maar wel wilden zij hun jonge Stadhouder erkend als 'Prins van Oranje' en in 1673 vroegen voor zijn benoeming als een generaal van infanterie. Dit werd sterk tegen gestaan door republikaanse regenten in Holland, Zeeland, en de oosterse provincien.
                 Bedaard als het ging, toch werden de veranderingen in het bouwwerk van de politiek grondleggend. Een heropkomst van de Staten Partij bracht idealen van de republiek als een staatsvorm terug, ideologische tradities, en raadplegende instellingen. Maar terwijl dit kalm ging in Holland, ging het anders in de vier provincien welke ook beslisten in 1702 zonder stadhouder voort te gaan. Gelderland en Zeeland vielen in oproer gestookt door slimme opruiers. Het begon te Tholen, en verspreidde naar Goes, en dan Middelburg waar de schutterij gescheiden stond en de burgerij zuiverde Oranje aanhangers uit het vroedschap.
                 Nog meer ontstuimig was het in Gelderland. Net als Utrecht en Overijssel, de Staten van Gelderland onmiddelijk wees de regelingen van Willem III af, maar het deed niets om zijn aanhangers van hun ambten te zetten. Onder eeuwen-oude verplichting moesten Gelderse stadsraden over belangrijke zaken een college van gemeenslieden raadplegen. Doch de traditie was over de jaren verslapt, het had nog veel betekenis in de gemeentelijke zaken van stadjes in Gelderland en Overijssel, en de stad Groningen, als een tribunaal voor de burgerij en de gilden.
                 Het was in deze stadjes waar de vroege stimulans begon voor democratische neigingen dat zouden door heel het land verspreiden gedurende de 1680 en 90ers. Er waren hier in de burgerlijke stand welgestelden, geletterden ~ vaak welgesproken advokaten, welke voelden gestroopt van invloed in de gemeenten door Willem III. Gemeenslieden verkondigden met hoge aandrang hun plicht om te verzekeren dat bevoegde mensen, trouw aan de Hervormde Kerk, in de raad werden gezeteld om een wettig en goed gemeentelijk beleid te waarborgen. De steden van Gelderland probeerden de gemeenslieden te schorsen, maar dit veroorzaakte alleen opstand tegen hun gezag, Oproer begon in Nijmegen, dan Tiel en Zaltbommel, en verspreidde naar Zutphen en Arnhem. De opstand ging naar Utrecht en Amersfoort waar bewapende burgers de stad grepen in 1703, en door Overijssel ~ speciaal te Deventer. De organisatoren (de 'Nieuwe Ploeg', werden zij genoemd) wilden terug naar de 'echte vrijheid' van de Witt maar beweerden ook dat 'soevereiniteit was overgedragen aan het volk' welke had het recht om gemeentelijk gezag te ondoen voor de welzijn van de burgerij.
                 Voor Holland dit alles was een storing want met een oorlog moest de Generaliteit standvastige binnenlandse omstandigheden verzorgen. De Staten Generaal konden niet een overeenkomst bereiken in antwoord aan het oproer dat nu ook uitbarste naar Harderwijk, Wageningen, Putten, en andere stadjes. Van 1704 protesten met en zonder geweld in veel van de Gelderse steden gingen door tot 1707. Dit was het jaar dat Johan Willem Friso zijn meerderjarigheid berijkte en werd benoemd tot Stadhouder te Groningen; zijn aanhangers betitelde hem nu als 'Prins van Oranje'. De hoop hij gaf aan zijn Partij verdween toen hij verdronk bij Moerdijk in 1711.

De Oorlog van de Spaanse Erfgenamen
                 In 1702 de Verenigde Provincien verklaarde oorlog aan Frankrijk en Spanje met haar bondgenoten Britannie, Oostenrijk, en Pruisen. De Nederlandse rol in de strijd zou bepaald worden bij voordeel voor Holland. In 1701 Franse troepen drongen zuid-Nederland in en garizoenen in de steden langs een verdedigingslinie aldaar werden terug getrokken. Er was nu geen buffer tussen Frankrijk en de Republiek en het kon handel beperkingen op de Schelde niet meer handhaven. Tezeldertijd was Pruisen opgekomen als de grootste macht over de oost grenzen waar de Nederlandse politiek, economie, en geloof overheersend was geweest.
                 Met opzicht van manschappen en middelen ontketende de Republiek de grootste en meest langdurende militaire inspanning in haar geschiedenis. Het leger groeide van 40 000 tot meer dan 100 000-man en in 1708 zelfs tot 119 000 en 130 000 in 1712 maar, groot als het was, de legers uitgerust door Frankrijk, Britannie, Pruisen, en Oostenrijk waren groter en machtiger. Op zee stond Britannie nu ook hoger dan Nederland (als gezien in een marine overeenkomst van 1689 waarin vijf schepen werden voorzien door Britannie voor elke drie door de Republiek). Doch het veroorzaakte ernstige stoornis in het Nederlandse handelsijsteem, in de steden, en in industrie, handelaren, fabrikanten, en het publiek ondersteunde de Staten van Holland in het voeren van de oorlog.
                 In de eerste jaren geallieerde troepenmachten behaalden een lange serie van verbijsterende overwinningen op land en zee. Zuid Nederland werd bevrijd en Madrid veroverd in 1706. Een 1709 verdrag met Britannie gaf de Staten Generaal het recht om garizoenen te plaatsen waar het ook wilde voor een nieuwe verdedigingslinie door zuid-Nederland, en Holland beheersde de economie in de zuidelijke provincies tot 1713. Maar als de oorlog had voorspoed in zuid-Nederland, Duitsland, en Italie, het ging slecht in Spanje en de Nieuwe Wereld. Bij 1710 wat was eigenlijk de eerste wereld oorlog werd een enorme impasse welke putte al de deelnemers volledig uit ~ en speciaal de Fransen en Nederlanders.
                 Gedurende een paar jaar tot 1710 probeerde Lodewijk voor een overeenkomst met Nederland maar onderhandelingen te Geertruidenberg kwamen tot niets, gedeeltelijk omdat de Republiek hem niet kon vertrouwen. Tijdens een vrede congres tussen al de strijders te Utrecht in 1712 kwam het uit dat Frankrijk en Britannie een verdrag hadden ondernomen. Bittere ontgoocheling ging door de Republiek en Oostenrijk. Anti-Engels oproer barstte uit te Den Haag en er werd gesproken over een vierde oorlog met Engeland, maar de Staten Generaal had geen keuze behalve het tekenen in 1713 van de Vrede van Utrecht als op maat gemaakt door Britannie en Frankrijk.

De Oostenrijkse Nederlanden en het Noorden
                 Vanaf 1659 tot de oorlog van 1702 kon Spanje het zuiden niet tegen Frankrijk verdedigen zonder hulp van de Republiek, de Schelde lag gesloten, en zuid-Nederland was strategisch en economisch geboeid en onderdanig aan de Verenigde Provincien. Als gevolg had het de kloof tussen de twee Nederlanden wijder gemaakt, en bracht voort de wrevel van zuid-Nederlandse inwoners dat werd versterkt door de verschillen in geloof, en ook een diepe teleurstelling onder mensen in de handel en fabrieken te Antwerpen, Brussel, Brugge, en Ghent. De Spaanse erfgenamen kwestie werd hier dan ook gezien als een manier om de voogdijschap van het noorden te breken, en de Franse invasie in 1702 was verwelkomd bij de plaatselijke regering en het volk ~ welke hielp de Fransen om de vestingsteden op de verdedigingslinie te veroveren zonder een schot gevuurd door Nederlandse garizoenen.
                 Als gevolg van de Vrede van Utrecht, na bijna twee eeuwen, werd zuid-Nederland los gemaakt van Spanje en overgedragen aan de Keizer en dus aan Oostenrijk, maar een verdrag van Antwerpen in 1715 zette alles terug naar de overeenkomsten van 1648 te Munster; de Schelde opende niet voor de koopvaart en Nederlands handelsprimaatschap was hernieuwd. Vestingsteden in een nieuwe verdedigingslinie werden bemand door 35 000 manschappen in garizoenen (21 000 van Oostenrijk en 14 000 van de Republiek ~ vermeerderd van 8 000 voor de oorlog) van Veurne, Ft. Knokke, Ieper, Warneton, Menin, en Tournai, tot Namur. Hier kon de Staten Generaal militaire goeverneurs zetten, maar Protestantse godsdienst mocht alleen gehouden worden in woonhuizen. De Rubliek kreeg een jaarlijkse subsidie van een-en-een-kwart-miljoen gulden van de Oostenrijkse Nederlanden voor het onderhoud van de garizoenen.
                 Weinig veranderde met de eerste goeverneur-generaal voor de Oostenrijkse Nederlanden vanaf 1716, maar geestdrift voor het nieuwe regime koelde snel. Wat de Republiek won werd gezien als ten nadeel van de zuidelijke provincies: de Schelde, invoer tariefen, en de subsidie, en het volk vermoeide van Nederlandse en Oostenrijkse troepen in hun steden. De goeverneur-generaal kon moeilijk de Nederlandse handel aantasten want dat zou de verhouding tussen de Republiek en Oostenrijk schaden, maar hij hielp met de opzet in 1722 van de 'Oostendsche Compagnie' voor zeevaart op de Oost Indien (het bestond slechts tot 1731).
                 De Staten Generaal van Oostenrijks Nederland werd voor het eerst bijeengeroepen in 1725 (het zou niet meer vergaderen tot 1789) en rechten en instellingen werden hernieuwd. De regering werd meer gestroomleind en redelijk met opzicht van het provincieel en fiscaal uitvoeren, maar macht lag met ambtenaren in een Geheime Raad met uitsluiting van de plaatselijke adel ~ en over al stond de Keizerlijke Hof Kanselarij te Wenen.
                 Beide gedeelten van de Nederlanden ervaarden een lange inzinking in de landbouw vanaf de 1660ers tot diep in de achtiende eeuw. Maar waar in Vlaanderen en Brabant huren op het platteland en de prijs voor land zagen herstel bij 1720, in het noorden kwam dit niet tot 1750. Dus in het zuiden de landelijke bevolking vermeerderde in deze tijd terwijl het verminderde in het noorden. Maar het levensstandaard daalde in noord en zuid in gemeen, en armoede groeide overal.

Neutraliteit en Binnenlandse Bestendigheid
                 Zodra de oorlog over was begon de Staten Generaal met het ontbinden van het Nederlandse leger. De troepen verminderden van 130 000 tot 90 000 in 1713, en 40 000 bij 1715. Wat was over van het leger werd gegarizoend in de vestingsteden in het zuiden, de Generaliteit, en in Gelderland. Dit was niet veel anders van wat vroeger had plaats genomen in de geschiedenis van de Republiek. Na de Vrede van Munster in 1648 stond het leger ook slechts op 30 000-man en nu, als toen, had de vermindering een ernstig ongunstig resultaat op de economie in de grenssteden. Maar nu gaf het een betekenis dat maakte het grondelijk anders van vroeger want nu was de Repuliek niet meer een grote macht in Europa. Kosten voor de strijdskrachten werden drastisch ingekrimpt, schulden bleven weergaloos hoog maar de provincien hadden geen neiging om belastingen te verhogen om de leningen te lossen. De oorlog van 1672-78 had Holland een schuld van 38-miljoen gulden achtergelaten, maar bij 1713 de schuld stond op een schrikbarend 128-miljoen.
                 Een serie speciale vergaderingen van de Staten Generaal werden bijeengeroepen in de jaren 1716-17 om de toestand van de Unie te overwegen en een herziening voor te stellen. Doch niet een congres van provinciele Staten zoals in 1651, de vergaderingen werden benoemd als de tweede Grote Vergadering. Simon van Slingelandt (geb. 1664 te Dordrecht) de secretaris van de Raad van State schreef een advies hiervoor: 'Discours over de defecten in de tegenwoordige constitutie van de Staat der Verenigde Nederlanden' waarin hij een merkwaardig uitvoerige kennis van de geschiedenis en instellingen van de Republiek sinds 1572 onthulde, en een echte eerbied voor het staatsbestel en de grondwettelijke tradities en principes van de Verenigde Provincien. (Hij werd gepasseerd in 1720 voor pensionaris van Holland, maar tot zijn dood in 1736 wist van Slingelandt Nederlandse belangen zeer te dienen. Zijn 'Discours' werd uitgegeven in 1784.) Het enige dat de tweede Grote Vergadering besliste was een verdere vermindering van troepen tot 34 000-man.
                 Vanaf de dood van Johan Willem Friso in 1711, was de Oranje Partij niet zeer levendig, maar was toch in staat om de gemeenslieden van Gelderland af te schaffen in 1717, en een jaar later de zeven-jaar oude zoon van Friso (nu erfelijk 'Prins van Oranje') werd benoemd als toekomstige stadhouder van Friesland en in 1719 van Groningen, en in 1722 ook voor Drenthe; de Partij spoorde Gelderland aan om de benoeming ook te maken. Dit was een belangrijke ontwikkeling want het was voor het eerst dat het Frieze Stadhouderschap gecombineerd werd met dat van meerdere provincies, De Staten van Holland, Zeeland, en Overijssel waarschuwde dat dit scheidingen in heel de Verenigde Provincien zou veroorzaken, maar de Staten van Gelderland negeerde dit en deed het toch. De Staten van Utrecht hernieuwde bevestigingen van 1651 en 1702 waarbij het was vrijgesteld van stadhouderschap. Holland nam een resolutie aan in 1723 ~ met steun van Zeeland, Utrecht, en Overijssel, om door te gaan zonder stadhouder.
                 Bij 1725 nieuwe allianties hadden zich gevormd in Europa: Spanje-Oostenrijk en Britannie-Frankrijk -Pruisen. Oostenrijk schond de rechten van de Republiek in zuid-Nederland. Pruisen had een neiging voor enkelen van haar oosterse gebieden ~ Maastricht, Venlo, en Roermond waren al gescheiden en omheind met de territories van Pruisen welke had ook opper-Gelderland verworven, en Pruisen maakte een steeds hechtere verbinding met Emden en Oost Friesland vanwaar haar koopvaardijvloot op West Afrika en de Caribische gebieden te water werd gelaten in concurrentie met de Nederlandse. De Staten Generaal was erg ongerust, en bracht het leger van 34 000-man tot 54 000-man in 1727.
                 In 1729 de Prins van Oranje, Willem IV, werd achtien jaar oud, nam zijn ambten aan, en van het Prinsenhof te Leeuwarden begon een levendige rol te spelen in de politiek. Holland regenten hielden hem uit de Raad van State, maar het Huis van Oranje Nassau berijkte te Berlijn in 1732 een overeenkomst in een langdurend dijnastisch dispuut met de Koning van Pruisen ~ Pruisen kreeg Lingen en Moers, Willem gaf op rechten voor standing in Duitsland en de Koning in de successie van Oranje-Nassau, en beiden konden de titel van Prins behouden. Zeeland was ongerust dat Willem IV nu een recht kon beweren als Markies van Vlissingen en Veere, en de Staten bood hem 250 000-gulden aan om het af te kopen, welke werd geweigerd. De Prins had ook plannen om de dochter van de Engelse koning te trouwen. Dit was zeer onaangenaam voor Raad van State secretaris van Slingelandt, voor Amsterdam, en de Hollandse regenten, maar het huwelijk werd gevierd te Londen in 1733.
                 Een oorlog waarin al vier buurlanden van de Republiek werden betrokken begon in 1740 over de Oostenrijkse sucessie. Bij 1744 stonden Britannie en Oostenrijk tegen Pruisen en Frankrijk. Het Nederlandse leger werd tot 84 000-manschappen op gebracht maar eigenlijk zou de Republiek liever neutraal blijven als het even mogenlijk was. Omdat noch de Staten Generaal, noch het leger, graag in deze oorlog wilden vechten zag Frankrijk een kans weer zuid Nederland te overvallen. Het garizoen te Menen viel in een week, te Ieper in negen dagen. In 1745 viel Frankrijk weer aan met een belegering van Tournai, veroverde het na een overwinning in een veldslag tegen een Nederlands-Engels-Oostenrijks leger, en bij 1746 de Fransen hadden Antwerpen en Brussel bezet en het meeste van Oostenrijks-Nederland behalve Luxemburg. Het volgende jaar een betrekkelijk klein Frans leger van 20 000-man drongen door Vlaanderen en namen Hulst, Axel, en Sas van Gent.
                 Niemand kon de enorme en opzienbarende gevolgen voorzien. Terwijl de Staten Generaal een goede verdediging probeerde op te zetten met een vermeerderd leger van 95 000 troepen, werd het volk hoog opgewonden. De heersende mening stond sterk tegen de regenten, en de Nederlandse Republiek op het punt van een grootschalige revolutie.

De Maatschappij
                 De waarmerken van de Nederlandse Maatschappij in 1720 waren het ongebruikelijke, zindelijkheid, voorspoed, de pracht der steden, en de betrekkelijke afwezigheid van armoede. Zaandam was het eerste echt industrieel gebied in Europa met over 600 bedrijfsmolens. Het veranderde grondig met een versnellende ineenstorting van de 'rijke handel' en de overzee koopvaardij (en als gevolg de meesten van de uitvoergerichte bedrijven), en een rampzalig inkrimpende visserij. Dit markeerde het eind van het economische sijsteem van het Gouden Tijdperk.
                 Groothandelaren te Amsterdam verloren internationale macht en invloed; tabakfabrieken aldaar krimpten van ongeveer dertig in 1720 tot slechts acht bij 1751, en katoenpersen kelderden van tachtig in 1700 tot een-en-twintig bij 1770 en twaalf in 1796. De levenskracht van Leiden werd verwoest in de jaren 1720-30; het produceren van verfijnde stoffen stortte van 25 000 rollen per jaar in 1700 tot slechts 8 000 bij het eind van de 1730ers. Het was hetzelfde in Haarlem waar linnenbleken werkzaamheden ontbondden. Het raffineren van zout te Enkhuizen, Dordrecht, en Zierikzee viel ineen. Op de Zaan, walvis olie, zeildoek, touwmaken, en scheepsbouw hadden sterk afgevallen bij de 1750ers.
                 De ineenstorting werd niet alleen in Holland en Zeeland ervaren want de economie in de landwaartse provincies was ook afhankelijke aan de overzee handel. De noord Brabant linnenweverij viel uiteen na 1740 en in Twenthe gedurende de 1750 en 1760ers. Dit had een verlammend gevolg ook in Overijssel. Harlingen, de grootste industriele stad in Friesland begon een diepe ondergang vanaf 1750.
                 Het is vaak verondersteld dat zelfs met het instorten van de 'rijke handel', de zeevaart naar de Oostzee voor stortgoederen overleefde maar dat was niet zo. Er was inderdaad een groter aantal kleine schepen vanuit Friesland en de Wadden eilanden, maar het voornaamste stortgoederen verkeer met grotere schepen daalde enorm en verwoeste de havensteden van Holland. Te Hoorn de tonnenmaat ging van meer dan 10 000 per jaar in de 1680ers tot 1 800 in de 1730ers, en slechts 1 200 tonnenmaten by de 1750ers. Enkhuizen werd geruineerd met het ineenvallen van de stortgoederenvaart en ook dat van de haring-visserij. Zelfs Rotterdam, de Nederlandse stad welke biedde het hoofd best aan de toestand, leed een dertig-procent afname in handel.
                 Op de Zaan, van meer dan veertig scheepswerven in 1690, slechts de helft waren nog op stand bij de 1750ers. Nog erger was het in de houthandel ~ bomen veilingen verminderden van meer dan dertig per jaar in 1720 of zo tot minder dan tien in 1760ers. Vanaf vroeg in de vijftiende eeuw de haringvisserij was altijd een van de belangrijkste steunpillaren in de Nederlandse economie maar na 1713 kwijnde het en bij de 1760ers de vangst was minder dan een derde van wat was normaal geacht in de zeventiende eeuw, en de vloot minder dan een kwart.
                 De landbouw was anders doch schrompelde net als de andere sectoren van de economie. De landelijke neerslachtigheid dat was begonnen in de 1660er jaren ging niet alleen door maar werd erger in de achtiende eeuw ~ in Holland groeide het zelfs tot een eigenlijke agrarische crisis. De Nederlandse landbouw werd geteisterd door twee natuurlijke rampen: overstromingen en veekwalen. In 1715 de dijken op Schouwen werden gebrest, stormen van 1717 veroorzaakte grote schade in Friesland, en in 1731 een zeeworm begon de houten palen in waterwerken aan te vallen en verzwakte dijken langs de kusten van heel het land. Uitbraken van kwaadaardige ziekten in vee was echter het hardvochtigste dat beviel de landbouw in deze eeuw. Uitbraken in 1713-19, 1744-65, en weer in 1768-86, bijna decimeerden de kudden door heel de Republiek ~ boeren in Friesland alleen verloren 135 000 koeien in 1744-45, en in 1769 zoveel als 98 000 van de beesten.
                 Toch haalde de landbouw een verrassend beetje op in de laatste helft van de eeuw omdat elders in Europa de bevolkingen snel groeiden en daarmee de prijs voor voedsel aanspoorde. De uitbreiding was het hoogste in het kweken van basische voedingsmiddelen zoals rogge en de uit de Nieuwe Wereld gebrachte aardappel. Het was het teken van een maatschappij steeds meer afgaand op het goedkoopste voedsel.

Stedelijk Verval
                 De onafgebroken verstedelijking dat was voor eeuwen een voortdurend verschijnsel geweest in Nederland kwam met de ineenstorting van de economie tot een eind, en het aantal inwoners daalde sterk zelfs te Amsterdam. Het ergste getroffen werden de landwaartse industriele steden zoals Leiden, Haarlem, en Delft, maar ook de zeewaartse steden zoals Middelburg, Zierikzee, Enkhuizen, en Hoorn, en de uitliggende textiel plaatsen Almelo en Helmond leden ook zware verliezen in aantal inwoners.

                 De middenstand van de stedelijke bevolking (winkeliers en bakkers, vakmensen en arbeiders) werd bedreigd tussen 1720 en 1750 met vermoedelijke onzekerheid, ruinering, en armoede. Haarlem, in 1707, had 130 bakkers, en maar 70 bij 1759; het molenaarsgilde te Leiden verminderde het aantal molens van tien tot acht. Brouwerijen te Delft vielen van vijftien in 1719 tot slechts twee in 1798 ~ en het totaal in Holland van meer dan honderd in 1746 tot 56 bij 1786; te Leeuwarden het aantal brouwerijen verminderde van vijftig in 1700 tot 18 in 1760.
                 Meer en meer werkplaatsen werden stil gelegd en meer en meer werknemers opzij gezet. Meer dan 9 000 textiel arbeiders werden werkeloos te Haarlem tussen 1710 en 1753 ~ de meesten vielen in uiterste armoede en moesten vaak de stad verlaten. Het personeel nodig voor de stoffen industrie te Leiden viel van 36 000 in de 1680ers tot 17 000 bij 1752. Het afnemen van de scheepsbouw op de Zaan betekende minder werk op de werven en in de houtzagerijen. Delft, schreef een waarnemer, leek een dode stad. Ook in Friesland gingen de steden in verval ~ speciaal Harlingen en Leeuwarden. In noord Brabant de textiel steden leden meedogenloos ~ Helmond verloor een derde van haar inwoners tussen 1730 en 1780. Maastricht, Zutphen, Deventer, Zwolle ~ waar dan ook in de Republiek, voor de ene of de andere reden (het verminderen van garizoenen of de algemene verslapping van de economie) leden dezelfde maladie.
                 Het fenomeen van verschrompelende steden in Nederland terwijl de bevolking in west en centraal Europa snel groeide was merkwaardig en eigenlijk verbazend in dit, het meest ontwikkelde gedeelte van Europa. In de rest van het werelddeel de stedelijke bevolking vermeerderde gestadig en de eeuw zag steden welke verdubbelden of verdrievoudigden en sommigen zelfs nog meer ~ London had misschien 900 000 inwoners bij 1790, en Parijs meer dan 600 000, Sint Petersburg kwam van niemand tot 220 000, Wenen had hetzelde aantal, Berlijn groeide tot 150 000 en Hamburg tot meer dan 100 000. De hoofdsteden van de Lage Landen (eens benijden en bewonderd) begonnen klein en onopzienlijk te lijken ~ provincieel zelfs.
                 Het enig andere gebied in Europa waar een vergelijkbaar verloop van stedelijk verval werd gezien was in zuid Nederland. Maar hier de economie en de bevolking groeide veelbetekenend gedurende de achtiende eeuw ~ eerst langzaam, dan meer gestadig na 1748. Bij 1784 de bevolking in het zuiden berijkte 2,27-miljoen (63 procent Nederlands-sprekend, 31 procent Frans, en zeven procent Duits). In noord Nederland het totaal van de bevolking stond toen op ongeveer 2,08-miljoen. Niettegenstaande dat de landbouw en landelijke industries (en de plattelandse bevolking) ontwikkelden en groeiden, Antwerpen, Ghent, en Brugge gingen achteruit, terwijl Brussel groeide alleen maar zeer langzaam.
                 Meer van de bevolking woonde nog in de steden van de Lage Landen dan elders in Europa, maar de steden zelf ervaarden decadentie. Toch was het proces van het onverstedelijken nergens zo hevig en streng, met een maatschappelijke verwarring zo groot, als in de Nederlandse Republiek.

Rijkdom en Armoede
                 Tussen 1720 en 1750 was de ontwrikking van handel en industrie zeer ernstig maar er was nog geen indrukwekkende verhoging van stedelijke armoede. Dat kwam slechts later ~ speciaal vanaf de 1770ers. Aangezien werkgelegenheden kwijnden verhuisden mannen om ergens anders werk te zoeken en namen hun families mee. Veel van hen gingen naar Amsterdam, Den Haag, en Rotterdam. Anderen, waaronder veel hoog bekwaamde vaklieden en handwerkers, emigreerden naar Britannie, Scandinavie, Pruisen, of Rusland. Er was grote vraag voor Nederlandse scheepstimmermannen door geheel noordoost Europa.
                 Het eerste resultaat van de vermindering in stedelijk leven en inwoners, blijkbaar tegenstrijdig, was het verhogen van het levensstandaard voor hen die overbleven. Huishuren werden lager vanaf ongeveer 1730 en bleven laag tot bijna het einde van de eeuw. Omdat aanbod de vraag overweegde, kelderden de prijzen voor voedingsmiddelen vanaf de 1720ers en dat bleef ook zo voor een halve eeuw. De ontstedeling duwde ook lonen omhoog. Maar een hoog loon was alleen een voordeel als men zoveel kon werken als vroeger. Voor arbeiders, na 1720, de grootste uitdaging was om de lonen te verdedigen want de bazen wilden hen niet alleen ontslaan maar ook te dwingen om voor minder geld en onder slechtere omstandigheden te werken. Zij gebruikten dan ook meer jongeren, kinderen, en goedkope immigrant arbeiders.
                 Dit veroorzaakte tegenstrijd tussen inheemse en immigrante werklieden, en tot strijd van de arbeiders met de bazen, en maakte voor een nieuw soort sociaal conflict. De textielwerkers, bijvoorbeeld, staakten in 1700, 1716-18, 1724, 1730, 1741, 1744, 1747-48, 1761, 1764, en 1770. Na dat jaar was de industrie zo vervallen er was niets over om te betwisten. Om hun levensonderhoud te beschermen, werden gilden versterkt (met hulp vam de stadsraden) en nieuwe opgezet. Ter verduidelijking, te Amsterdam, in 1688, de stad had 37 gilden met 11 000 leden; bij 1750 dit had vermeerderd tot 50 gilden met meer dan 14 000 leden, aldoch de stadsbevolking hetzelfde bleef. Bijstands-instellingen van stad en kerk werden meer en meer bijgestaan door arbeiders bonden voor verzekering tegen ziekte en ongelukken met vondsen opgebracht uit het loon van werklieden.
                 De Nederlandse maatschappij was overheersd door de rentenier ~ iemand die van de inkomsten van zijn goederen leeft, regenten, de adel, afkomstelingen van handelfamilies, of erfgenamen van fabrikanten. De rentenier had geen levendige rol in de economie. Zij leefden vaak in prachtige stad- of land-huizen, en gaven werk aan bedienden, tuinders, koetsiers, van de rentes welke zij ontvingen van Staten hijpotheken, VOC aandelen, en dergelijke. Levende op het nalatenschap van het verleden, was de Republiek nog steeds een overvloedige maatschappij in vergelijking met dat in buurlanden. Maar het werd nu een maatschappij waarin de middenstand werd beknepen en rijkdom gepolariseerd.
                 Op het platteland een groeiende armoede werd gestadig en meedogenloos. In Overijssel werd het landelijke volk armer tegenover het stedelijke. Tezelfdertijd werden aanzienlijke en zelfstandige boeren opmerkelijk rijker terwijl het aantal kleine zelfstandige boeren verminderde. Een gevolg hiervan was een groeiende landelijke behoeftigheid. Dezen te arm geacht door de Staten van Overijssel om belasting te betalen vermeerderden van 25-procent in 1675 tot 38-procent van de bevolking in 1758. Hetzelfde was te zien in Gelderland en de Veluwe, en ook in Brabant.

De Kerken
                 Gedurende de achtiende eeuw bleef de Nederlands Hervormde Kerk ~ de publieke Kerk, dewelke meest van het volk belijdende overal in de Republiek behalve in de Generaliteit Landen, Twenthe, en het zuiden van Gelderland onder de Waal. Toch, met de groeiende verdraagzaamheid (dat was een markerend kenmerk in het Nederlandse leven), was er een merkbare neiging bijna overal in de Republiek (behalve in Friesland) voor het verminderen van de Hervormde meerderheid. Behalve deze verdraagzaamheid had ook immigratie vanuit Duitsland een grote invloed.
                 In de tweede grote Kerk, Katholieken vermeerderden in al de provincies behalve Friesland, en de twee kleinere ~ Lutheranen en Joden, groeiden krachtig ~ het meeste van immigratie uit Duitsland. Wederdopers en Remonstranten echter, twee grote kerken van de Gouden Eeuw welke geen voordeel uit immigratie konden halen, kwijnden snel. In al de grote steden door heel het land waren Hervormden van 60 tot 80 procent van de bevolking. Nijmegen werd bij 1800 de enige grote stad in de Zeven Provincien met een meerderheid van Katholieken. In Friesland dit werd nooit veel hoger dan tien-procent.
                 De spanning dat had bestaan tussen de Voetianen en de Kochejanen, en dat werkte zulk een grote invloed uit in de Nederlandse kerk en universiteit politiek, was verlicht met een 'Reglement' van de Staten van Holland in 1694. Toch bleef het tot de mid-achtiende eeuw een polemiek dat beinvloedde niet alleen theologisch debat, maar kerk, acadamie, en plaatselijke politiek ~ zelfs tot de laatste decennia.

De Nederlandse Invloed op de Verlichting
                 De Verlichting was een van de meest beslissende verstands en kultuur verschuivingen in de geschiedenis van Europa, waarmee grootse veranderingen kwamen naar meer verdraagzaamheid, wereldsgeestelijkheid, het rangschikken van kennis, en popularisatie ~ het laatste speciaal wat de wetenschappen betrefde. De Nederlandse Verlichting was geworteld in grootschalige intellectuele doorbraken van de latere zeventiende eeuw. Het had een grote invloed op de Europeaanse Verlichting tot vroeg in de achtiende eeuw maar veel minder hierna.
                 Hugenoten ~ Franse Calvinisten, uit hun land getrokken om geloof vervolg te ontsnappen, hadden een thuis in de Republiek gevonden. Doch de meesten nooit Nederlands leerden spreken en vrijwel uitsluitend in de Franse taal schreven, was hun invloed groot in theologische kringen waar zij fervent werden gelezen. Pierre Bayle (geb. 1647 te Le Carlat) woonde voor 25-jaar te Rotterdam vanwaar hij krachtig de religieuze verdraagzaamheid verdedigde. Het beroemdst is zijn 'Dictionnaire historique et critique' van 1695. Ongeloof was volgens hem beter dan bijgeloof. Jacques Basnage (geb. 1653 te Rouen) woonde ook in Rotterdam na 1685 en vanaf 1709 te Den Haag. Hij schreef (in vijf delen tussen 1706-11) een geschiedenis van het Jodendom in Europa dat was markant voor zijn objectiviteit in de nadruk welke hij legde op de onrechtvaardigheid van hun vervolg door Christenen. De nieuwe aanpak ten opzien van geloof werd treffend in het monumentale 'Ceremonies et Coutumes religieuses de tous les peuples du monde' (1723 in dertien delen) ~ van welke het meest werd geschreven door Jean-Frederic Bernard (1683?-1744). Het was een sijstematisch overzicht van geloofs gebruiken en ritueel waarin de Christelijke religie werd onderhandeld als elk ander ~ het Judaisme, Islaam, en Vrijmetselarij.
                 Nederlandse schrijvers van de Verlichting gingen meer uit op de wetenschappen. De heersende stroming was het geloof dat God is alomtegenwoordig in de natuur en de maatschappij, met een ijver voor ervaringsleer in wetenschap en de 'esprit systematique'. Bernard Nieuwentijt (1654-1718 van Purmerend) schreef twee lange ~ en invloedrijke, boeken om de leer van Spinoza (en andere 'atheistische boeken') te weerleggen: 'Het Regt Gebruik der Werelt Beschouwingen' (1715) en de 'Gronden van Zekerheid' (1720). Hij was geen originele denker maar belangrijk omdat deze boeken vertaald werden naar het Engels, Duits, en Frans, en een langdurige invloed op de Nederlandse kultuur hielden.
                 Het Nederlandse handelsijsteem tot 1740 was sterk afgaand op industrie end technische vernieuwing, en deze wetenschappelijke takken werden uitgebreid als nergens elders in Europa. Willem Jacob 's Gravesande ( geb. 1688 te 's-Hertogenbosch) deed meer dan enig ander, tot Voltaire, om de principes van Newton door Europa te verspreiden. Hij studeerde rechten en legde zich tevens toe op wis- en natuurkunde. Met anderen gaf hij uit (vanaf 1713) 'Journal de la republique des lettres' waarin van zijn hand allerlei natuurkundige opstellen verschenen. Honderden buitenlandse studenten kwamen naar Leiden om zijn lezingen over de nieuwe wetenschap te horen. In 1719 kwam hij uit met een beroemd handboek voor natuurkunde welke hem de grootste voorstander aan de leer van Newton in Europa maakte. 's Gravesande was ook een theoreticus van standing en bracht verfijning aan verschillende van de stelsels van Newton, en was een uitvinder van pompen, stoommachines, en hijskranen. In zijn klassen probeerde hij de wetenschap van Newton met filosofie te verenigen. Een reis door Voltaire naar de Verenigde Provincien in 1736-37 was speciaal om de lezingen van 's Gravesande bij te wonen aan de universiteit.
                 In de natuurkunde stond de Nederlandse Verlichting als bemiddelaar tussen Britannie en Europa, maar in de microscopische wetenschappen van plantkunde, anatomie, en medicijnen, kan de Nederlandse Verlichting werkelijk beschreven worden als de onderwijzer van Europa ~ inclusief Britannie. Herman Boerhaave (geb. 1668 te Voorhout), geneeskundige en natuuronderzoeker, was een van de vooraanstaande figuren van de Nederlandse Verlichting en de beroemdste geneesheer in Europa. Zijn gewichtigheid lag in begrip van al de wetenschappen in een experimenteel en niet deductief opzicht. Van zijn vele boeken waren de meest invloedrijke het 'Aphorismi' in 1709 over diagnosis en behandeling, en zijn 'Elementa Chemiae' van 1732 ~ dat bleef het voornaamste leerboek voor scheikunde in Europa van de achtiende eeuw. Zijn lijfspreuk was 'Eenvoud is het kenmerk van het ware'.
                 Lambert ten Kate (geb. 1674 te Amsterdam), een man van veelzijdige belangstelling, hield zich bezig met (onder andere) de studie van taal- en letterkunde, schilder- en beeldhouwkunst, wis- en natuurkunde en toonkunst, Hij legde de grondslagen voor een breed opgevatte wetenschappelijke beoefening der Nederlandse taal en een vergelijkende Germaanse taalstudie, en door zijn beschouwingen over de wetten der klankwisseling en de etijmologie werd hij de voorganger van Jacob Grimm.
                 De Republiek was het Europeaanse hoofdkwartier (tot ongeveer 1740) van geleerde tijdschriften en boek recensies, en het centrum van de internationale boekhandel als ook het boekdrukken in verschillende talen. Boeken uitgegeven buiten de Republiek, Frankrijk, Engeland, en Duitsland, speelden bijna geen rol in de vroege Europeaanse Verlichting.

De 'Radicale' Verlichting
                 De heersende stroming in de Nederlandse Verlichting was grondleggend aan de vroege Verlichting en een van de belangrijkste bronnen hiervan. Maar er was nog een andere stroming van Nederlands intellectueel uitwerking op Europa. Deze 'Radicale' Verlichting ~ een wezenlijke verspreiding van de kritiek op de onthuldigde religie door Spinoza ~ was de meest ontstuimige aanval op het Christendom in de vroege achtiende eeuw. Dit gezichtspunt was van groot belang speciaal, voor de rest van Europa, met opzicht aan Frankrijk.
                 Jean Maximilien Lucas (1646-97) schreef een van Spinoza zijn eerste biografies. Het werd niet uitgegeven tot 1719 met wat was misschien de meest sensationele tekst in deze stroming: 'Traite des trois imposteurs (zinspelend op Mozes, Jezus, en Mohammed), ou L'Esprit de M. Spinoza'. Het boek werd onderdrukt door de Staten van Holland met hoge ijver, en de meeste exemplaren gegrepen en vernietigd. Het viel ook onder een streng verban in Frankrijk. Als resultaat kwam het in omloop in gekopieerde handschriften welke vandaag de dag nog te vinden zijn in bibliotheken in Nederland, Frankrijk, Britannie, en Duitsland. De bijeenbrenger was waarschijnlijk Jan Vroesen (1672-1725), zoon van een gezuiverde (1672) Rotterdamse Staten Partij burgemeester. Met verschillende andere vrijdenkende (Hugenoot) deelnemers ~ welke ook paragraven aan het manuscript toevoegden, maakten zij dus een vervalsde en drastisch verkortte 'Spinoza' tot een overtuigende ondergrondse kracht aan de eerste uitingen van anti-Christelijke geschriften in de Republiek en in Frankrijk.
                 Doch deze 'radicale' Verlichting langzaam maar zeker bezweek onder de aanvallen door Voetiaans orthodoxie en materieel-theologische verdraagzaamheid, bleef het toch een veelbetekenend verborgen invloed op het Nederlandse kulturele leven tot de 1750ers.

Het Afnemen van Hoogleer en Kunsten
                 In 1737 Voltaire werd getroffen met de ongevenaarde bevoegdheid van de Nederlandse universiteiten om buitenlandse studenten aan te trekken door het aanbieden van nieuwe idee-en en methoden ~ speciaal in de wetenschappen en medicijnen, maar wat Voltaire zag was de laatste glans van een phenomeen dat was al aan het afnemen in het begin van een grootse ondergang. Gedurende het eerste kwart van de achtiende eeuw studeerden 3 164 buitenlanders te Leiden ~ slechts weinig minder dan Nederlandse. In de volgende kwart-eeuw verminderde dit aantal buitenlanders tot 2 715, maar vanaf 1740 werd dit nog veel minder, en in het derde kwart van de achtiende eeuw slechts 1 132 buitenlanders studeerden hier. Tegen het eind van de eeuw was het zelfs minder dan tien-procent van wat het was geweest honderd jaar vroeger. Het was hetzelfde aan de universiteiten te Franeker en Utrecht. Deze rampzalige ondergang weerspiegelde de bederving van de Republiek en haar maatschappij en economie.
                 Nederlandse beeldende kunsten ervaarden ook dezelfde verminderingen als in de handel, industrie, en gemeentelijk leven. Met die van Italie en Frankrijk was de Nederlandse kunst een van de vooraanstaande scholen in Europa tot de 1740ers, maar verschrompelde dan overhaast en was gevallen bij de 1770ers. Al de oude specialiteiten stierven uit en de grote kunstenaars kwamen niet meer naar Nederland voor opleiding en werk.

De Tweede Oranje Revolutie
                 In een hoog verstedelijkt, vroeger welvarende maatschappij, onbestendig door een versnellende economische achteruitgang en het verderven van de steden, een revolutionair verwerking hiervan kan beginnen met een relatief onbelangrijk gebeuren. Zo was het in 1747. In April drong een klein Frans leger de Staten Brabant binnen. Het was geen echte inval maar gemeend als een waarschuwing aan de Staten Generaal. Het kon niet vergeleken worden met de Franse aanval van 1672, maar met de vernederende zwakte van de Nederlandse verdediging had het een invloed zo groot als in dat Jaar van Ramp. Angst en woede snelde zich door Zeeland. Te Veere de schutterij confronteerde het vroedschap en waarschuwde dat de burgerij in oproer zou komen als het stadhouderschap niet meteen hersteld zou worden. Het werd onmiddelijk verschaft door de stadsraden van Veere en Vlissingen. Middelburg en Zierikzee zagen eerst ernstige stoornissen met zeelieden in de bres voordat regenten buigden. De Staten van Zeeland verkondigde het herstel van haar stadhouderschap 28 April .
                 Er was een onmiddelijke reactie in Holland. In Rotterdam de bevolking droeg oranje linten en rozetten, de stad franjes en banieren, van de schepen in de haven donderden kanonnen, en kerkklokken luidden voortdurend. De volgende dag was hetzelfde te 's Gravenhage, en nog een dag later in Dordrecht. Bij 1 Mei, menigten schreeuwden 'hoezee' en 'lang leef Oranje' ook te Haarlem, Leiden, Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, en Gorcum. Zelfs de trotse burgemeesters van Amsterdam werden grondig geintimideerd de volgende dag met het ontplooien van een grote oranje banier van het stadhuis voor een menigte op de dam. Heel de Gecommiteerde Raden te Den Haag droeg nu oranje en de Staten volgde dit op 3 Mei met de officiele proclamatie van Willem IV als Stadhouder van Holland. De Staten van Utrecht en Overijssel zaten niet stil en bij mid-Mei was Willem IV de eerste Stadhouder van al de provincien in de Unie.
                 Het volk wilde het Huis van Oranje, maar meer dan dat wilde het versterking van burgerlijk deelnemen in gemeentelijk gezag, hervorming aan de verderving van regenten, herstel van het aanzien en macht van de Republiek, het onderdrukken van het Katholieke geloof, en een programma om de economie en industrie te doen herleven. De Prins deed niets. Misschien dacht hij dat de opwinding vanzelf zou verminderen.
                 In September 1747 Bergen-op-Zoom viel aan de Fransen na een lang beleg en hiermee begon het oproer opnieuw met aandrangend geroep van 'bevrij het Vaderland van dit schorum'. Katholieken werden slachtoffers van geweld te Utrecht, Deventer, en Groningen, en ook in verschillende steden van Zeeland en Holland. Een burger delegatie klaagde aan de Prins dat alles nog op de zelfde voeting stond en eisde een algemene hervorming in gemeentelijk gezag. Maar Willem wijvelde en aarzelde.
                 De Stadhouder concentreerde met groot succes op het herbouwen van zijn gezag overal in de Republiek. Het reglement van Willem III van 1675 werd onveranderd heraangenomen en Willem IV nam de Staten te Den Haag in dezelfde strenge greep dat zijn voorganger had gehad. Gelderland stond het tegen tot een oproer in Arnhem Januari 1748. In Groningen oproer in tegenstand aan de jonkers in de stad en Ommelanden in Maart dwong de raad tot herstel van het college van taalmannen. De gemeenslieden van Gelderland en Overijssel zagen ook hun colleges aldaar hersteld. In Drenthe ernstige stoornissen tegen het gezag van een adelijke kliek dwong ook veranderingen aldaar.
                 Een nieuwe fase van de revolutie begon in Mei 1748 met rellen in Friesland waarin de huizen van grietmannen en belasting pachters werden aangevallen. In Juni werd het ernstig in Harlingen, maar toen de Staten voor troepen vroeg wees de Prins dit af. Een bijeenkomst van de burgerij uit verschillende steden te Leeuwarden trok 72 punten op voor presentatie aan de Staten van Friesland en de Stadhouder. In de zomer en herfst van dat jaar werden huizen van belasting pachters ook aangevallen in Holland. De schutterijen grepen niet in maar organiseerden vergaderingen om eisen te zetten aan de burgemeesters van Haarlem, Leiden, Den Haag, Amsterdam. en elders.
                 De hoofdpunten van de eisen waren dat regenten niet meer zichzelf konden benoemen om de burgerwacht of schutterij te commanderen, dat vertegenwoordigers van de burgerij aangezet worden om de belasting registers te controleren, dat gemeentelijke bevoorrechten aangekondigd worden zodat een ieder burger hun rechten kon weten, de macht der gilden te herstellen, wetten tegen vloeken en sabbat-breken te handhaven en predikers van het oude kleed (Voetianen) aan te zetten ~ alles met oog om het regenten gezag te laten overzien door de schutterij en andere vertegenwoordigers van het volk. Nadat op 25 Juni ook de huizen van andere rijke mensen werden aangevallen te Amsterdam en de schutterij op de oproermakers vuurde waarbij enkelen werden gedood en verwond, sprak Willem IV de Staten van Holland aan om het belasting pachten af te schaffen en het werd geschorst.
                 Terzelfder tijd werd het sentiment van de 'kleine mensen' gesteund door de middenstand van winkeliers en vakmensen welke, doch minder levendig, wilden net als hen een eind aan de pachters, hervorming van de schutterij en burgerwacht, en gemeentelijk overzicht door de burgerij. Bij Juli 1748 werd de Oranje Partij ongerust dat het volk niet veel langer op Willem IV zou wachten want democraten kwamen meer en meer in tegenstand tot de plannen van de Prins en zijn partij. In plaats van macht in de handen van de Stadhouder te plaatsen wilden zij gemeentelijk gezag definitief ondergesteld brengen aan de schutters en de burgerij.
                 De Staten van Holland, op 31 Augustus, vroeg de Prins in persoon naar Amsterdam te gaan om orde te herstellen bij enige manier welke hij het best achtte te gebruiken. Enorm grote demonstraties echter, terwijl Willem in de stad was gedurende de eerste twee weken van September, maakten het duidelijk dat de plaatselijke bevolking de doelen van de radicale democraten ondersteunde. De Prins klaarblijkelijk vond meer vermaak in dineren met regenten dan met de burgerij te spreken, maar eindelijk verving zeventeen van de 36 in het Amsterdamse vroedschap ~ maar meest van hen weer van regenten families.
                 Er was grote teleurstelling dat de Prins zelfs onwillig was om een een zelfstandige raad van schutters te herkennen. Er volgden reusachtige protestmarsen op 9 en 10 September voor de 'vrije' schuttersraad maar Willem gaf niet toe en ging terug naar Den Haag. Nu sprong onrust op te Haarlem en Leiden. He was in deze steden dat het economische verderf vanaf 1720 het ergst was geweest en de frustratie het hoogst. Hier de burgerij met de schutters streefden voor hervorming in gemeentelijk bestuur en in de gilden, en belastingverlichting om armoede te ontlopen, of tenminste meer bescherming tegen de hardvochtige resultaten van de economische ondergang. In October zuiverde de Prins zeven van het Haarlemse vroedschap en vijf van het Leidse, maar he was niet genoeg voor de mensen. Te Leiden een grote verstoring op 10 November gaf een serie van eisen aan de burgemeesters dat werd opgemerkt door heel de Republiek. In antwoord stuurde de Stadhouder een duizend soldaten welke marcheerde de stad in November 16. De magistratuur legde een verbod op al verdere vergaderingen en protesten.
                 Oppervlakkig ging alles in de Oranje revolutie tussen 1747 en 1751 ten baat van de Stadhouder en zijn Partij. Hij was weer 'Eerst in Adel' in Zeeland met een stem in de Staten dat het had afgeschaft in 1702. In Utrecht, Overijssel, en Gelderland, Willem IV had meer macht dan Willem III had. In Drenthe zijn autoriteit over het uitvoer van gezag was hoger dan eens. Verstrekkende verandering vond plaats in Groningen ~ de provincie waar vroeger de Stadhouder altijd zwakkest stond. Het 'reglement reformatoir' dwong Groningen in November 1749 zich te onderwerpen aan de macht van de Stadhouder over haar Be-edigde Raad. Willem IV kreeg veel te zeggen ~ in al de provincien behalve Holland, over het benoemen van vertegenwoordigers naar de Staten Generaal en Raad van State voor de Generaliteit.
                 De Oranje Revolutie trok de Republiek ver van zeven sovereine bondgenoten, tot eigenlijk het staatsbestel van een monarchie zonder koning. Voor de Oranje Partij de oplossing voor de sociale en economische problemen lag in een centraal gelegen en onverdunde macht in de handen van de Prins van Oranje, gevolgd door een snel herstel van Nederlands financieel beheer, industrie en zeevaart. Maar op 22 October 1751 stierf de Prins onverwachts op 40-jarige leeftijd.

De Wankelende Republiek
                 Het karakter van de Republiek en haar instelling was grondig veranderd door de Oranje Revolutie maar de angsten en grieven welke het veroorzaakte hadden niet afgenomen. Wat had aangenomen was de bevoegdheid (en gewilligheid) van het regime te Den Haag om protest en oproer te onderdukken. De Verenigde Provincien was nu een wispelturig land, mogelijk zeer wankelbaar en prooi aan een schaar van economische en politieke spanningen. In een zekere mate werd de Republiek en het stadhouderschap verzwakt door de dood van de Stadhouder in de bloei van zijn leven. Het kind welke hij achterliet was maar drie jaar oud en bleef in de zorg van zijn moeder Anna van Hannover, maar als regent kon de Prinses niet dezelfde macht uitoefenen als Willem IV had vanaf 1747.
                 De adel kwam op met de invloed van het hof te Den Haag welke begon een minzame bejegening voor de aanhangers van de Stadhouder met benoemingen als hoge bevelhebbers in het leger en ambten aan provinciele gestichten. Het resultaat was dertig jaar stabiliteit en kalm, maar onder de oppervlakte lag nog steeds de ontevredenheid van het volk welke het Oranje regime niet kon bevredigen. Het zal niet onmogelijk geweest zijn om geslaagde oplossingen te vinden in de tweede helft van de achtiende eeuw voor de ontwikkeling van de Republiek naar een meer democratische federale staat, maar het kon nu gezegd worden dat de Republiek hol was en de greep op macht van de Oranje Partij onzeker.
                 Willem V behaalde in 1766 meerderjarigheid en werd stadhouder van alle Verenigde Nederlanden maar er ging van hem geen enkel initiatief uit. Toen de Prins de regering zou aanvaarden, liet hij zich bij de Acte van Consulentschap verplichten op de raad van Ludwig Ernst, Hertog van Brauschweig-Wolfenbuttel (bekend als Brunswijck) ~ een belangrijke wijziging in het bestuur (maar niet van staatsgevaarlijke aard zoals later werd beweerd). Deze Oostenrijker was al in 1750 op aanbod van de latere Willem IV in Staatse dienst getreden en werd de voogd van Willem V na de dood van Prinses Anna in 1759. Onder de Acte nam Brunswijk het beschermheerschap in hand en bestuurde de Oranje klieken in de provincies, kwartieren, en steden. Hij schonk ambten en ontwikkelde trouw om de invloed van het hof te versterken, en hij overweldigde de binnenlandse politiek.
                 Nederland was niet meer een belangrijke militaire of maritieme macht ~ vanaf 1741 werden weinig oorlogschepen gebouwd en in 1772 stond het leger op slechts 41 000 manschappen. De Republiek zat vast in een malaise dat omvatte elke laag van het nationaal leven en een sterk gevoel van ondergang werd doordringend. Het was een gemeenschap in ernstig verval temid de overblijfsels van voorspoed en een hoog ontwikkeld geavanceerdheid. Bovendien (in tegenstellling met elders in Europa) was dit een land waar veel van het volk geen eerbied of liefde had voor het bestaande regime. Het was dan ook geen verrassing dat de Amerikaanse Revolutie een grote invloed had op het Nederlandse leven.
                 Britannie had nu de overwelgende macht op zee en de revolutie in de Nieuwe Wereld scheen een kans om dit nu te bestrijden. De Oranje Partij verdedigde het Engelse beleid in Amerika, maar het republikaanse principe van de 'echte vrijheid' werd nog steeds vereerd in de Staten Partij, en een anti-Engels gevoel werd overheersend in Nederland. Oorlog doemde. De Vierde Engelse Oorlog 1780-84 was een doortrapte ramp. In de eerste maand, Engelse marine en vrijbuiters veroverde 200 Nederlandse schepen en verlamde wat nog over was van de koopvaardij. Het jaar dat volgde zag verliezen te St Eustasius, west Africa, Guyana, en in de Oostindies, India, en Ceylon.

Revolutie der Patriotten
                 Joan Derck, Baron van der Capellen-tot den Poll (geb. 1741 te Tiel) schreef een pamflet betiteld Aan het Volk van Nederland ~ anoniem uitgegeven in 1781, dat werd snel verspreid in een soort massa communique door de hele Republiek. Het werd door de Staten Generaal verboden, maar heeft nietemin op de ontwikkeling der burgerij in democratische zin belangrijke invloed gehad. Het eisde burgerbewapening en de verkiezing van burger-gecommitteerden. Hij won in 1782 opnieuw een zetel in de Staten van Overijssel en maakte vanaf 1783 deel uit van een soort Patriottisch partijbestuur maar overleed in 1784.
                 Van der Capellen beweerde dat het Nederlandse volk (lang voor de tijd van Habsburg)altijd op een hoog niveau had gestaan met opzicht aan maatschappelijke en politieke vrijheid door colleges van be-edigde vertegenwoordigers van de burgerij, de burgerwacht en schutterij, en de invloed van de gilden. De grondslag van deze vrijheid was het onbeperkte recht om samen te komen, organiseer, vorm committees, kies vertegenwoordigers, en uit hun meningen. Het volk was dit recht afgenomen door Karel V en Phillip II, maar de Revolutie van 1572 had het niet hersteld ~ deze principes werden al verraden (schreef Van der Capellen) in 1582 door het besluit van de Staten van Holland om de stadsraden te verbieden om gilden en schutters te raadplegen, en (voegde hij toe) het was het werk van de Prinsen van Oranje door gebruik van het leger want 'wie de krijgsmacht heeft kan doen als hij wil'. Alleen een sterk bewapende burgerwacht kan deze vrijheid van het volk verdedigen.
                 Ondertussen ging de oorlog door, verontwaardiging en grove belediging groeide in het volk, en Patrottische opwinding nam aan ~ speciaal in Holland, Utrecht, Gelderland, en Overijssel. Het werd gezien als een terugkeer naar de grondleggende principes van de Republiek en een herstel en vervolg aan de Nederlandse Revolutie tegen Spanje. Het doel was om de leiding van gemeentelijk en provincieel leven weg te rukken van Stadhouder gunstelingen en regenten klieken, en de macht over te dragen aan het volk ~ een volk dat de Patriot zag als een geheel in al haar verschillen, want de helden van de Nederlandse geschiedenis waren niet alleen van het Hervormde geloof maar ook Lutheraan, Mennoniet, Remonstrant, en Katholiek geweest.
                 Te Dordrecht werd in 1783 het eerste Patriot vrijkorps opgezet in plaats van de vroegere schutterij; het groeide snel tot meer dan een duizend-man. Andere steden volgden en werden verenigd tot een landelijke bond met als middelpunt Utrecht ~ welke zag vanaf 1784 een reeks nationale vergaderingen van vrijkorps vertegenwoordigers. 13 517 vrijkorps manschappen (ongeveer de helft van het totaal in de Republiek) kwamen samen te Utrecht in 1786, waar het eerste democratisch verkozen burgher college vormde een nieuwe stadsraad. Ondertussen werd Willem V ontheven van bevel over het leger, waarop hij verhuisde van Den Haag naar Nijmegen zonder zelf iets te doen om zijn gezag te herwinnen.
                 In Augustus 1786 troepen van de Staten Generaal marcheerden naar Elmburg en Hattem (twee kleine stadjes in het Arnhem Kwartier) nadat het ridderschap van Gelderland de Stadhouder vroeg orde te herstellen. Dit dreigde een burger-oorlog want de vrijkorpsen van Arnhem en Zutphen begonnen wapens, voorraden, en geld te verzamelen voor een verdediging. De Pensionaris van Gelderland eisde de Staten van Holland 'de nieuwe Alva' (de Prins van Oranje) tegen te staan en stop het betalen voor het leger van de Staten Generaal. De stad van Utrecht werd een legerkamp. In een vuurgevecht tussen Patriot vrijkorpsen en Staten troepen Mei 1787 bij Amersfoort sneuvelden tachtig soldaten.
                 De Staten van Holland verbood het dragen van oranje, bewapende Patriottische boeren, en strafde Oranjegezinden. Het vroedschap van Amsterdam en van Rotterdam werden gezuiverd in 1787, welk voorbeeld ook in andere steden werd gevolgd. Het scheen een Patriotten overwinning in Utrecht en Holland, Overijssel, en gedeelten van Gelderland, noord Brabant, en Groningen, maar zaken stonden anders in Zeeland en Friesland. Eigenlijk stond het volk overal gescheiden. Zelfs in Amsterdam fervente Oranjegezinde dokwerkers, timmerlieden, schuitenschippers (de 'bijltjes' genoemd) van langs het IJ, werden alleen op hun scheepswerven gehouden door de bruggen naar de stad te breken (Mei 1787).
                 De Staten van Friesland te Leeuwarden werd uitgescholden als 'onwettelijk' met een Patriot Staten van Friesland vergaderd te Franeker. In Zeeland de Oranje schutterij stond welbewapend en vrijmoedig ~ vaak gesteund door menigten van vissers- en zeelieden. In Gelderland, Arnhem en Zutphen werden bezet door Staten leger manschappen en de vrijkorpsen onderdrukt zodat bij Juni 1787 de provincie weer naar de Stadhouder viel.
                 De Patriot Partij wist dat Pruisen bedreigde en gevaarlijk was maar Engeland de grootste vijand van de Republiek. De Oranje Partij ontving geld en aanmoediging van Britse ministers. Toen in 1787 Willem V zijn echtgenote Wilhelmina naar Holland stuurde om een poging te doen macht te herwinnen, werd zij gearresteerd te Goejanverwellesluis door het Gouda vrijkorps. De koning van Pruisen was haar broer ~ en deze verkondigde dit als een berekende belediging aan het Huis van Hohenzollern. Met sterke aanmoediging van Britannie marcheerde een Pruis leger van 26 000-man op Amsterdam en Den Haag zonder tegenstand, Utrecht capituleerde. De Patriot Revolutie viel uit elkaar.

De Val van de Republiek
                 Met Engels geld en troepen van Pruisen kwam Willem V in triomf terug naar 's Gravenhage. Een reactie begon nu. Willem wilde weinig meer dan het herstel van de Oranje Partij met een minimum van vergelding, maar tal van Patriotten moesten het land verlaten, in verschillende steden werd de oude regering hersteld, en alle Patriotten werden uit overheidsambten ontzet. Veel van hen vestigden zich te Brussel en gingen later naar Frankrijk. Vanaf 1789 werd die van de Patriotten onontwarbaar verbonden aan de Franse Revolutie dat was gevormd door de Verlichting en het voorbeeld van de Amerikaanse Revolutie.
                 In zuid Nederland een protest beweging tegen Oostenrijk ontwikkelde zich vanaf 1787 ~ speciaal in Brabant waar de Staten de keizer liet weten dat zijn regering zich moest houden aan dezelfde beperkingen met opzicht van historische bevoorrechten als zijn Bourgondische en Habsburger voorgangers hadden be-edigd. Hij werd aangeklaacht voor het vertrappen van de oudste grondwetten. Burger-onrust te Brussel veroorzaakte het terugtrekken van de stad door Oostenrijkse troepen, en voor twee jaar het zuiden stond aan de grens van revolutie. Vanuit een hoofdkwartier te Breda, brachten Belgische rebellen een leger naar het zuiden dat behaalde een overwinning over het Oostenrijkse leger in Brabant.
                 De Staten Generaal vergaderde te Brussel in 1789 en verkondigde een Republiek van de Verenigde Nederlandse Staten met het eene oog op de Amerikaanse Revolutie en het andere op de Revolutie tegen Spanje. Pruisen, met de Oranje Partij in de noorderlijke republiek, ondersteunde de nieuwe zuidelijke republiek en stuurde een troepenmacht om te helpen. De republiek was een kortstondig fenomeen maar kwam op een beslissend moment in de geschiedenis van Europa en de Lage Landen. Het volk (voor het eerst aangeduid als Belgen) speelde haar rol in de ontstuiming dat ging door de westerse wereld na de Amerikaanse Revolutie waarin de Patriot- was de eerste en de Franse Revolutie het meest dramatische.
                 Het zuiden kwam onder het gezag van revolutionair Frankrijk met de overwinning door het Franse leger te Jemappes in 1792, en dan het vernietigen van het Oostenrijkse leger in de slag van Fleurus in 1794, en in 1795 werd het formeel aan Frankrijk gehecht ~ waarna al de staatsinstellingen veranderden. Het leger van de Franse Republiek marcheerde noordwaarts. Toen het Utrecht berijkte in Januari 1795 werd het begroet met vlaggen en tekens van de revolutie. Voordat het Franse leger Amsterdam aandeed viel de stad al aan inwendige revolutionaire committees. Terugtrekkende Engelse en Oostenrijkse troepen lieten hun frustraties los op de plaatselijke bevolkingen en plunderden dorpen en steden. Het Franse leger werd door de bevelhebbers onder een strenge tucht geplaatst en de Franse aanval begon overal in Nederland op een bevrijding te lijken. De Patriot Revolutie scheen hersteld. De naam van de Republiek werd veranderd tot de Bataafse Republiek. Ze was alleen in naam zelfstandig, maar in werkelijkheid was een Franse vazalstaat.

Het Eind van de Republiek
                 In de Bataafse Republiek de Patriot Partij was nu vrij om haar revolutie voort te zetten, maar niemand wist precies wat dit zou meebrengen. Willem V was gevlucht naar Engeland, en Oranje Partij aanhangers werden verplaatst in al de ambten, maar het ging heel anders dan in Frankrijk waar de guillotine bloedig bezig was. Democratische methoden kwamen terug in het beleid van veel steden maar de oude regenten families waren toch in staat veel van hun invloed te behouden. Meest van de instellingen van de Unie van Utrecht bleven in kracht.
                 Gedurende het decennium vanaf 1795 werd de Nederlandse grondwet herhaardelijk bezocht ~ in een grootschalige 1796 verkiezing waarin iedere inwoner van het land ouder dan twintig jaar (en niet overheids bijstand ontving) een stem had, en weer in een 1797 verkiezingsvraag. In 1798 een door de Fransen geholpen coup d'etat bracht een geheel nieuwe grondwet dat werd aangenomen in een volksverkiezing waarin veel minder burgers een stem hadden en slechts dertig-procent een stembiljet tekenden. Twee maanden na deze verkiezing volgde een andere coup maar deze nam de nieuwe grondwet ook aan. De provincies werden opgebroken: Holland in drie departementen, Friesland en Groningen werden Ems, de Staten Brabant, met stukken van Holland en Gelderland, werd Noord Brabant, Utrecht verdween in de departementen van de Rijn en Texel, maar bij 1801 bestonden meest van de oude provincien weer.
                 De Revolutionaire oorlog tegen de Europeaanse monarchie verlamde de Nederlandse visserij, handel, en zeevaart. In 1798 de verbannen Willem V zocht een herstel van de oude Republiek onder het Huis van Oranje en een Engels-Russisch-Oranje inval-leger van 24 000-man landde in noord Holland. Wat was over van de Nederlandse marine ontplooide oranje vlaggen en gaf op. Hoorn, Enkhuizen, en Alkmaar werden bezet en het geallieerde (Oranje) leger trok op tegen Haarlem en Amsterdam. De verwachtte muiterij van Bataafse troepen gebeurde niet en de bevolking verwelkomde Oranje niet met daden. In October 1799 won het Nederlands-Franse leger de veldslag van Castricum en de inbraak struikelde en trok terug naar Britannie.
                 Armoede, nood, en ellende nam aan maar toch was de maatschappij nog standvastig en veerkrachtig, en het traditionele weefsel van sociale voorzieningen als onderwijs, bijstand, en kerkleven bestond nog steeds. Er was meer misdaad en dronkenschap in stad en land dan vroeger maar de straten bleven veilig en schoon. Buitenlandse tijdgenoten oordeelde de maatschappij van de Bataafse Republiek nog steeds een model van menselijke vooruitgang, een bastion van orde, en een standaard voor heel het Napoleonse Europa.
                 Nadat Napoleon zichzelf Keizer der Fransen verkondigde in 1804, zag het regime te Parijs de republieke staatsinstellingen niet meer in een gunstig licht en in 1805 veroorzaakte een coup d'etat dat was het eigenlijke einde van de Bataafse Republiek. De Keizer wilde een dichtere medewerking voor het ronselen van manschappen en geld voor de oorlog, ingrijpende veranderingen in de fiscus, een verenigde uitvoer, en was vastberaden om het te krijgen. Een nieuwe regering werd aangezet in Den Haag met nieuwe grondwettelijke instellingen. Een verkiezing in 1805 om het goed te keuren verdiende slechts een verbazend weinig 14 000 stemmen ~ bijna niemand deed de moeite het tegen te staan.
                 Zelfs deze grondige verandering overleefden slechts een korte tijd want Napoleon wilde een Nederland welke antwoordde in geheel aan zijn eisen ~ strategisch, maritiem, logistisch, en economisch, en dus schafde hij de Republiek af en imponeerde een monarchie in 1806. Al de republikaanse stellingen werden onderdrukt, plaatselijke eliten verloren hun macht en invloed, en enige zelfstandigheid van dorpen en steden verdween. Lodewijk Bonaparte, een broer van Napoleon, werd aangezet als de Koning van Holland te Den Haag, vanwaar hij verhuisde in 1807 naar Utrecht, en in 1808 naar Amsterdam.
                 Met hoge sijmbolische betekenis trok de stadsraad zich uit haar groots en beroemd gebouw dat voor zoveel jaren het toppunt van architectuur en de bezieling van het republikaanse ideaal was geweest. In 1808 werd het Amsterdamse Stadhuis het Paleis op de Dam van een Franse Koning.
                 De Nederlandse Republiek bestond niet meer.

____________________________________________________________


kijk ook naar ['De Ontwikkeling van Europa'] in kaart


de lage landen voor de Romijnen

Dear Albert Burger,
                 Sorry to be slow to reply. I have only just had a chance to read through the summary. I think it is really excellent and definitely rather useful for anyone who wants to keep an incisive overview in mind expressed in Dutch. If you dont object, I will file it away and make use of it myself if I have to give any lectures in Dutch in the future. The phrases and wording you use are very useful to me (my spoken Dutch has always been awful), though of course I read a lot in the language.
                 I wish you lots of success with all your activities in the New Year and beyond,
                 Best, Jonathan Israel

 

 

Sent: Sun 12/20/2009 6:15 PM
To: Jonathan Israel
Subject: dutch republic

        kort nadat uw boek werd uitgegeven kreeg ik het in handen en heb ik het verslonden, toen uitgeleend aan een vriend die ook veel geschiedenis leest, en na tien jaar of zo terug gekregen
        toen wilde ik het opnieuw bestuderen
        als een nederlander die in 1958 als 18-jarige naar canada emigreerde wist ik nooit zoveel van het bewonderende leven in de nederlandse republiek
        ik heb levenslang veel geschreven in het Engels maar nooit in mijn moederstaal dus heb ik besloten om dat nu te doen met uw boek
        op de website kan u mijn vertaling nu vinden
        ik hoop dat ik uw goedkeuring hiervoor mag krijgen
albert

______________________________________________________________
 

De schilderwerk reproducties zijn genomen uit de catalogus voor een
tentoonstelling aan de Vancouver Art Gallery. 6 April - 29 Juni, 1986,
georganiseerd door Rijksdienst Beeldende Kunst.
______________________________________________________________
 

Republikeinse Moderne Partij ~ de Nederlandse opstand tegen Oranje
alles over het republikanisme
de [Batavia] ~ 's werelds beste reconstructie van een 17e eeuws VOC-schip
______________________________________________________________
 

van: Blik op de Wereld ~ uit het voortgezet wetenschappelijk onderwijs
"De belangrijkste en invloedrijkste mensen in de Republiek waren burgers. Steden werden bestuurd door de Vroedschap en door meerdere burgemeesters, de Regenten van de stad. De rijke burgers, het Patriciaat, maakten overal de dienst uit. In de Staten-Generaal zaten vertegenwoordigers van de gewesten maar in het buitenland vroeg men zich af wie en waar de vorst was. De Hoogmogende Heren der Staten-Generaal, in het buitenland Hogue Mogue genoemd, leken de baas te zijn. Maar dat klopte niet want de Republiek was een verzameling soevereine staatjes. Ieder gewest had zijn eigen bestuur en privileges. In de praktijk had het gewest Holland het meeste te zeggen. Daarnaast waren er twee machtige ambtenaren de Raadspensionaris en de Stadhouder. De Raadspensionaris fungeerde als een soort minister van Buitenlandse zaken. Hij deelde zijn macht met de Stadhouder. Deze stond in dienst van de gewesten en was in de eerste plaats opperbevelhebber van het leger, maar werd een symbolische leidersfiguur. Geen wonder dat er wel eens conflicten ontstonden tussen de beide functionarissen en de gewesten."
______________________________________________________________


 


de Krant, April 2013

THE PRINCES OF ORANGE
The House of Nassau is an old middle-German family of the high European nobility. It became known as the House of Oranje-Nassau after the inheritance of the over thousand-year-old, tiny princedom of Orange (independent til 1711) in the south of France by William duke of Nassau-Dillenburg (1533 - 1584) by which he gained the title of Prince of Orange.
                 1530-1544: Rene van Nassau
                 1544-1584: Willem van Oranje-Nassau
                 1584-1618: Philips Willem
                 1618-1625: Maurits
                 1625-1647: Frederik Hendrik
                 1647-1650: Willem II
                 1650-1702: Willem III
                 1702-1711: Johan Willem Friso
                 1711-1751: Willem IV van Oranje-Nassau
                 1751-1795: Willem V
                 1795-1815: Willem van Oranje-Nassau, became king Willem I of the Netherlands;
                                                   thereafter Prince of Orange became a dynastic title, borne by the oldest son.
                 1815-1840: Willem, later king Willem II
                 1840-1849: Willem, later king Willem III
                 1849-1879: Willem, prince of the Netherlands
                 1879-1884: Alexander, prince of the Netherlands
                 1980-2013: Willem-Alexander, later king Willem-Alexander
 

Prince of Orange: William the Silent ('Father of the Fatherland')
                 Under the Spanish Crown after 1528, a single Stadhouder had authority in Zeeland, Utrecht, and Holland. In 1540 the first of the Oranje-Nassau line (born in Breda) was named Stadhouder of Holland, Zeeland, and Utrecht, and from 1543 also of Gelderland.
                 Willem de Zwijger (William the Silent) was without doubt the greatest man of high nobility in the Netherlands of the time. He posited that conscience and faith could not be compelled. In the 1560s he argued so in the Staten Generaal at Brussels, and added that such oppression cannot have a place in the policies of the government and that the persecution of heretics must be stopped.
                 Willem van Oranje was the richest, smartest, and most wellspoken of the high nobility. His role was decisive in the disputes that followed. (Willem later received as a nickname 'the Silent' because he seldom said what he thought.) He was the appointed Stadhouder but decision-making power lay with the bureaucracy. This exceptionally able politician soon showed himself as the most important rival for power in opposition to the bureaucracy. As head of the Nassau dynasty in Breda since 1544 he had long supported the Spanish Crown.
                 Ambition played a role, but Willem had a connection to freedom of conscience and faith that was deeper than in any other of the high nobility. After he married a Lutheran, he stood resolute between the unstemmable power of Protestantism and the immovable barrier of the Catholic Spanish Crown.
                 In 1568 (with his lands and estates confiscated and his reputation with the king at its nadir), Oranje unfurled the flag of rebellion and the nobility gathered around him. He announced that he was still governor-general as the king had not relieved him of these duties in the manner prescribed by the usages and rights of the land. The Staten of Holland accepted this and saw him as Stadhouder and captain-general of the three provinces. More than that, it recognized Oranje, in the absence of His Majesty the King, as Protector of all the Netherlands ~ an amazing step and a total negation of the authority of the Spanish general who had been charged with putting down the insurrection in the lowlands.
                 The Prince counselled de Staten to stand and fight with the rest of the Fatherland to hold on to the historical rights and privileges of the provinces. De Staten was in accord and voted 600 000 guilders for three months pay for the troops that had been hired on. Oranje promised that in future he would not govern Holland without the approval of the Staten. By taking the administrative functions the Staten of Holland had changed itself from an consultative group to an undeveloped government.
                 The Staten Generaal met in 1576 without having been called by the king (for the first time since 1477). Though insisting that it continued to recognize the sovereignty of the Spanish king, it formally united with the forces supporting Oranje to drive out the Spanish. In their councils the provinces and the cities empowered this decision. North and south stood now together but the nature of their revolts were very different. The south wanted to have the catholic faith restored while in the north protestantism was irresistable. The political chasm was deeper than ever and played out over three long years in military and civil disturbances throughout the north ~ with the 1578 'Alteration' resulting in Amsterdam with the banning of catholic officeholders and the closing of catholic churches. Oranje searched continually in the south for tolerance of protestantism and in the north for catholicism in a 'peace of belief'.
                 The Prince was shot dead in 1584 by a catholic fanatic on the steps of the Prinsenhof in Delft; his last words: "my god, my god, have mercy on me and on my needy people." For the first time Holland had to lead the revolution without Oranje. The transfer of power was accomplished by the creation of the Raad van State (Council of State), and this was what kept the Revolution and Nederland in being.

Prince of Orange: Maurits
                 After the death of Willem van Oranje, no one was appointed as his successor in Holland and Zeeland because his son Maurits was still too young, but the Staten marked him as future Stadhouder by placing him in the chair of the Raad van State in 1584.
                 In 1591, Maurits ~ now commander-in-chief of a 16 000-man well-trained army (the largest ever put in the field by the Republic) threw himself into a series of sensational attacks, with newly invented transportation, artillery, en siege methods, attacking and taking Spanish-held forts and freeing cities.
                 In 1592 Maurits besieged a feared bulwark city with a defensive force of well over a thousand first-rate Spanish troops. It came to be known as one of the most noteworthy of his heroic deeds. Usually a city would be closed off and slowly starved to capitulation, but it was well-provisioned and could probably withstand a siege for many months. Maurits shortened the procedure by bombarding the garison inside the walls with unheard of quantity of artillery: 50 pieces fired 29 000 times. He also had new methods in making trenches and used mines of new design. Maurits expected his troops (in the manner of the early Romans) to dig the trenches themselves and not by hired farm workers. The stronghold fell in 44 days.
                 The following year, in a campaign in the south, Maurits ordered his troops again to dig and paid them ten stuivers (5 cent pieces) per day (as much as a farm laborer earned) in addition to their soldiers' pay; it went so fast that Spanish relief troops arrived too late. Army engineers had special wooden mats made so that artillery pieces would not sink in the mud. So much was new in the siegeworks and in soldier discipline in the army camp that it became a tourist attraction for highborn ladies. The city fell after four months, and it became one of the most famed of Maurits' accomplishments
                 In 1597, with the army of Spanish Flanders busy on the French border, Maurits marched up the Rhine and took the most important fjord of the great river, cutting supply lines to fortresses and strongholds to the north on which he marched next. The campaign again was noteworthy because of the advanced methods employed for the transport of troops and artillery by sea and river.
                 In 1600 the Republic threw the might of its forces across the river Schelde to march on Dunkirk from where a pirate fleet harassed Dutch fishing vessels and its merchant marine. Ten-thousand elite Spanish troops marched to meet them and drove Maurits and his army back along the beaches until a sunset cavalry charge accomplished the unthinkable: the proud Spanish veterans were defeated.
                 The city of Ostend was occupied and became a symbol of prestige in the long war. By 1602, it had a Dutch and English defense garrison of 5675 men, but a new Spanish commander brought the full force of the Flanders army to a siege that would last three years and 80 days. The city had the last notable protestant community in Flanders and none could stay without accepting the catholic faith. Most left with the soldiers.
                 After a third of a century, the rebel territories had grown from an uncertain strip of ground to one of the great powers in Europe, and the Dutch armed forces were the most well trained in Europe and (except for those of Spain) the largest (mustering 51 000 by 1607).
                 From 1606 there were no changes to the borders of the Republic after a ceasefire agreement and the signing in 1609 of a twelve-year peace treaty.
                 After his brother Philips Willem died in 1618, Maurits was Prince of Orange ~ upon which he managed to acquire, by a political coup, the main powers of state. He died in 1625, having held more power and authority than any man since the death of his father.

                 Frederik Hendrik was his successor as Prince of Orange and commander-in-chief of the army, but never had the political power that Maurits did. Through the years, slowly but surely, Frederik Hendrik became more impressive in the style of his house and court, and the Staten Generaal changed the manner of adressing him from 'excellence' to 'highness'. He gained positions as Stadhouder of Groningen, Drenthe, Wedde and Westerwold in 1640, but Friesland denied him. In 1641 he achieved great prestige in the courts of Europe by arranging the marriage of his son to a daughter of the English king. Appearance was greater than reality, however, as the political power of the Prince diminished steadily until his death in 1647

Prince of Orange: Willem II
                 The time with Willem II as Stadhouder was short but of great importance in the history of the Republic because it brought a very serious crisis. He first appeared in public life in 1645 when he wanted to obtain command of the field army from his sick father who denied him. The relationship between father and son was poor, and after Frederik Hendrik died, a bitter dispute arose between Willem and his mother over the last testament of the old Stadhouder.
                 Willem II opposed the peace treaty signed at Munster and The Hague in 1648, but was powerless to prevent it. The festivities that followed were widely perceived as the celebration of the triumph of Holland over Oranje, and it was said that the principles of de Staten van Holland again were the determining factor in the Republic.
                 The Prince staged a coup d'etat in 1650. The plan had been hatched the year previous between two Stadhouders: Willem II of Holland and Willem Frederik of Friesland. Six Holland regents were arrested on the Binnenhof (government grounds) and troops mobilized in The Hague. Meanwhile, 12 000 soldiers of the garrisons in Gelderland marched in the night on Amsterdam where the gates were closed just in time to prevent them entry.
                 But now the Prince could negotiate from a position of strength and Amsterdam capitulated. Opposition to his wishes disappeared. This was followed by increases in the armed forces, and there were no more disputes over his decisions in foreign policy.
                 For a few months the 'good patriots' of the Oranje Party were in seventh heaven, but in November Willem died of the pox. For many of the Calvinists, who believed in divine intervention in state and church, his death was dreadful and inexplicable. The State Party was suddenly back at the helm.
                 No Prince had reached sovereign power in the north of the Netherlands after 1572. Oranje had promised always to consult the Staten, but it was not until 1587 that a total republican system developed in which Holland ~ if not in theory but certainly in practice ~ stood high in all decison-making, in military command, and in appointments. This had come to an end by a political coup of Maurits in 1618, and after this the Stadhouder held the greater powers.
                 With the death of Willem II in 1650, Holland again took the reins of state; its Staten showed no desire to name a Stadhouder and the position remained indeterminantely vacant. A delegation was sent to Zeeland to prevent its naming a Stadhouder. In Friesland Willem Frederik was Stadhouder, but of all the other provinces only Groningen and Drenthe chose one of the House of Nassau. From this time, in the cities elections without interference from outside the citywalls filled councils. No one had forgotten that it was Oranje who had marched Dutch troops against Amsterdam, and the Staten sought to place the armed forces directly under the Staten Generaal and the Raad van State.
                 The First War with England (in the early 1650s) went badly for the Republic and, as the losses mounted, incubated a rising indignation, and anti-regent, pro-Oranje sentiments among the citizenry. The Staten Generaal was urged to appoint Willem III (though still a child) as commander of the armed forces but the provinces were split and public unrest disturbed Holland.
                 England won the seabattles on the North Sea but could not win the war and agreed in 1654 to a peace treaty. It had a secret clause, of which none was aware but Holland, that determined that the English Parliament would not approve the treaty unless acceptance by Holland of an "Act of Seclusion' (the result of the ties between the houses of Oranje and Stuart). It demanded that nevermore any member of the House of Oranje-Nassau be named to 'high charges' of the state ~ as Stadhouder or captain-general. Riots followed after this became known, and many of the cities in Holland, and the nobility, opposed it vehemently. Yet, rather than split the province, the Staten of Holland carried the treaty ~ with the exclusion clause, to full approval.
                 In the same year de Staten of Holland published a 'Deduction' in which several important principles were asserted. The Union of Utrecht (virtually the Republic's constitution) was nothing more, it stated, than a formal agreement between seven 'sovereign states', and each of these remained free to make their own decisions as to the office of Stadhouder, recognize or not any candidate for captain-general, without consideration of other provinces. If it were to be proved against the 'touchstone of the real and unfalsified freedom', it argued, everyone must realize 'that high places cannot be inherited ~ in a republic, by those whose ancestors held these offices, without substantial danger to this freedom'.
                 The regents lined up against the exclusion of Oranje because the Dutch people strongly disapproved of it, but they did not actively oppose it. Holland stood stronger than ever, could now bend other provinces to its will, and all of the armed forces were placed under the command of the Staten of Holland.

Prince of Orange: Willem III
                 During the last years of the 'Real Freedom', Willem III reached adulthood and how exactly he would stand in the Republic could no longer be postponed. This renewed the battle about the House of Oranje, in combination with vehement disputes over freedom of faith, the authority of the church, and personal liberty.
                 In 1667 the Staten of Holland proclaimed an 'Eternal Edict' for the 'protection of freedom' wherein the office of Stadhouder was abolished. It gave the political power of the Stadhouder to the Staten, but several cities held that the Staten did not have sovereign authority but was simply a gathering of representatives of city councils. Still, the Edict was accepted by the other provinces in 1670 as the "Act of Harmony'.
                 A threathening war with France compelled the provinces in 1671 to strongly urge the appointment of the Prince of Orange as captain- and admiral-general, and this was proposed to the Staten of Holland. Most of the provinces went along. It was noted that this went against the Eternal Edict as Willem already held a seat in the Raad van State, but when it could not be prevented it was attempted to make the appointment limited and not for life. By 1672, it was done 'ad vitum' but with strict oversight by the Staten Generaal 'in the field'.
                 The year became the most traumatic of the 'Golden Century'. Then occurred a military collapse, and the moment of defeat for the Republic seemed at hand. But now the people intervened in the progress of internal politics and the ideological disputes ~ more so than since the 1580s, and with decisive and permanent results.
                 While the Staten Generaal was negotiating capitulation, the Dutch citizenry demonstrated and rioted in the cities of Holland. The armed civil forces (the schutterij and landweer), with drawn weapons, closed the gates and forced city councils to a more resolute defense of the cities. The people demanded that the Prince of Orange be placed at the head of all the armed forces to defend the fatherland. Handworkers and tradesmen, working women and men, with farmers and fishermen, ruled the streets. Zeeland also became riven with disorder and riot.
                 The people had intervened before (1566, 1572, 1576-77, 1580s, and 1617) but 1672 was different. Both parties in Dutch life were undemocratic and saw no place for the citizenry, the schutterij or the landweer. The State Party emphasized the absolute authority of the Staten, but the Oranje Party named the people the 'real patriots' and an invaluable check (from time to time) on the regents ~ and argued that in times of great need the intervention of the people was neither unlawful nor invalid. De Prins first became Stadhouder of Zeeland, then of Holland as well, and the people had changed the structure of power.
                 Til now the reputation and popularity of Willem III had rested on his resolute behaviour in defense of the nation, and his authority stood at the highest level. Dutch forces had been greatly improved and had again become large and well-trained. The young Prince had earned praise, and in 1674 de Staten of Holland voted his Stadhoudership as eternal and inheritable to the House of Oranje-Nassau. He gained enough power to force great changes in the provincial systems of government.
                 This caused a sensation throughout the Republic. Oranje and his Party were alarmed and dismayed by the strength of the negative reactions ~ especially from Holland and Zeeland. It was sounded by some of the regents, but it came from a deeper layer of society. (Merchants in Amsterdam, for instance, were dismayed that powers that belonged to the Staten would be given up.) The rumor was that this was but a first step to sovereignty over all of the United Provinces. The city of Amsterdam saw it as a breach of the Union's constitution, and refused to accept the approval by the Staten of Holland. Still, the Prince issued a new 'reglement' that enforced his authority over the provinces. But from 1677, a strong political counterweight to Oranje and his Party developed in Amsterdam ~ for the difference between the Republic under the governance of a dominating Stadhouder, and that of a republican regime without a Stadhouder was now plain as day.
                 Willem III became sovereign of England in 1689 and took that country into war against France. The Stadhouder-King, as he now was, kept Dutch troops in Britain and Ireland and allowed the English navy supremacy on the high seas. This last was very concerning to the Republic, and it was even said that Willem had now not only three kingdoms (England, Scotland, and Ireland), but also a fourth: the United Provinces.
                 Together with the highest functionary of the Staten of Holland, Willem began in 1693 a three-year-long series of secret consultations with the French court that resulted in a peace treaty. The noteworthy characteristic of these consulation was that neither the British Parliament, nor the Dutch provinces, or the Staten Generaal, had any knowledge of this.
                 The international status of Willem, and his reputation, appeared high, but actually nothing had been established, and from the time of his death in 1702 the authority of Oranje (in the Netherlands and Britain) diminished steadily.

Prince of Orange: Willem IV
                 The changes in the structures of polity became fundamental. A rebirth of the State Party brought back ideals of republican forms of state, ideological traditions, and consultative institutions. While this process followed its course in a calm manner in Holland, it was different in the other four provinces that also decided to continue after 1702 without a Stadhouder. It was paired with significant unrest in Zeeland where Oranje Party members were removed from city councils. In Gelderland, which like Utrecht and Overijssel had immediately nullified the regulations of William III, nothing was done to remove Oranje Party supporters. By centuries-old duties city councils in Gelderland were required to consult a college of common folk (gemeenslieden). Though the tradition had weakened over many years, it had much significance in municipal business in the small cities of Gelderland, Overijssel, and Groningen, as a tribunal for the citizenry and the guilds.
                 It was from these small cities that the early stimulus for democratic tendencies spread across the country during the 1680s and 90s. It was here that those who stood high in society, literate, well-spoken, who had felt robbed by the influence on municipalities of Willem III. The college of common folk announced urgently their duty to to see only qualified persons, true to the Reformed Church, gain seats on the councils to ensure that the municipalities would operate lawfully and under proper leadership. The cities in Gelderland tried to dismiss them but this only led to resistance of their authority. Demonstrations and riots broke out in several cities, spread to Utrecht (where armed citizens took over the city in 1703), and raged through Overijssel. The 'new crew' ~ so-called, wanted a return to the 'real freedom', and asserted that sovereignty had been passed to the people which had a right to undo societal authority for the welfare of the citizenry.
                 For Holland this was all a disturbance it could well do without, but the Staten Generaal could not come to a decision on how to answer the continuing disturbances ~ with or without violence ~ that spread to other small cities through to 1707. This was the year that Johan Willem Friso reached adulthood and was named Stadhouder of Groningen. His followers now called him 'Prince of Orange', but the hope of his party disappeared when he drowned in 1711.
                 From that time on, the Oranje Party was not very vital but was still able to dismiss the college of common folk in 1717, and the following year Friso's seven-year-old son (who had now inherited the title of Prince of Orange) was named as future Stadhouder of Friesland, and in 1719 of Groningen, and in 1722 also of Drenthe. The Oranje Party urged Gelderland also to do the same. This was an important development because never before had the Friesland stadhoudership been combined with that of more provinces. The Staten of Holland, of Zeeland, and of Overijssel warned that this would cause divisions throughout the United Provinces, but the Staten of Gelderland ignored this and did it anyways. The Staten van Utrecht renewed assurances of 1651 and 1702 by which it was exempted from a stadhoudership. Holland passed a resolution in 1723 ~ with support from Zeeland, Utrecht, and Overijssel, to continue without a Stadhouder.
                 In 1729, the Prince of Orange, Willem IV, turned 18 years of age, and took on his offices. From the seat of his administration in Friesland, he began to play an active role in the politics of the nation. Holland regents kept him out of the Raad van State. The Prince had plans for a marriage with the daughter of the English king. This was very unpleasant to the Raad van State, to Amsterdam, and to the Holland regents, but in 1733 the marriage was celebrated in London.
                 A war (about the Austrian succession!) broke out between four neighboring countries in 1740. Dutch forces were brought up to 84 000 men. The Republic would rather remain neutral, but in 1745 and 1746 the French attacked the Austrian Netherlands south of the big rivers and occupied Antwerpen and Brussels. In 1747, a relatively small French army of 20 000 marched north through Flanders.
                 Nobody could foresee the enormous and sensational results. The Staten Generaal had brought troop strength up to 95 000 for a good defense, but the people became highly excited. Common opinion stood strongly against the regency, and the Dutch Republic at the point of a large scale revolt. When the French entered Brabant, fear and anger exploded among the population of Zeeland where seafarers caused serious disturbances, and within months the Staten of Zeeland announced the re-establishment of the stadhoudership.
                 There was an immediate reaction in Holland. In the large cities fluttered orange flags and banners, and inhabitants wore orange ribbons. Even in proud Amsterdam a giant orange banner was unfurled on the cityhall building on the Dam. The Staten of Holland proclaimed Willem IV Stadhouder, Utrecht and Overijssel followed, and that same year of 1747 Willem became the first Stadhouder of all the Provinces of the Union.
                 The people wanted the House of Oranje, but more than that wanted a strengthening of citizen participation in municipal governance, reform of corruption among regents, a restitution of the prestige and power of the Republic, the repression of Catholicism, and policies to revitalize industry and the economy. Willem wavered and hesitated, and did nothing. Perhaps he thought the excitement would resolve itself.
                 The Stadhouder concentrated with great succes on the rebuilding of his powers throughout the Republic. The 1675 'reglement' of Willem III returned unchanged and Willem IV took the Staten of Holland in the same strict grip as his predecessor had. There was great disappointment everywhere and demonstrations and riots raged through to 1751 in a continuing Oranje revolution that pulled the Republic far from the seven sovereign allies, to a structure of state that was acually a monarchy without a king. But that same year Willem IV died.

Prince of Orange: Willem V
                 The nobility arose with the influence of the court in The Hague that gave supporters of the Stadhouder important posts in the armed forces, the bureaucracy, and in the institutions of the provinces. It resulted in thirty years of stability and calm, but below the surface lay still the dissatisfaction of the populace which the Oranje regime could not satisfy. It would not have been impossible to find solutions during the second half of the 18th century for the development of the Republic towards a more democratic nation, but it could be said that the Republic now was hollow and the grip on power of the Oranje Party uncertain.
                 Willem V reached his majority in 1766 and became Stadhouder of all the United Netherlands but no initiative whatsoever came from him. When the Prince was ready to accept governance over his domain, he compelled himself (by the Act of Consultation) to the advice of his Austrian-born guardian, who took on the role of 'Lord Protector' (beschermheer) to steer Oranje cliques in the provinces, quarters, and cities. he doled out offices and developed loyalty to strengthen the influence of the court, and he overwhelmed the political landscape.
                 An anonymous letter, 'To the People of the Netherlands', spread quickly in 1781 as a sort of mass communique throughout the entire Republic. It was forbidden and banned by the Staten Generaal, but nonetheless had an important influence on the development of the citizenry of democratic leaning.
                 It asserted that the people of the low lands (long before the establishment of the Republic) had always stood on a high level concerning societal and political freedom by colleges of sworn representatives of the citizenry, rural and urban citizen-militias, and the influence of the guilds. The basis of this freedom was the unrestricted right to meet and gather, to organize, to form committees, choose representatives, and voice their opinions. The people were robbed of this right by a Frankish emperor and a Spanish king, but the Revolution of 1572 did not restore it ~ these principles were already in 1582 betrayed in a decision of the Staten of Holland that forbade city councils to consult the guilds and militias, and it was the work of the Princes of Orange by use of the army for 'who has the armed forces can do as he wills'. Only a strongly armed citizen-militia can defend this 'peoples-freedom'.
                 Indignation and insult grew in the populace that expressed itself in desire to return to the fundamental principles of the Republic, and the reinstitution and continuation of these in a new Patriot Revolution. The goal was to take the leadership in municipal and provincial life from the favorites and cliques of the Stadhouder, and to hand over their powers to the people whose heroes in history were not only those of the Reformed faith but also Lutheran, Mennonite, and Catholic.
                 From 1783 so-called Patriot Freecorps were set up. By 1786 these citizen-militias existed throughout the Republic with some 27 000 members. About half of them came together that year at Utrecht where the first democratically elected citizen college acted as the city council. Meanwhile Willem V was dismissed from his posts in the armed forces, after which he moved from The Hague without doing anything to win back his powers.
                 Late that summer, the Staten Generaal, at the request of the Gelderland Stadhouder, mustered troops to restore order in two small cities (another high Gelderland official demanded from the Staten of Holland that it stop the soldiers' pay). Civil war threatened as the freecorps rallied to defend them and Utrecht became an army camp. Eighty men died in a firefight in 1787.
                 The Staten of Holland forbade the wearing of orange, armed Patriot farmers, and punished Oranje sympathisers. But sentiments among the populace were split. Even in proud Amsterdam, fervent Oranje-leaning dockworkers, carpenters, and shippers were only kept on their wharves by disabling the bridges that would give them entry to the city. In Zeeland an Oranje militia mustered with support of fishermen and seafarers.
                 On a pretext, a Prussian army of 26 000 marched on Amsterdam and The Hague; Utrecht capitulated, and the Patriot Revolution fell apart. With English money and Prussian troops, Willem V made a triumphant return to The Hague. He wanted little more than the restoration of the Oranje Party with a minimum of revenge, but many Patriots left the country. All Patriots were removed from city and provincial offices. Many of them established themselves in Brussels and later went to France.
                 In the Austrian south meanwhile had developed a protest movement against the emperor who was accused by the Staten of Brabant of violating the oldest constitutional rights. For two years the southern low lands teetered on the edge of revolution. Rebels established at Breda brought an army south that defeated the Austrian army of Brabant.
                 The Staten Generaal met in Brussels in 1789 to proclaim a Republic of the United Netherland States. It was only a short-lived phenomenon, but came at a decisive moment in the history of Europe and the Lowlands. The people, for the first time referred to as Belgian, played a role in the political upheavals that raged through the western world after the American Revolution, in which the Patriot- was the first and the French Revolution the most dramatic.
                 After the Austrian armies were destroyed by the French (1792, 1795), all of the political institutions changed in the south when France annexed it. The French revolutionary army marched north. It was greeted with cheers and flags at Utrecht, and Amsterdam opened its gates. In short order the Republic was renamed the Batavian, but it was independent only in name.
                 Willem V escaped to England, and it appeared the Patriot Revolution would continue: Oranje Party bureaucrats were replaced, but it went quite different than in France where the guillotine fell bloodily. Democratic methods returned in the governance of many cities and most of the institutions of the Union of Utrecht remained in place.
                 In 1798 the exiled Willem V, seeking to restore the old Republic under the House of Orange, landed in northern Holland with an English-Russian-Oranje invasion force of 24 000. What was left of the navy there unfurled Oranje banners and gave up. Willem marched on toward Amsterdam, but the populace did not welcome him. In 1799 a Dutch-French army defeated his forces, the invasion stumbled, and Willem V returned to Brittain.

                 After Napoleon pronounced himself Emperor in 1804, his regime no longer looked favourably on the republican state institutions. In 1805, the French fomented a coupe d'etat that was the actual end of the Batavian Republic, and the following year Napoleon declared it a monarchy. Local elites lost power and influence, and any independence of cities and provinces disappeared.
                 Napoleon's brother was set on the throne at The Hague, but he moved soon to Amsterdam. With great symbolic significance, the city council left its opulent and famed building that had for so many years been the acme of architecture and the soul of the republican ideal. In 1808, the Amsterdam Stadhuis became the Palace on the Dam of a French king. The Dutch Republic no longer existed.
                 Napoleon fell, the might of France was strictly proscribed, and an 1814 Accord of Vienna created the Kingdom of the Netherlands. More than two-hundred years after the promise of William the Silent to never rule alone, another Willem van Oranje-Nassau became king Willem I of the Netherlands.

______________________________________________________________
 

at the publisher

                 "In school we're taught that America began with 13 English colonies, but that's not true. The Dutch colony of New Netherland, which covered all or parts of five future states and had Manhattan Island as its center, was founded only three years after the Pilgrims landed. It was forgotten because the English and the Dutch, the two superpowers of the 17th century, were bitter enemies. Once the English took over the Dutch territory and changed New Amsterdam to New York, they decided that was when the real history of the region began.
                 "The Island at the Center of the World relies on the work of dozens of scholars who have devoted themselves to a reappraisal of the Dutch colony, but more than anything it relies on the translation work of Charles Gehring. Based at the New York State Library in Albany and under the auspices of the . . . nonprofit organization he has formed, the New Netherland Project, he has spent thirty years translating and publishing the court cases, council minutes, and correspondence of the colony, and so bringing this forgotten piece of American beginnings to light."
 

the first North American [treaty] was concluded between the Iroqiois Confederacy and the United Provinces in 1613