2010 02 05

Friesland=Holland=Nederland

          hollanders (net als buitenlanders) geloven vaak dat holland=nederland en nederland=holland, maar holland begon pas toen ene Dirk in 922 een stukje grond kreeg van een franse koning in het groot duitse (oftewel heilige romeinse) rijk; zo was het hollandse gravenhuis geboren dat bestond tot 1425 toen de laatste onafhankelijke graaf van holland stierf
          lang voor de tijd van christus waren de frisii al bekend, en waar de latere frieslandse bevolking een mengelmoes van frisii, angels, saksen en juten was, heeft het haar wortels diep in de oudste tijden en heeft friesland de principen van een maatschappij gebaseerd op de zelfstandige individu het langst geborgwaard (tot 1498) tegen die van de geconcentreerde machten van koning, kerk en god ~ welke vorm van heerschappij door de romeinen werd gebracht
          hoe groot het gebied dat onder fries gezag lag in de tijd voor christus is niet geweten maar strekte misschien van danmark tot gallia en oost tot de rivier elbe, en al in het begin onzer jaartelling hadden de romeinen een verdrag met de west-germaanse stam van friezen die een nauw verband hadden met andere stammen; zij ondersteunden by voorbeeld (in de eerste eeuw) chauken en ook de (welbekende) opstand der bataven
          na de onderwerping door karel de grote (charlemagne) werden de oude wetten gecodificeerd in de lex frisionum (802 te aken?); in dit volksrecht hadden alle vrije mannen de verplichting de rechtsvergaderingen bij te wonen (de dingplicht ~ zoals later in ijsland)
          de koppige friezen bewaarden individualisme bij het eigenzinnige af; in 1536 scheidde menno simonsz (die zijn naam leende aan de mennonieten van vandaag) al van de rooms katholieke kerk, en veel later ging de friese arbeidersbeweging als eerste in socialistische banen
          het is dus niet zo ver gezocht om te kunnen zeggen dat nederlanders hun vrijgevochten aard meer aan friesland dan aan holland te danken hebben
_____________________________________________________________

 

van het Kanon fan de Fryske skiednis in het Nederlands:

                De oudste bewoning in het tegenwoordige Friesland dateert van ongeveer 11.000 voor Christus. Door de IJstijd lag de zee veel lager dan tegenwoordig en het landschap was nog een koude en kale toendra waarop de mensen jaagden op rendieren en voedsel verzamelden. Pas na het einde van de laatste IJstijd (ca. 8.000 voor Christus) veranderde het klimaat zo dat er bomen begonnen te groeien. Daarna nam de bewoning langzamerhand toe, maar deze bestond nog wel zo’n 5000 jaar hoofdzakelijk uit rondtrekkende jagers en verzamelaars. De opkomst van het boerenbedrijf vond in het latere Friese gebied – want de mensen noemden zichzelf nog geen Friezen – pas later plaats, ongeveer in 3400 voor Christus. De eerste boeren woonden op het zand, ongeveer in de tegenwoordige Wouden en in Gaasterland. Op grond van het aardewerk dat van hen is teruggevonden, worden ze Trechterbeker-mensen genoemd. Hun sporen hebben ze achtergelaten in het gebied van Groot-Brittannië tot en met Bulgarije. Ze zijn ook bekend geworden door hun hunebedden. . . . Het oudste bewijs van de activiteiten van deze prehistorische boeren in het tegenwoordige Friesland is aangetroffen op een zandrug bij Bornwird bij Dokkum. Daar vonden archeologen een akker de dateert uit ongeveer 3000 voor Christus. Deze boeren hielden vee en hadden ook wat bouwland. Herders lieten in het voorjaar en de zomer het vee weiden in velden aan de rand van het zand of op de klei. In de eeuwen daarna nam de bewoning van de zandgronden in de Wouden toe, om in het laatste millennium voor het begin van de jaartelling weer af te nemen. Door een sterke groei van het veen raakte steeds meer boerenland overwoekerd. Uiteindelijk raakten de Wouden merendeels ontvolkt en trokken de mensen met hun vee naar de zeer vruchtbare kwelders – de tegenwoordig ingedijkte kleistreken – waar ze terpen opwierpen om op te wonen. Dat vond plaats vanaf ongeveer in 600 voor Christus.

                 . . . Onze kennis over de Romeinse periode in het Friese gebied is gebaseerd op enerzijds archeologische vondsten . . . en anderzijds op passages in het werk van klassieke, Griekse en Latijnse auteurs. Zij noemen de Friezen – voor het eerst in 12 voor Christus – als bewoners van het gebied tussen de Oude Rijn bij Katwijk en de Eems en om grote meren heen. Dat waren de Flevomeren die hebben gelegen op de plaats van de tegenwoordige IJsselmeerpolders en noordwestelijk daarvan, tussen Staveren en Enkhuizen. . . . Hoe de verhouding tussen Romeinen en Friezen was, is nog altijd niet helder. Was Friesland bezet gebied? . . . Al kan men concluderen dat de Romeinen in de eerste eeuwen van onze jaartelling grote invloed hebben gehad in het Friese territorium, maar dat dit niet onmiddellijk kan worden aangeduid als bezet gebied. . . . In de tijd van de grote Volksverhuizingen is het Friese gebied ontvolkt. Tussen 350 en 450 na Christus, toen het Romeinse Rijk in verval raakte, zijn de Frisii over wie de klassieke auteurs schreven, hoogstwaarschijnlijk naar andere streken getrokken. Later wist men dat niet meer. De klassieke vermeldingen van de ‘Frisii’ zijn hierdoor nadien belangrijk geweest voor het ontstaan van een zelfbewuste Friese [identiteit].

                Tegen 450 hadden de Romeinen zich teruggetrokken achter de Alpen. Daarmee raakten de landwegen, die vooral voor en door het Romeinse leger in stand waren gehouden, in verval. Alleen over water konden nu nog langere (handels)reizen gemaakt worden. De Friezen uit het waterrijke terpenland sprongen in dat gat en voeren met hun scheepjes over de Noord- en de Oostzee en trokken ook de Rijn op om handel te drijven. . . . Op de plaats waar de Rijn zich in twee armen splitste, ontwikkelde zich de belangrijkste uitvalsbasis van de Friese kooplieden: Dorestad. Deze plaats lag in een gebied dat destijds wel werd aangeduid als citerior Fresia. . . .

                Bij storm en springvloed liep het vruchtbare, onbedijkte land langs de Noordzeekust onder water. Het natte kwelderland was uitermate geschikt voor veehouderij, maar als woonplaats voldeed het minder goed. Vanaf ongeveer 500 voor Christus begonnen de mensen die zich daar vanaf circa 600 voor Christus eerst alleen nog in het zomerseizoen hadden gevestigd, daarom uit plaggen en mest terpen op te werpen, verhogingen waarop in de loop der tijd huizen en hele dorpen werden gebouwd. Tot ongeveer 1000 na Christus, toen er steeds meer dijken om de kwelders werden gelegd, zouden deze terpen in functie blijven en ook steeds verder worden opgehoogd. . . . In de vroege Middeleeuwen lag er in het toenmalige Friese gebied langs de Waddenen Noordzeekust een rij van niet al te grote bewoonbare gebieden – men noemt ze heel toepasselijk wel bewoningseilanden – die zich uitstrekte van de Schelde in het zuiden tot even over de Wezer in Noord-Duitsland. Van al deze kerngewesten waren Westergo en daarna Oostergo, allebei gelegen in het tegenwoordige Friesland, het grootst en het belangrijkst. Beide gouwen hoorden tot de dichtstbevolkte gebieden in Europa. Op de terpen in deze gebieden leefden de Friezen aanvankelijk vooral van veeteelt en landbouw. Na de volksverhuizingen werd het gebied waarschijnlijk bevolkt door een ander volk. De Friezen uit de Romeinse tijd zijn dus niet dezelfden als die van na die tijd. Over de herkomst van deze nieuwe bewoners discussiëren archeologen nog steeds. . . .

                Rond 700 leefden de Friezen nog in stamverband. . . . De Friezen hadden toen hun eigen heidense goden. Een daarvan was Fosite, die werd vereerd op een heilig eiland dat in de richting van Denemarken lag. Op dat eiland, dat wij tegenwoordig kennen als Helgoland, liepen heilige koeien die niemand mocht aanraken. . . . De Friezen werd[en] . . . door de Franken verslagen [en] het zuidelijk deel van het toenmalige Friesland (citerior Fresia), waartoe ook de stad Utrecht behoorde, viel toen in Frankische handen.

                [In de eeuwen voor] 1498 [week] de politieke structuur in Friesland . . . af van het gangbare patroon. [Het] Friese . . . vrijheidsideaal [werd] tot uitdrukking gebracht in de . . . leus ‘Frysk en frij’. . . . Friese gebieden gingen . . . niet mee in de uitbreiding van het grafelijk gezag tot wat bekend stond als ‘landsheerlijkheid’. Hoewel in theorie de keizer nog wel erkend werd, verdampte in de Friese landen het gezag van de graven. Het ontstane machtsvacuüm werd opgevuld door zogenaamde ‘landsgemeenten’, corporaties van adellijke en niet-adellijke grondbezitters, die een zwakke vorm van gezag uitoefenden. Dat verschijnsel deed zich voor in heel het toenmalige Friese gebied, van Zuiderzee tot Wezer. . . . Er is – in de dertiende en vroege veertiende eeuw – een aanzet geweest tot het ontstaan van een federatie van vrije landsgemeenten: het bond van de Opstalboom. . . . In 1498 is er een eind gekomen aan de Friese vrijheid. Een buitenlandse legeraanvoerder . . . werd toen door de keizer tot erfelijk ‘gubernator’ (keizerlijke stadhouder) over Friesland aangesteld.

                Net als iedere Germaanse stam, hadden de Friezen een eigen stamrecht . . . [in] een soort van Friese rechtsideologie . . . , die inhoudt dat het eigen recht moet worden gezien als een godsgeschenk, even kostbaar als het christelijk geloof. Godsgeschenk of niet, in 1504 werd het Oudfriese recht . . . in één keer afgeschaft. In opdracht van de Frankische koning is rond 800 een schriftelijke inventarisatie opgemaakt, in het Latijn, van het Friese stamrecht uit die tijd. De tekst, bekend als de Lex Frisionum, is het oudst bewaard gebleven rechtsdocument uit de Friese geschiedenis. . . . De verheerlijking van het Friese recht, dat dan landrecht wordt genoemd, is vooral een zaak van de veertiende en vijftiende eeuw, dat wil zeggen de tijd van de Friese vrijheid. Dan komt ook de claim op dat de Friezen hun landrecht van God zouden hebben gekregen, via Christus en Karel de Grote. . . . Een deel van het Oudfriese recht – in het bijzonder twee teksten, de Zeventien Artikelen en de Vierentwintig Landrechten – geldt voor heel het Friese gebied, dat dan nog loopt van Vlie tot Wezer, ook al is dat politiek gezien geen eenheid.
_____________________________________________________________

 

De stad Amsterdam

Te Amsterdam spreken de deftige burgers en de aanzienlijken tegenwoordig ook, even als men in alle hollandsche steden doet, modern hollandsch. Maar de geringe burgers en de arbeiders, het eigenlijke volk uitmakende, spreken nog steeds amsterdamsch, ofschoon hun amsterdamsch dan tegenwoordig ook veel minder sterk gekleurd is dan vroeger het geval was.

De oudste Amsterdammers spraken ongetwijfeld friesch, want ze waren echte Friezen. Of de alleroudste Amsterdammers, de lieden, die vóor er nog een dam in den Amstel lag, aan de oevers van den Amstel, in de gou Amestelle woonden, daar reeds altijd gevestigd waren geweest, dan of ze wellicht van den anderen kant van 't IJ kwamen, is niet zeker; maar 't is bij mij boven allen twijfel verheven dat de echte Amsterdammers van zuiver frieschen bloede zijn en als zoodanig ook friesch spraken. De geleerde J. ter Gouw is eveneens van dit gevoelen, en heeft in zijn talrijke werken meer dan eens op deze omstandigheid gewezen en zijn denkwijze hieromtrent met bewijzen gestaafd.

Gedurende de eerste opkomst van Amsterdam echter, in de middeleeuwen, toen handel en scheepvaart zich al ras te Amsterdam sterk ontwikkelden, grooten bloei en welvaart aan de stad verleenden en de Amsterdammers daardoor met veel vreemdelingen, (Zuid-) Hollanders, Vlamingen, Brabanders, Bovenlanders, Oosterlingen (bewoners van de oevers der Oostzee) enz. in nauwe aanraking en druk verkeer geraakten, toen ook veel vreemdelingen zich in de stad aan den Amstel vestigden, toen schijnt de friesche taal te Amsterdam al ras verloren gegaan en door het nederduitsch verdrongen geworden te zijn, even als dit in menige andere stad van Noord-Nederland 't geval is geweest. Toch bleef er steeds een sterk friesch bestanddeel in de amsterdamsche volkstaal over, dat er nog heden ten dage niet uit verdwenen is.

Het amsterdamsch van de 14de en 15de eeuw was nog half friesch; dat van de 16de eeuw komt nergens meer mede overeen als met de half friesche, half nederduitsche tongval die men nog heden te Leeuwarden en in de andere friesche steden spreekt. Inderdaad, de amsterdamsche volkstongval van de 16de eeuw en van het begin der 17de, is bijna volkomen gelijk aan het tegenwoordige zoogenoemde stadfriesch; ja, in menig opzicht staat dat oude amsterdamsch nog nader aan het friesch dan de hedendaagsche tongval der friesche steden. Talrijke amsterdamsche schrijvers, vooral dichters en onder dezen voornamelijk de blijspeldichters, geven ons in hun werken proeven van de 16de en 17de eeuwsche amsterdamsche volksspraak. Men sla slechts de werken van den volgeestigen, echt volksaardigen (populairen) Gijsbrand Adriaenszen Bredero op, om, in iederen regel van zijn verzen, talrijke, duidelijke sporen aan te treffen van de friesche taal. Het echte amsterdamsch van die tijden was een krachtigen, kernachtigen, en ook schoonen, geestigen tongval.

In de laatste helft der 17de en in de 18de eeuw begon het amsterdamsch reeds te verwateren en tegenwoordig, in de laatste helft der 19de eeuw spreekt kwalijk de helft der (echte) Amsterdammers nog amsterdamsch. Het drukke verkeer met landgenooten en vreemdelingen, het verbeterde onderwijs en de meerdere leeslust, en boven al de mode, die alles wat oorspronkelijk is of een erfdeel onzer voorouders, verwerpt, heeft van het oude amsterdamsch gemaakt wat het thans is.

Johan Winklers Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon (1874)
gevonden op het Meertens Instituut
_____________________________________________________________

lees ook 'the earliest [europeans]' (in de engelse taal}
en 'de ontwikkeling van [Europa] in kaart'



Web Stats