Home  Albert  News  Purchase  Gallery  Contact  Writings  Links

2011 06 07

EEN KARRETJE OP EEN ZANDWEG REED

Een karretje op een zandweg reed
De maan scheen helder, de weg was breed, Het paardje liep met lusten;
('k Wed, dat het zelf zijn weg wel vindt:) De voerman lei te rusten ...
Ik wens je wel-thuis, me vrind!

Een karretje reed langs Berg en Dal;
De nacht was donker, de weg was smal, Het paard liep als met vleugels;
(De sneeuwjacht zweept zijn ogen blind:) De voerman houdt de teugels ...
Ik wens je wel-thuis, me vrind!

Een karretje keert behouden weer;
Het ander heeft er geen voerman meer; Waar mag hij zijn gebleven?
'k Wed dat je 'em op de zandweg vindt, Of moog'lijk wel daarneven ...
Hij komt niet weer thuis, die vrind!

het beroemde lied uit 1847
tekst: J. P. Heije; muziek: J. J. Viotta

                J.P. Heije zag het levenslicht op 1 maart 1809 in Amsterdam. Na zijn medicijnenstudie ging hij in Amsterdam aan de slag. Ook ontplooide hij talloze literaire activiteiten. Heije probeerde de kwaliteit van de gezondheidszorg te verbeteren. Als arts en ook als gemeenteraadslid van Amsterdam. Hij richtte diverse maatschappijen op en publiceerde in vele medische tijdschriften. Desalniettemin kreeg hij voor zijn ideeën voor verbeteringen weinig gehoor.
                In 1850 huwde hij met Maria Margareta van Voorts, dochter van ds. Jan Jacob van Voorst. In 1851 werd hun dochtertje Sophia geboren. Heije’s schoonvader had in 1853 in het zuiden van het drooggelegde Haarlemmermeer het voormalige eiland Abbenes met omliggende gronden gekocht. Hij verpachtte dit land met de boerderijen. In 1860 werd Heije belast met het beheer van zowel de gronden als de boerderijen. Regelmatig begaf hij zich hiervoor naar Abbenes. Er ontstond een innige band tussen hem en de inwoners van het polderdorp.
                Na de beëindiging van zijn artsenpraktijk en vertrek als raadslid in 1857, wijdde hij zich aan de verskunst. Hij wist van zichzelf dat hij een middelmatig dichter was. Maar op muzikaal gebied had een meer dan gewoon talent. Heije vond dat de dichtkunst en de muziek een eenheid vormden. In het muziekleven van zijn tijd nam hij een vooraanstaande plaats in. Ook het vertalen van buitenlandse liedjes en het bewerken van sprookjes hielden hem bezig. Hij was daar zeer succesvol in. Bij de Maatschappij ter bevordering van de Toonkunst maakte hij kennis met medebestuurslid J.J. Viotta, een collega-arts (1814-1859). Er ontstond een samenwerking waarin Heije de teksten en Viotta de muziek van kinder- en volksliedjes schreef. De liedjes hadden meestal een pedagogisch karakter met liefde voor het land, de zee, het verleden. Hij schreef ondermeer ‘Een scheepje in de haven lag’, ‘De zilvervloot’, ‘Een karretje op een zandweg reed’, ‘Hollands vlag je bent mijn glorie’, ‘Zie, de maan schijnt door de bomen’ , ‘Ferme jongens, stoere knapen’ en dus ‘Een lied, een lied uw leven lang’.
                Heije overleed in 1876 in Amsterdam. Naar zijn wens werd hij in Abbenes begraven. Hij motiveerde zijn verzoek met de mededeling "Ik wil rusten temidden mijns volks".