Van het internet:
De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en
Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders
Het
Project Gutenberg electronische book is
vrij voor gebruik door iedereen
Geschreven in het Frans:
La Legende et les Aventures heroiques, joyeuses et glorieuses d'Ulenspiegel et
de Lamme Goedzak au pays de Flandres et ailleurs
Van het book door Charles de Coster in het Vlaamsch vertaald door Richard Delbecq (voor het
proza)
en René de Clercq (voor de liederen)
Charles-Theodore-Henri De Coster werd geboren te Munchen, den 20n Augustus 1827.
Buiten en behalve menigvuldige gewaardeerde bijdragen in dagbladen en
tijdschriften, levert hij, in 1856, les Frères de la bonne trogne
(Brabantsche legende); in 1857, de Legendes flamandes et wallones,
die een ongemeenen bijval ontmoeten en door de Fransche pers vleiend
beoordeeld worden; in 1861, de Contes brabancons.
De Legende van Uilenspiegel en Lamme Goedzak, in de letterwereld
met ongeduld verwacht, verscheen in 1867 [in de franse taal] in een prachtige uitgave,
opgeluisterd met twee en dertig etsen van negentien talentvolle
kunstenaars.
Toen eindelijk de regeering, een tiental jaren vóór zijnen dood, er
aan dacht de verstandelijke hulpmiddelen van den grooten schrijver
ten behoeve van het onderwijs aan te wenden, was het te laat. Hij
stak zoo diep in schulden, dat zijne benoeming geen anderen uitslag
opleverde dan eene opschudding te verwekken onder zijne schuldeischers,
die zijn traktement aansloegen en hunne prooi niet meer loslieten.
Toen hij stierf, op 7 Mei 1879, verkeerde hij in de diepste ellende.
DE LAATSTE OOGENBLIKKEN VAN CHARLES DE COSTER.
Charles De Coster stierf op 7 Mei 1879, te Elsene, in het huis, dat
den hoek uitmaakt van de Gewijde-Boomstraat, en toen gehuurd werd
door een fruitverkooper. Heel de woning van den grooten kunstenaar
bestond uit de twee kamers op de eerste verdieping: de grootste was
zijn werkkabinet, de andere zijne slaapkamer; daarin stonden een
ijzeren bed, een kleine tafel, een houten kast, eenige stoelen.
Hij had zich den dag te voren te bed gelegd: de pisvloed waaraan
hij leed, en diens noodlottige gezellin, de longtering, waren
plotseling verergerd. Charles De Coster nam zelden zijne toevlucht tot
geneesheeren; een zijner vrienden nochtans, M. Kirkpatrick, verschrikt
over den voortgang van de kwaal, had den heer dokter Vaucleroy,
geneesheer aan de Krijgsschool, ontboden. Toen deze kwam, vond hij
aan de sponde van den zieke eene oppasster, die De Coster in zijn
verheven en grenzenloos medelijden met de onterfden en ongelukkigen,
bij zich genomen had. Deze arme vrouw, die bij den zieltogende waakte,
was zelve het toonbeeld des doods; heel haar aangezicht was ingevreten
door zweren. De geneesheer ging heen zonder hoop den zieke te redden,
maar hij voorzag toch geen dreigenden dood: hij zou 's anderen daags
namiddags terugkomen.
's Anderen daags scheen De Coster zijn nakend einde niet bewust te
zijn, want hij vroeg noch naar zijnen schoonbroeder, noch naar zijne
zuster, die hij aanbad. Doch hij wilde zich omringen van vrienden,
als om zijn lichaam en zijn hart te verwarmen. Hij liet deze roepen,
die in de nabijheid woonden: zoo werden Félix Bouré, de beeldhouwer,
en later ik zelf geroepen. Bouré was ziek; hij verwittigde zijn
broeder, mede een vriend van De Coster: de heer Bouré vond in het
werkkabinet kapitein Mertens die, diep bedroefd, in de kamer van den
zieke niet dorst gaan. Deze betoonde een levendige erkentelijkheid
aan den heer Bouré, die zijn bed wat gemakkelijker schikte en hem te
drinken gaf. Toen ik en mijne vrouw op onze beurt kwamen, richtte De
Coster zich op in zijn bed en herkende mij heel goed. Kloekmoedig in
het aanschijn van den dood, had hij nog het gedacht om den heer Bouré
en mij aan elkander voor te stellen. De heer Bouré bevestigde mij dat
hij, toespeling makend op mijn beroep van advocaat, eenige Latijnsche
woorden mompelde. Maar zijn blik verduisterde, zijne ademhaling werd
hijgend; toen mijne vrouw hem naderde om zijn hoofdkussen te schikken
en zijn voorhoofd te verfrisschen, moest hij eene inspanning doen om
heur te herkennen: "Hoe, gij ook, mevrouw, ik dank u zeer!" Daarna
werd de ademhaling flauwer, een laatste naam, die zijner zuster,
kwam pijnlijk over zijne lippen: "Ca...ro...line". Het was zijn hart,
dat ontsnapte. Het was twee uren.
Hector Denis.