De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel
en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders,
door Charles de Coster, in het Vlaamsch vertaald
door Richard Delbecq (voor het proza) en René de Clercq (voor de liederen)
VOORREDE VAN DEN UIL [1]
Heeren kunstenaars, heeren uitgevers, heer dichter, ik heb u eenige
aanmerkingen te doen aangaande uwe eerste uitgave. Hoe! in dat
lijvige boek, in dien olifant dien gij met achttienen naar den roem
tracht te drijven, hebt gij het kleinste plaatsje niet gegund aan
den vogel van Minerva, den wijzen, omzichtigen uil! In Duitschland
en in dat Vlaanderen dat gij zoozeer bemint, reis ik gedurig op den
schouder van Uilenspiegel, die maar aldus genoemd wordt, omdat zijn
naam bediedt: Uil en Spiegel, wijsheid en komediespel. Die van Damme,
waar hij geboren werd, naar men zegt, spreken uit: Ulenspiegel, door
samentrekking en de gewoonte die zij hebben u in stee van Ui uit te
spreken. Dat is hunne zaak.
Gij hebt eene andere uitlegging uitgedacht: Ulen voor U lieden Spiegel,
de Spiegel van U, boeren en heeren, geregeerden en regeerders, de
spiegel van de dwaasheden, de belachelijkheden, de misdaden van een
tijdstip. Dat was vernuftig, maar onredelijk. Men moet nooit afbreken
met den slenter.
Misschien vondt gij het vreemd de wijsheid te verbeelden door een--naar
uwe meening--treurigen, belachelijken vogel, een gebrilden schoolvos,
een kermis-grappenmaker, een vriend der duisternis, dien men niet
hoort vliegen en die doodt zonder dat men hem hoort komen, evenals de
Dood. Nochtans gelijkt gij op mij, huichelaars die lacht met mij. In
menige uwer nachten stroomde het bloed onder de slagen der Moord,
die op vilten zolen liep, opdat men heur ook niet zoude hooren komen.
Brak, in uw aller geschiedenis, nooit geen bleeke dageraad aan, die met
zijn vale schemering de met lijken van mannen, vrouwen en kinderen
bedekte straatsteenen verlichtte? Waarvan leeft uwe Staatkunde,
sedert dat gij over de wereld regeert? Van worgen en moorden.
Ik, uil, de leelijke uil, ik dood om mij te spijzen, om mijne jongen
te spijzen, ik dood niet om te dooden. Verwijt gij mij de vogeltjes
op te peuzelen, dan kan ik u even goed de slachting verwijten die
gij aanricht onder alles wat leeft. Gij hebt boeken geschreven waarin
gij met verteedering spreekt over de lichtheid van de vogelen, over
hunne minnarijen, over hunne schoonheid, over de kunst waarmede zij hun
nestje bouwen, en over de angsten des moederschaps, vervolgens zegt gij
met welke saus men ze moet opdienen en in welke maand van het jaar zij
de vetste stoverij opleveren. Ik, ik maak geen boeken, God beware mij
daarvoor, anders schreef ik dat, als gij den vogel niet kunt opeten,
gij het nest opeet, uit vreeze dat gij een hap zoudt verliezen.
Wat u betreft, onbesuisde dichter, het was uw belang mij terug te
brengen in uw werk, waarvan ten minste twintig hoofdstukken mij
toebehooren [2] de andere laat ik u in onbetwisten eigendom. Men mag
toch wel het volstrekt meesterschap behouden over de domheden die
men laat drukken. Schreeuwende dichter, gij slaat links en rechts op
die welke gij de beulen des vaderlands heet, gij stelt Keizer Karel
en Philips II aan den schandpaal der geschiedenis; gij zijt geen
uil; gij zijt niet voorzichtig. Weet gij of er geen Keizer Karel
of geen Philips II op de wereld meer bestaan? Vreest gij niet dat
eene opmerkzame censuur uit den buik van uwen olifant toespelingen
op doorluchtige tijdgenooten vinde? Waarom laat gij dien Keizer en
dien Koning niet slapen in hun graf? Waarom moet gij al die majesteit
aanblaffen? Die het zweerd trekt, zal door het zweerd vergaan. Er zijn
menschen die het u nooit zullen vergeven, ik ook vergeef het u niet,
gij stoort mijne burgerlijke spijsvertering.
Wat beteekent die bestendige tegenstelling tusschen een verfoeiden
koning, wreedaardig van jongs af--daarom is het een mensch--en
dat Vlaamsche volk, dat gij ons wilt voorstellen als heldhaftig,
gulhartig, eerlijk en werkzaam? Wie zegt u dat die koning slecht en
dat volk goed was? Wijselijk zou ik u het tegenovergestelde kunnen
bewijzen. Uwe hoofdpersonages zijn dwazen of zotten, zonder er een
uit te zonderen: uw deugniet van Uilenspiegel neemt de wapenen op
voor de gewetensvrijheid; zijn vader Klaas sterft, laat zich levend
verbranden voor zijne godsdienstige overtuiging; zijne moeder, Soetkin,
kwijnt van verdriet en sterft ten gevolge van de foltering, om een
fortuin voor haren zoon te bewaren; uw Lamme Goedzak stapt recht door
het leven alsof het al was, goed en eerlijk op deze wereld te zijn;
uwe kleine Nele, die niet leelijk is, bemint in heel haar leven maar
een enkelen man.... Waar ziet men nog zulke dingen? Ik zou u beklagen,
zoo ge mij niet deedt lachen.
Nochtans moet ik bekennen dat naast die bespottelijke personages, er
wel eenige zijn die ik geerne onder mijne boezemvrienden zoude nemen:
uwe Spaansche huurlingen, uwe monniken die het gemeen verbranden,
uwe Gilline, spionneerster der Inquisitie, uw gierige vischverkooper,
aanklager en weerwolf, uw edelman die 's nachts duivel speelt om eene
onnoozele te verleiden, en vooral dien omzichtigen Philips II, die,
geld noodig hebbende, de heilige beelden in de kerken doet breken,
ten einde een opstand te beteugelen waarvan hij de wijze aanstoker
was. Minder kan men toch niet, als men geroepen is te erven van
degenen die men doodt.
Maar ik geloof dat al mijne woorden verloren moeite zijn. Gij weet
niet wat een uil is. Ik ga het u zeggen.
De uil is hij die in 't geniep, eerroof stookt onder de lieden
die hem hinderlijk zijn en die, als men hem vraagt of hij de
verantwoordelijkheid over zijne gezegden wil dragen, voorzichtig
antwoordt: Ik bevestig niets, Men heeft mij gezegd.... Hij weet wel
dat Men onvindbaar is.
Uil is hij die een eerlijk gezin binnendringt, zich aanstelt als
een trouwer, een meisje verleidt, geld ontleent, soms zijne schuld
betaalt en henengaat als er niets meer te nemen is.
Uil, de politieke man die een masker van vrijheid, van oprechtheid,
van menschenliefde opzet en die, op een gegeven oogenblik, zonder te
verwittigen, een man of eene natie zachtjes de keel toeworgt.
Uil, de koopman die zijnen wijn doopt, zijne eetwaren vervalscht,
een kwade maag brengt daar waar spijsverteering,--woede, daar waar
vroolijkheid was.
Uil, hij die behendig steelt, zonder dat men hem bij den kraag vatten
kan, valsch getuigt tegen de waarheid, de weduwe ten onder brengt,
de weeze stroopt, en zegepraalt in 't vet, lijk anderen zegepralen in
't bloed.
Uilin, zij die hare schoonheid verkoopt, de beste harten van
jongelieden vermorst, dat heeten: de jeugd vormen, en ze zonder eenen
cent, achterlaat in het slijk waarin zij hen sleepte.
Als ze ooit treurig gestemd is, zich ooit herinnert dat ze vrouw is,
moeder zoude kunnen zijn, dan verloochen ik heur. Als ze, dat bestaan
moede, in 't water springt, dan is zij eene zinnelooze, die niet
verdiende te leven.
Zie rondom u, domme schrijver, en tel, als gij kunt, de uilen van deze
wereld; bedenk of het voorzichtig is gelijk gij het doet, van Macht
en List, die koninginnen der uilen, aan te vallen. Kom tot inkeer,
zeg mea culpa en vraag op uwe knieën om vergiffenis.
Nochtans hebt gij mijne belangstelling gewonnen door uwe onbesuisdheid,
vol zelfvertrouwen; tegen mijne gekende gewoonten in, verwittig ik u
dan ook dat ik, op staanden voet, de grofheid en roekeloosheid van
uwen stijl ga aanklagen bij mijne neven in letterkunde, die eene
sterke pen, eene stoute tong en voortreffelijke brillen hebben, en
zeer voorzichtige en pedante lieden zijn, die uwen trant niet gewoon
zijn en hunne taal zoozeer kuischen, dat er ten lange laatste niets
zal van overblijven. [3]
Bubulus Bubb.
NOTEN
[1] Deze Voorrede werd, met een bepaald aantal platen, gevoegd in de
eerste Fransche uitgave. (Lacroix-Verboeckhoven & Co.)
[2] Die bewering is nauwkeurig. Aan een Vlaamsch boekje van den
uitgever Van Paemel, getiteld: Het aerdig leven van Thyl Uylenspiegel,
ontleende de dichter een aantal hoofdstukken van het Eerste Boek van
zijn werk.
[3] Over afleiding en beteekenis van het woord "Uilenspiegel"
verschillen wij--en zeker de meeste Vlamingen met ons--teenemaal met
Ch. de Coster. Omstandige, langdradige dissertatiën daaromtrent zullen
wel overbodig zijn, en hooren ook in dit boek niet te huis. Zoo wij
deze Voorrede in de Vlaamsche uitgave brachten, was het dus enkel
met het inzicht het werk van Charles De Coster te eerbiedigen, en
het, in zijn geheel, den Vlaamschen lezer aan te bieden. (Noot van
den Vertaler.)
|