Home  Albert  News  Purchase  Gallery  Contact  Writings  Links

2014 10 29

Pompebled is de Friese benaming voor het blad van de gele plomp en de witte waterlelie.
de naam wordt gebruikt om de zeven rode leliebladvormige bladen op de Friese vlag aan te duiden, welke verwijzen naar de middeleeuwse Friese zelfstandige landstreken langs de kust
 

Friesland=Holland=Nederland

           hollanders (net als buitenlanders) geloven vaak dat holland=nederland en nederland=holland, maar holland begon pas toen ene Dirk in 922 een stukje grond kreeg van een franse koning in het groot duitse (oftewel heilige romeinse) rijk; zo was het hollandse gravenhuis geboren dat bestond tot 1425 toen de laatste onafhankelijke graaf van holland stierf
           lang voor de tijd van christus waren de frisii al bekend, en waar de latere frieslandse bevolking een mengelmoes van frisii, angels, saksen en juten was, heeft het haar wortels diep in de oudste tijden en heeft friesland de principen van een maatschappij gebaseerd op de zelfstandige individu het langst geborgwaard (tot 1498) tegen die van de geconcentreerde machten van koning, kerk en god ~ welke vorm van heerschappij door de romeinen werd gebracht
           hoe groot het gebied dat onder fries gezag lag in de tijd voor christus is niet geweten maar strekte misschien van danmark tot gallia en oost tot de rivier elbe, en al in het begin onzer jaartelling hadden de romeinen een verdrag met de west-germaanse stam van friezen die een nauw verband hadden met andere stammen; zij ondersteunden by voorbeeld (in de eerste eeuw) chauken en ook de (welbekende) opstand der bataven
           na de onderwerping door karel de grote (charlemagne) werden de oude wetten gecodificeerd in de lex frisionum (802 te aken?); in dit volksrecht hadden alle vrije mannen de verplichting de rechtsvergaderingen bij te wonen (de dingplicht ~ zoals later in ijsland)
           de koppige friezen bewaarden individualisme bij het eigenzinnige af; in 1536 scheidde menno simonsz (die zijn naam leende aan de mennonieten van vandaag) al van de rooms katholieke kerk, en veel later ging de friese arbeidersbeweging als eerste in socialistische banen
           het is dus niet zo ver gezocht om te kunnen zeggen dat nederlanders hun vrijgevochten aard meer aan friesland dan aan holland te danken hebben
_____________________________________________________________

 

van het Kanon fan de Fryske skiednis in het Nederlands:

                 De oudste bewoning in het tegenwoordige Friesland dateert van ongeveer 11.000 voor Christus. Door de IJstijd lag de zee veel lager dan tegenwoordig en het landschap was nog een koude en kale toendra waarop de mensen jaagden op rendieren en voedsel verzamelden. Pas na het einde van de laatste IJstijd (ca. 8.000 voor Christus) veranderde het klimaat zo dat er bomen begonnen te groeien. Daarna nam de bewoning langzamerhand toe, maar deze bestond nog wel zoín 5000 jaar hoofdzakelijk uit rondtrekkende jagers en verzamelaars. De opkomst van het boerenbedrijf vond in het latere Friese gebied ~ want de mensen noemden zichzelf nog geen Friezen ~ pas later plaats, ongeveer in 3400 voor Christus. De eerste boeren woonden op het zand, ongeveer in de tegenwoordige Wouden en in Gaasterland. Op grond van het aardewerk dat van hen is teruggevonden, worden ze Trechterbeker-mensen genoemd. Hun sporen hebben ze achtergelaten in het gebied van Groot-BrittanniŽ tot en met Bulgarije. Ze zijn ook bekend geworden door hun hunebedden. . . . Het oudste bewijs van de activiteiten van deze prehistorische boeren in het tegenwoordige Friesland is aangetroffen op een zandrug bij Bornwird bij Dokkum. Daar vonden archeologen een akker de dateert uit ongeveer 3000 voor Christus. Deze boeren hielden vee en hadden ook wat bouwland. Herders lieten in het voorjaar en de zomer het vee weiden in velden aan de rand van het zand of op de klei. In de eeuwen daarna nam de bewoning van de zandgronden in de Wouden toe, om in het laatste millennium voor het begin van de jaartelling weer af te nemen. Door een sterke groei van het veen raakte steeds meer boerenland overwoekerd. Uiteindelijk raakten de Wouden merendeels ontvolkt en trokken de mensen met hun vee naar de zeer vruchtbare kwelders ~ de tegenwoordig ingedijkte kleistreken ~ waar ze terpen opwierpen om op te wonen. Dat vond plaats vanaf ongeveer in 600 voor Christus.

                 . . . Onze kennis over de Romeinse periode in het Friese gebied is gebaseerd op enerzijds archeologische vondsten . . . en anderzijds op passages in het werk van klassieke, Griekse en Latijnse auteurs. Zij noemen de Friezen ~ voor het eerst in 12 voor Christus ~ als bewoners van het gebied tussen de Oude Rijn bij Katwijk en de Eems en om grote meren heen. Dat waren de Flevomeren die hebben gelegen op de plaats van de tegenwoordige IJsselmeerpolders en noordwestelijk daarvan, tussen Staveren en Enkhuizen. . . . Hoe de verhouding tussen Romeinen en Friezen was, is nog altijd niet helder. Was Friesland bezet gebied? . . . Al kan men concluderen dat de Romeinen in de eerste eeuwen van onze jaartelling grote invloed hebben gehad in het Friese territorium, maar dat dit niet onmiddellijk kan worden aangeduid als bezet gebied. . . . In de tijd van de grote Volksverhuizingen is het Friese gebied ontvolkt. Tussen 350 en 450 na Christus, toen het Romeinse Rijk in verval raakte, zijn de Frisii over wie de klassieke auteurs schreven, hoogstwaarschijnlijk naar andere streken getrokken. Later wist men dat niet meer. De klassieke vermeldingen van de Frisii zijn hierdoor nadien belangrijk geweest voor het ontstaan van een zelfbewuste Friese [identiteit].

                 Tegen 450 hadden de Romeinen zich teruggetrokken achter de Alpen. Daarmee raakten de landwegen, die vooral voor en door het Romeinse leger in stand waren gehouden, in verval. Alleen over water konden nu nog langere (handels)reizen gemaakt worden. De Friezen uit het waterrijke terpenland sprongen in dat gat en voeren met hun scheepjes over de Noord- en de Oostzee en trokken ook de Rijn op om handel te drijven. . . . Op de plaats waar de Rijn zich in twee armen splitste, ontwikkelde zich de belangrijkste uitvalsbasis van de Friese kooplieden: Dorestad. Deze plaats lag in een gebied dat destijds wel werd aangeduid als citerior Fresia. . . .

                 Bij storm en springvloed liep het vruchtbare, onbedijkte land langs de Noordzeekust onder water. Het natte kwelderland was uitermate geschikt voor veehouderij, maar als woonplaats voldeed het minder goed. Vanaf ongeveer 500 voor Christus begonnen de mensen die zich daar vanaf circa 600 voor Christus eerst alleen nog in het zomerseizoen hadden gevestigd, daarom uit plaggen en mest terpen op te werpen, verhogingen waarop in de loop der tijd huizen en hele dorpen werden gebouwd. Tot ongeveer 1000 na Christus, toen er steeds meer dijken om de kwelders werden gelegd, zouden deze terpen in functie blijven en ook steeds verder worden opgehoogd. . . . In de vroege Middeleeuwen lag er in het toenmalige Friese gebied langs de Waddenen Noordzeekust een rij van niet al te grote bewoonbare gebieden ~ men noemt ze heel toepasselijk wel bewoningseilanden ~ die zich uitstrekte van de Schelde in het zuiden tot even over de Wezer in Noord-Duitsland. Van al deze kerngewesten waren Westergo en daarna Oostergo, allebei gelegen in het tegenwoordige Friesland, het grootst en het belangrijkst. Beide gouwen hoorden tot de dichtstbevolkte gebieden in Europa. Op de terpen in deze gebieden leefden de Friezen aanvankelijk vooral van veeteelt en landbouw. Na de volksverhuizingen werd het gebied waarschijnlijk bevolkt door een ander volk. De Friezen uit de Romeinse tijd zijn dus niet dezelfden als die van na die tijd. Over de herkomst van deze nieuwe bewoners discussiŽren archeologen nog steeds. . . .

                 Rond 700 leefden de Friezen nog in stamverband. . . . De Friezen hadden toen hun eigen heidense goden. Een daarvan was Fosite, die werd vereerd op een heilig eiland dat in de richting van Denemarken lag. Op dat eiland, dat wij tegenwoordig kennen als Helgoland, liepen heilige koeien die niemand mocht aanraken. . . . De Friezen werd[en] . . . door de Franken verslagen [en] het zuidelijk deel van het toenmalige Friesland (citerior Fresia), waartoe ook de stad Utrecht behoorde, viel toen in Frankische handen.

                 [In de eeuwen voor] 1498 [week] de politieke structuur in Friesland . . . af van het gangbare patroon. [Het] Friese . . . vrijheidsideaal [werd] tot uitdrukking gebracht in de . . . leus 'Frysk en frij'. . . . Friese gebieden gingen . . . niet mee in de uitbreiding van het grafelijk gezag tot wat bekend stond als 'landsheerlijkheid'. Hoewel in theorie de keizer nog wel erkend werd, verdampte in de Friese landen het gezag van de graven. Het ontstane machtsvacuŁm werd opgevuld door zogenaamde 'landsgemeenten', corporaties van adellijke en niet-adellijke grondbezitters, die een zwakke vorm van gezag uitoefenden. Dat verschijnsel deed zich voor in heel het toenmalige Friese gebied, van Zuiderzee tot Wezer. . . . Er is ~ in de dertiende en vroege veertiende eeuw ~ een aanzet geweest tot het ontstaan van een federatie van vrije landsgemeenten: het bond van de Opstalboom. . . . In 1498 is er een eind gekomen aan de Friese vrijheid. Een buitenlandse legeraanvoerder . . . werd toen door de keizer tot erfelijk 'gubernator' (keizerlijke stadhouder) over Friesland aangesteld.

                 Net als iedere Germaanse stam, hadden de Friezen een eigen stamrecht . . . [in] een soort van Friese rechtsideologie . . . , die inhoudt dat het eigen recht moet worden gezien als een godsgeschenk, even kostbaar als het christelijk geloof. Godsgeschenk of niet, in 1504 werd het Oudfriese recht . . . in een keer afgeschaft. In opdracht van de Frankische koning is rond 800 een schriftelijke inventarisatie opgemaakt, in het Latijn, van het Friese stamrecht uit die tijd. De tekst, bekend als de Lex Frisionum, is het oudst bewaard gebleven rechtsdocument uit de Friese geschiedenis. . . . De verheerlijking van het Friese recht, dat dan landrecht wordt genoemd, is vooral een zaak van de veertiende en vijftiende eeuw, dat wil zeggen de tijd van de Friese vrijheid. Dan komt ook de claim op dat de Friezen hun landrecht van God zouden hebben gekregen, via Christus en Karel de Grote. . . . Een deel van het Oudfriese recht ~ in het bijzonder twee teksten, de Zeventien Artikelen en de Vierentwintig Landrechten ~ geldt voor heel het Friese gebied, dat dan nog loopt van Vlie tot Wezer, ook al is dat politiek gezien geen eenheid.


ik meen een 'Groot Friesland' te kunnen lezen in de plaatsnamen op deze laat 20e eeuwse kaart:
ten westen van het schiereiland van het Denemark is aangeduid (in het Duits) de Nord Friesische Inseln, en de Ost Friesische Inseln ten noorden van de kust boven Bremerhaven en Wilhelmshaven [in het Fries: Noard Fryske Eilannen en East Fryske Eilannen], en de Waddeneilanden waren natuurlijk de West Fryske Eilannen; vandaar de kustgebieden aan de Noord Zee tot ver zuid van Zeeland langs Oosteinde, Duinkerke, en Kales tot de Kwinte rivier; dan Brussel, Maastricht, Duisburg, Kloppenburg Oldenburg, Hamburg, en Flensburg tot het Denemark
_____________________________________________________________
 

De stad Amsterdam

Te Amsterdam spreken de deftige burgers en de aanzienlijken tegenwoordig ook, even als men in alle hollandsche steden doet, modern hollandsch. Maar de geringe burgers en de arbeiders, het eigenlijke volk uitmakende, spreken nog steeds amsterdamsch, ofschoon hun amsterdamsch dan tegenwoordig ook veel minder sterk gekleurd is dan vroeger het geval was.

De oudste Amsterdammers spraken ongetwijfeld friesch, want ze waren echte Friezen. Of de alleroudste Amsterdammers, de lieden, die voor er nog een dam in den Amstel lag, aan de oevers van den Amstel, in de gou Amestelle woonden, daar reeds altijd gevestigd waren geweest, dan of ze wellicht van den anderen kant van 't IJ kwamen, is niet zeker; maar 't is bij mij boven allen twijfel verheven dat de echte Amsterdammers van zuiver frieschen bloede zijn en als zoodanig ook friesch spraken. De geleerde J. ter Gouw is eveneens van dit gevoelen, en heeft in zijn talrijke werken meer dan eens op deze omstandigheid gewezen en zijn denkwijze hieromtrent met bewijzen gestaafd.

Gedurende de eerste opkomst van Amsterdam echter, in de middeleeuwen, toen handel en scheepvaart zich al ras te Amsterdam sterk ontwikkelden, grooten bloei en welvaart aan de stad verleenden en de Amsterdammers daardoor met veel vreemdelingen, (Zuid-) Hollanders, Vlamingen, Brabanders, Bovenlanders, Oosterlingen (bewoners van de oevers der Oostzee) enz. in nauwe aanraking en druk verkeer geraakten, toen ook veel vreemdelingen zich in de stad aan den Amstel vestigden, toen schijnt de friesche taal te Amsterdam al ras verloren gegaan en door het nederduitsch verdrongen geworden te zijn, even als dit in menige andere stad van Noord-Nederland 't geval is geweest. Toch bleef er steeds een sterk friesch bestanddeel in de amsterdamsche volkstaal over, dat er nog heden ten dage niet uit verdwenen is.

Het amsterdamsch van de 14de en 15de eeuw was nog half friesch; dat van de 16de eeuw komt nergens meer mede overeen als met de half friesche, half nederduitsche tongval die men nog heden te Leeuwarden en in de andere friesche steden spreekt. Inderdaad, de amsterdamsche volkstongval van de 16de eeuw en van het begin der 17de, is bijna volkomen gelijk aan het tegenwoordige zoogenoemde stadfriesch; ja, in menig opzicht staat dat oude amsterdamsch nog nader aan het friesch dan de hedendaagsche tongval der friesche steden. Talrijke amsterdamsche schrijvers, vooral dichters en onder dezen voornamelijk de blijspeldichters, geven ons in hun werken proeven van de 16de en 17de eeuwsche amsterdamsche volksspraak. Men sla slechts de werken van den volgeestigen, echt volksaardigen (populairen) Gijsbrand Adriaenszen Bredero op, om, in iederen regel van zijn verzen, talrijke, duidelijke sporen aan te treffen van de friesche taal. Het echte amsterdamsch van die tijden was een krachtigen, kernachtigen, en ook schoonen, geestigen tongval.

In de laatste helft der 17de en in de 18de eeuw begon het amsterdamsch reeds te verwateren en tegenwoordig, in de laatste helft der 19de eeuw spreekt kwalijk de helft der (echte) Amsterdammers nog amsterdamsch. Het drukke verkeer met landgenooten en vreemdelingen, het verbeterde onderwijs en de meerdere leeslust, en boven al de mode, die alles wat oorspronkelijk is of een erfdeel onzer voorouders, verwerpt, heeft van het oude amsterdamsch gemaakt wat het thans is.

Johan Winklers Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon (1874)
gevonden op het Meertens Instituut
 

Amstel Dam - Amstelredam - Amsterdam
 

De eerste pioniers (boeren. ambachtslieden) in het zojuist ontgonnen gebied hebben rond 1200 hun lemen hutten gebouwd op de linkeroever van de Amstel . . . en niet veel later ook op de rechteroever. De bevolking groeit van een paar honderd tot zo'n 3000 inwoners.
 

De alleroudste haven is de monding van de Amstel ten noorden van de dam die sinds ongeveer 1240 beide Amsteloevers verbindt. Die dam is de plek waar de vracht uit de zeeschepen die . . . liggen aangemeerd, wordt overgeladen in binnenscheepjes.
 

De eerste smid op de Nieuwendijk, wiens woning bijna acht eeuwen later zal worden opgegraven, maakt al scheepsnagels en klinkers. KenneIijk wordt er daar al wat aan scheepsherstel gedaan.
 

Peter-Paul de Baar in Ons Amsterdam, November 2001

                 Het tijdschrift Ons Amsterdam onthulde (Januari 2012) dat 'Amsterdam' al in de Steentijd bewoond was.
                 Al 4600 jaar geleden, aan het eind van de Nieuwe Steentijd, werd er gewoond in het gebied waar later Amsterdam ontstond. Dat blijkt uit het bodemkundig onderzoek onder leiding van stadsarcheoloog prof. dr. Jerzy Gawronski onder het Damrak en het Rokin tijdens de aanleg van een ondergronds spoor.
                 "Door deze vondsten worden millennia toegevoegd aan onze geschiedenis," zegt Gawronski.
                 In de bestaande overzichtswerken over de geschiedenis van Amsterdam begint het verhaal steevast rond 1200, toen aan de Nieuwendijk voor het eerst vaste bewoning ontstond, of al rond 1000, toen de eerste ontginners het drassige Amstelland introkken. Vaak wordt verondersteld dat in alle eeuwen voor die tijd de grond hier veel te waterrijk was om bewoond te worden.
                 Daar denkt Gawronski nu heel anders over. En wel vooral vanwege een aantal vondsten uit de bodem van het Damrak en Rokin, in vroeger eeuwen de monding van de Amstel. Die vondsten van zo'n 6 tot 12 meter diepte konden (tussen 2005 en 2009) worden gedaan dankzij de aanleg van de Noord-Zuidlijn van de metro. Om de metrobuis te kunnen leggen, moest hier tot ongeveer 30 meter diep worden gegraven, door de rivierbedding van de Amstel tot bodemlagen uit de laatste IJstijd, zo'n 100.000 jaar geleden. Dit bood geweldige kansen voor nieuwe archeologische ontdekkingen want een doorsnee-opgraving gaat zelden dieper dan een meter of vier. Sommige vondsten peuterden de archeologen ter plekke uit de bodemlagen. Maar het meeste kwam uit mechanisch opgezogen bagger, die over grote zeven werd uitgestort. Dat leverde 450.000 vondsten op. De inventarisatie daarvan is nog lang niet afgerond. Inmiddels is Gawronski wel genoeg zeker van zijn zaak om met deze conclusies naar buiten te treden.
                 Wat werd er zoal gevonden? De oudste objecten zijn een stenen strijdhamer en een hamer gemaakt uit een gewei ('geweihak') uit de laatste fase van de Nieuwe Steentijd, ongeveer 2600 voor Christus, in 2005 opgezogen vanaf 18 meter onder het straatniveau van het Damrak. Uit ongeveer 2200 voor Christus, zo'n beetje de grens tussen de Steentijd en de Bronstijd, dateren een hamerbijl uit het Damrak en een paar vondsten tien meter diep onder het Rokin: een scherf van een Veluwse klokbeker, een benen priem en botten van rund, schaap, geit, en varken, maar ook beer en bever.
                 Uit een en ander leidt Gawronski af dat ter plekke van de latere Amstelmonding of daar vlakbij prehistorische bewoning moet zijn geweest. Of er ook een rivier lag waar we nu Rokin en Damrak kennen is minder duidelijk. De bewoners waren het nomadische stadium van de 'jagers en verzamelaars' voorbij. Dat wil zeggen: noten en vruchten verzamelen, vissen en een beetje jagen dienden als aanvulling op de nieuwe hoofdbronnen van bestaan: akkerbouw en enige veeteelt.
                 Ook zaten er vondsten uit de periode daarna in de Amsterdamse bodem. Uit de Bronstijd 900 voor Christus dateren een lanspunt en een maalsteen, en ook uit de vroege middeleeuwen zijn er overblijfselen, in de vorm van aardewerk scherven. Deze resten, niet veel maar wel ter plekke in de bodem geraakt, duiden op een continue vorm van menselijke aanwezigheid en mogelijk bewoning van de Nieuwe Steentijd tot aan de vroege Middeleeuwen, zoals op veel andere plaatsen in Noord-Holland ook is aangetoond. Pas na ingrijpende landschapveranderingen onder invloed van stormen en overstromingen ontstond aan het einde van de 12e eeuw een plek aan de rivier de Amstel en het IJ met een nieuwe permanente nederzetting die zou uitgroeien tot de stad Amsterdam.
Gemeente Amsterdam Bureau Monumenten & Archeologie  

                
                 Amsterdam is een stad, maar ook een staat (schreef Geert Mak) ~ een land apart en een houding tegenover de wereld.
                 Vanaf de vroegste tijd dat het zich ontwikkelde van een piepklein dorpje langs de oevers van de Amstel, moesten Amsterdammers samen werken om het land waarop zij hun woningen konden bouwen van het water te ontginnen en beschermen. Het was zelfgewonnen land dat de Amsterdamse burgers daarom in eigendom hadden in een letterlijke zin. Het gaf hen zulk een saamhorigheidsgevoel dat als een burger gevangen zou zijn buiten de stad, ieder het recht voelde om uit te zetten voor een bevrijding, en een misdaad door een vreemde tegen een burger werd gezien als tegen de hele samenleving.
                 Een oorkonde van 1275 gaf ". . . homines manentes apud Aemstelredamme" vrijdom van alle grafelijke tollen in Holland, maar de maatschappij stond niet relatief tot een heerser als onderdaan. Nooit heeft een monarch een zetel in Amsterdam genoten
                 Nooit speelde een kerk de overheersende rol hier. Het romijnse rijk nam de christelijke aan als de staat kerk in 380. De republiek viel maar het erfgoed was een roomse kerk dat speelde het overwicht door heel europa, en het was een bischop van Utrecht welke erkende de rechten van Amsterdam om zich zelfstandig te regeren in 1300.
                 Amsterdam is ook de enige stad in de lage landen met in haar wapen een keizerskroon (bij toestemming van dezer zoon in 1489).
                 In the tijd van de verenigde provincien (1572 - 1806) stond Amsterdam vooraan in gezag in Holland, welke was de voornaamste stem in de staten generaal van de [republiek].
                 Nederland bestond niet tot een 1814 Verdrag van Wenen.
                 Pim Fortuijn schreef over de nederlander dat die "is democratisch in karakter, afgaand van de individu, met milde anarchistische neigingen", en dat is altijd zo geweest in Amsterdam ~ mijn Amsterdam.
_____________________________________________________________
 

kijk ook naar 'de ontwikkeling van [Europa] in kaart'
'the earliest [Europeans]' en ['the Low Lands'] (beiden in de engelse taal}